Boekbespreking

1989-06-23
  • Jaargang 33
  • nummer 13
B. Kamphuis - Klare taal (de duidelijkheid van de Schrift)

De Kamper dogmaticus, prof. J. Kamphuis, is met emeritaat en opgevolgd door zijn zoon, drs. B. Kamphuis. Deze aanvaardde op 22 januari 1988 zijn ambt - zoals gebruikelijk is - met het uitspreken van een rede. Die is nu in druk verschenen bij 'De Vuurbaak' te Barneveld, als 'Kamper Bijdrage XXIX' (50 blz., f 14,90).

De ondertitel geeft het onderwerp duidelijk aan. Het is actueel; want in theologische kringen tornt men aan die duidelijkheid en in veel kerkelijke kringen is dat niet beter. "Er is reden hier te spreken van een ziektesymptoom van de huidige theologie"(8). Veel vragen concentreren zich "rond de zgn. hermeneutiek, de zaak van het verstaan en vertolken van het evangelie in onze tijd" en daarbij is de helderheid, de duidelijkheid van de boodschap in het geding"(9/10).
De Bijbel is duidelijk, zo laat de nieuwe hoogleraar ons in hoofdstuk 1 zien. Maar - zo gaat hij in hoofdstuk 2 verder - is die duidelijkheid nu ' absoluut of begrensd (tot wat wij voor onze zaligheid nodig hebben te weten)? In de loop der tijden is dit gedurig in discussie geweest: individualisme, piëtisme, spiritualisme deden hun invloed gelden, om van het rationalisme maar te zwijgen.
Het fundamentalistisch bijbelgebruik doet het Woord-van-het-Verbond soms geweld aan.
ln hoofdstuk 3 raakt de spreker/ schrijver het punt aan dat de kerk en de traditie de Schrift verklaren moeten (RK-opvatting), resp. de kerkelijk/theologische elite zich opwerpt om dat te doen.
Toegekomen aan hoofdstuk 4 behandelt prof. Kamphuis een achttal aspecten van de duidelijkheid der Heilige Schrift:
1. Het is een wonder dat God onze taal, mensentaal, spreekt.
2. Die mensentaal is in de schepping gegeven, ze is dan ook 'zeer goed', hoewel daarna aangetast door' de zonde..
3. De invloed van de historische afstand tussen de tijd, waarin het bijbelwoord voor het eerst is gesproken of geschreven en onze eigen tijd: maakt die niet dat er altijd onduidelijkheid blijft?
4. De Schrift is duidelijk, want ze is prediking van de Christus. 5. Ze is een eenheid, geen bundel geschriften zonder meer. 6. De Schrift heeft volstrekt en als enige gezag over leer en leven; ze is de enige authentieke uitlegster van zichzelf.
7. De Heilige Geest legt de Schriften uit: Hij is haar Auteur.
8. Ze vraagt onze arbeid in uitleg en verkondiging. Bij de behandeling van genoemde 8 punten komen vele afwijkende inzichten naar voren. De duidelijkheid van de Heilige Schrift wordt immers allerwegen bruut dan wel heel godsdienstig ontkend en ontkracht. Mensen willen in de Bijbel lezen wat hun gelegen komt, wat in hun systeem past en waarom zou je je onderwerpen aan wat eeuwen geleden als bijbelboek is ontstaan en aan wat de (kerkelijke) traditie in stand heeft gehouden?, Wij zullen zèlf wel uitmaken wat we geloven en hoe dat geloof zal functioneren. Het is niet doenlijk in een beperkte bespreking , aan te wijzen op wat voor manier de leugengeest het geloof in de Woorden Gods ondergraaft. Dit werkstuk geeft aan - althans ik hoop dat dat duidelijk is - van hoe groot belang de belijdenis van de duidelijkheid der Schrift is.
De studie besluit met de volgende pericoop: "De Schrift is het woord van God, de Vader, onze Schepper. Hij komt met zijn woord de schepping, zijn eigen schepping, binnen (4.1) en het is zijn goede schepping (4.2).
De Schrift is het woord van God, de Zoon, onze Verlosser. Daarom is ze het woord van het verbond dat door zijn bloed van kracht is (4.3) en overal spreekt ze van Hem (4.4): in Hem ligt haar eenheid vast (4.5).
De Schrift is het woord van God, de Heilige Geest, die ons heiligt.
Daarom mag zij zichzelf uitleggen (4.6): ze ontleent haar gezag aan haar Auteur. Ja Hij verklaart Zichzelf in haar (4.7) en heiligt ons ook tot de dienst van de uitleg van de Schrift (4.8).,"
Je zou wensen dat ons blad in de komende tijd aandacht schenkt aan de velerlei verleiding, die zich rondom de duidelijkheid van de Schrift presenteert. Deze rede zou een aanzet daarvoor kunnen geven, zoals ze dat ongetwijfeld ook doet t.o.v. de colleges te Kampen (vrijgemaakte kerken).
Wat telkens weer opvalt is dat het bezig-zijn met de Schriften zo spoedig ontaardt in theologische 'beschouwingen'.
Prof. Kamphuis geeft blijk oprecht en ernstig naar de Schriften te luisteren. En toch - hij zou m.i. méér aandacht hebben moeten schenken aan het verstáán van de Schriften in deze tijd. De HERE regeert Zijn wereld, leidt Zijn gemeente, doet dat door Zijn Woord. Velen horen dat Woord, maar ze verstáán er niets van. Precies als toen de Here Jezus sprak: schouders ophalen of ook discussiëren door Schriftgeleerden, maar geen luisteren naar wat de HERE ons te doen geeft in/met Zijn Woord.
In die 'zin is het besproken boekje incompleet, lijkt me. Toch weer overwegend theologisch, zij het dat . er heel veel in te waarderen is.

H. Algra, Den Helder

'Bouwen aan je huwelijk'
Wanneer mensen dagelijks met elkaar optrekken kan hun relatie te 'vanzelfsprekend' worden. Men raakt op elkaar uitgekeken (sleur), er wordt niet meer open over allerlei zaken gesproken en reaktiepatronen veranderen niet meer, waardoor er ook geen konflikten worden opgelost.
De enige manier om hieraan te ontkomen is het voortdurend bouwen aan de relatie. De bekende hoogleraar Prof. dr. W.H. Velema heeft dan ook niet voor niets aan een recent verschenen boekje de titel 'Bouwen aan je huwelijk' meegegeven.
In 'Bouwen aan je huwelijk' wordt een groot aantal vragen aan de orde gesteld die betrekking hebben op allerlei facetten rond het huwelijk: seksualiteit, gezinsvorming, relaties met familie, geldbesteding, het oplossen van spanningen. Het boekje is in de eerste plaats bedoeld voor jongeren. Toch is het - juist vanwege de redenen die aan het begin van deze bespreking werden aangegeven - ook goed als .echtparen die al een aantal jaren getrouwd zijn van de inhoud kennis nemen.
Het boekje is systematisch opgebouwd.
Ieder hoofdstuk begint met een probleemstelling (bv.: welke problemen over de besteding van het geld kunnen zich voordoen?).
Daarna worden enkele schriftgedeelten genoemd die betrekking hebben op deze probleemstelling (wat zegt de bijbel over ons levensonderhoud?).
Vervolgens licht de auteur deze gegevens uit de bijbel toe en probeert ze toe te passen op situaties uit ons dagelijks leven (bv.: de uitgaven voor een hobby of ontspanning).
De diskussievragen geven de gelegenheid om nader in te gaan op het onderwerp (bv.: welk percentage van het gezinsinkomen zou men aan de kerk moeten/ kunnen geven?). Tenslotte volgt dan nog een evaluatie.
In het boekje staan behartigenswaardige zaken. Zo merkt Prof. Velema op dat "de kerk niet de' derde 'partij in het huwelijk mag worden .... niet alleen de man moet erop uit. Laat hij ook regelmatig een avond thuis zijn, om .zijn vrouw de gelegenheid te geven haar bijdrage te leveren in de gemeente". Terecht wijst de auteur erop dat de aqenda van beide partners een gemeenschappelijke zaak is. Dit betekent ook dat men moet kunnen overleggen over de wijze waarop die agenda gevuld wordt... Want soms is het zo druk dat men aan elkaar niet meer toekomt.
"Dat spreekt toch vanzelf!" zal de lezer misschien denken.' Ja, maar juist omdat het zo vanzelfsprekend lijkt, wordt er vaak onvoldoende over gesproken. Daarom kan dit boekje goede diensten bewijzen.
Belangrijk is dat Velema zowel de 'grote lijnen' (plaats van het huwelijk en van man en vrouw binnen het huwelijk) als allerlei praktische zaken aan de orde stelt. Men hoeft het niet in alles met de inhoud eens te zijn en er kunnen ook nog andere vragen toegevoegd worden. Waar het om gaat is dat 'Bouwen aan je huwelijk' een goede invalshoek vanuit bijbels perspektief biedt om met elkaar in gesprek te komen. Dat kan op de zgn. 'huwelijkscathechese' (zoals Prof. Velema deze noemt) of in ander, kleiner verband.
Als men maar met elkaar in gesprek is ...
Prof. dr. W.H .. Velema: Bouwen aan je huwelijk; Boekencentrum Den Haag, 1989; 55 pagina's, f 13,90.

J. Meulink, Enschede

Dr. W.G. de Vries 'De kerk, pijler of puinhoop'
Uitg. Woord en wereld. prijs f 13,95
In dit geschrift behandelt dr. De Vries enkele aspecten van het kerkelijk vraagstuk. Hij bespreekt in dit verband wat Calvijn over de kerk heeft gezegd. Hij gaat daarbij speciaal in op wat ir. J. van der Graaf, algemeen secretaris van de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk, schreef over de kerkbeschouwing van Calvijn. Als men zich, aldus V.d.Graaf, had gehouden aan Calvijn dan zou de kerk zeker niet in een situatie van een al maar repeterende breuk zijn terechtgekomen.
Het is jammer, dat De Vries zo weinig vindplaatsen noemt, wanneer hij zich op Calvijn beroept. Het feit, dat deze in 1970 al eens in een serie artikelen in De Reformatie genoemd zijn, zal de lezer niet veel helpen.
V.d. Graaf wijst er o.m. op, dat Calvijn de kerk vergelijkt met een akker, die met goed koren is bezaaid, maar door list van de vijand met onkruid is bezaaid. In de kerk is het koren soms onder het kaf verborgen.
De Vries wijst erop, dat Calvijn hier niet over de leer, maar over het leven spreekt. Calvijn verzette zich hier tegen de Wederdopers, die droomden van een reine kerk van louter heiligen.
De Vries heeft hier, dacht ik, het gelijk aan zijn zijde, al heeft hij er te weinig oog voor, dat er bij Calvijn.
ook ten aanzien van de leer een zekere verdraagzaamheid is. Hij was zich bewust, dat ons kennen maar ten dele is. Zie ook zijn houding tegenover de Luthersen wat betreft het Avondmaal.
De Vries legt sterk de nadruk op de tucht en tracht daarvoor ook Calvijn aan zijn kant te krijgen. Calvijn noemt als kenmerken van de kerk echter alleen de zuivere prediking van het Evangelie en de bediening van de sacramenten naar de instelling van Christus. De tucht noemt hij de zenuwen van de kerk. Wanneer er geen tucht is, aldus Calvijn, gaat de kerk verworden. Tucht is volgens Calvijn dus wel nodig, maar De Vries gaat te ver, als hij stelt, dat volgens Calvijn de tucht ook een kenmerk is.
De Vries stelt, dat het Woord van God volledig buiten spel 'gezet wordt wat de officiële Hervormde Kerk betreft. Is dat niet wat te sterk uitgedrukt?
Nadat De Vries heeft laten zien, dat de Geref. Kerken steeds meer ontmanteld zijn, neemt hij de evangelischen onder handen. In dat verband wordt ook de EO genoemd. Hij is dankbaar voor het feit dat de EO de schriftkritiek met alle macht bestrijdt, maar veel van deze bestrijders zijn of blijven hervormd of (syn.) gereformeerd. Zo dreigt de EO surrogaatkerk te worden, want ze functioneert als 'meer dan een omroep'. Nu slaat dat 'meer dan een omroep' niet op een streven om zo iets als een kerk te worden. Toegegeven moet echter worden, dat de EO hier wel voor moet oppassen.
Van de Ned. Geref. Kerken deugt volgens dr. De Vries al heel weinig.
Bij de Ned. gereformeerden is volgens hem zoveel verschil, dat men deze niet meer onder één noemer kan brengen. Deze kerken zijn volgens hem niet meer confessioneel betrouwbaar. Waarom keert De Vries zich toch zo fel tegen kerken waarmee hij vroeger één was? Ook hij weet toch wel, dat de vrijgem. geref. en de Ned. Geref. Kerken in veel opzichten dicht bij elkaar staan.
Helaas zijn er veel vrijgemaakten (gelukkig niet allen) die elke gelegenheid te baat nemen om de Ned. Geref. Kerken aan te vallen.
Zo werd in Afrika van de Dopperkerk geëist, dat deze met de Ned. Gereformeerden zou breken.
Op de Chr. Geref. Kerken wordt druk uitgeoefend om toch vooral de contacten met de Ned. Geref. Kerken te verbreken. Bij samensprekingen aarzelt men zelfs niet de besluiten van de synode van Amersfoort en afkeuring van de 'Open Brief' als een soort vierde formulier te hanteren.
Werkt men er op deze wijze niet aan mee, dat de kerk een puinhoop wordt?Jammer, dat De Vries dat in zijn geschrift niet heeft overwogen.

M. de Jonge, Voorburg

J.D. Kraan ‘Bijbel en andersgelovigen’
Uitg. Kok, Kampen. 217 bladz.
f 34,50.
In het voorwoord van dit boek zegt de schrijver dat in de loop der jaren bijna anderhalf miljoen moslims, hindoes en boeddhisten naar ons land kwamen.
Je ziet hen de moskee bezoeken, gespreksgroepen ontstaan, ook de schoolgaande jeugd ontmoet de buitenlandse kinderen. Meer dan 40.000 van hen bezoeken een lagere school, die zich als 'christelijk' aandient. Dat dit problemen met zich brengt voor besturen en leerkrachten is zonder meer duidelijk.
Echter ook voor de ouders en de schoolgaande kinderen.

De taak, aan drs. Kraan opgedragen, is het christelijk onderwijs toe te rusten voor de 'ontmoeting met moslim kinderen: Hij verantwoordt zich over die taakvervulling in dit boek.
Voorop staat, zegt hij, de vraag "welke basis de Bijbel voor die ontmoeting verschaffen kan" (10) en even verder "het doel van dit boek is christenen, die nu andersqelovigen ontmoeten, een bijbelse basis voor die ontmoeting te geven"(11).
Dat klinkt vertrouwd. Je bent geneigd in je argeloosheid de schrijver op zijn weg te volgen; hij gaat breed op de problematiek in, verdeelt zijn stof over drie delen: "teksten", "theologie - het koninkrijk van God" en "toerusting". Maar dan. We ontmoeten reeds in deel I (teksten) vreemde leringen, zodat we ons al ras afvragen: waar wil de schrijver toch heen? Een enkele duiding van de richting waarin hij zich beweegt.
"Het woord 'andersgelovigen' wordt gebruikt om de term 'niet-christenen' te vermijden. (...) Het woord 'anders-denkenden' wordt gebruikt voor hen die zichzelf niet als gelovigen beschouwen. Voor het gevoel van de schrijver drukken beide woorden geen enkel waardeoordeel uit"(179).

Op een andere plaats: "Tot de tweede helft van de 20e eeuw heeft de universele kerk - enkele uitzonderingen daargelaten "- andersgelovigen en andersdenkenden opgeroepen tot bekering en getracht hen christen te maken.
Buiten de kerk is er geen heil, zo werd de laatste twintig eeuwen gesteld.
Die stelling staat nu openlijk ter discussie en velen vragen zich af of men joden en moslims wel op mag roepen tot 'bekering'. Zijn zij geen dienaars van dezelfde God? (20)

En om uit de veelheid van beweringen nog iets te nemen: bij de uitspraak van de Here Jezus 'Ik ben de weg, de waarheid en het leven' (Joh. 14:6) citeert de schrijver een zekere dr. Knitter, een engelsman, die daarvan zegt "misschien blijkt Jezus aan het einde van de tijden toch exclusief en normatief te zijn, maar zo'n hypotheek kunnen we momenteel niet leggen op het gesprek met anders-gelovigen" (143).
Deze boude uitspraak komt zelfs niet eens ter discussie; wel staat op diezelfde bladzijde "Juist vanuit de zekerheid van het geloof in Hem (de Here Jezus) kan men open staan voor het feit dat God zich niet alleen in Hem, maar ook in anderen geopenbaard heeft. Er kunnen andere redders en incarnaties zijn die Gods genade zichtbaar maken".

Te waarderen is dat in het novembernummer van 'Bijbel en Wetenschap' Og.1988) - het blad van de Evangelische Hogeschool - een artikel van mw. drs. M.Dieperink over dit boek is opgenomen; ik verwijs daar graag naar, omdat het met meer deskundigheid is geschreven en ook dieper op de achtergronden ingaat. Zij concludeert dat het boek geen leidraad kan zijn voor het christelijk onderwijs. Toen drs. Kraan zich over die beoordeling van zijn werk beklaagde, is een gesprek tussen de redacteur van B & W en hemzelf gevolgd. Uit het verslag dat 'daarvan in het februarinummer volgde (jg. '89) blijkt duidelijk hoe de zaken liggen. Mw.Dieperink heeft terecht de diepere achtergronden van het werk blootgelegd.

De Unie 'School en Evangelie' opdrachtgever van drs. Kraan sprak zich uit over de situatie op de christelijke scholen, waar ook moslim kinderen onderwijs volgen.
Zij heeft een verklaring opgesteld, die in het nu verschenen boek is opgenomen. (blz. 169 e.v.), Daarin komt tot uitdrukking de moeilijke positie, waarin de scholen zich kunnen bevinden, als het christelijk karakter daarvan gehandhaafd moet worden. Opzet en verwoording van die verklaring zijn wel wat wollig, je kunt er verschillende kanten mee uit.
Het lijkt me dat ouders, die voor' hun kinderen echt christelijk onderwijs wensen (moeten wensen), bijzonder attent moeten zijn op wat er op de scholen gebeurt. Zonder dat ze zich dat bewust zijn, kunnen invloeden als hierboven getekend, doorwerken.
En vroeg of laat overheerst.
datgene wat iedereen dan 'godsdienstig' noemt, maar wat met het dienen van de enige God, onze HERE, geen relatie heeft, maar in wezen heidens is.
En dan hebben we het nog alleen maar over 'godsdienstonderwijs' gehad. Het christelijk onderwijs is méér, het wil basis zijn voor álle vakken.
De situatie op de vervolgscholen (VWO/HBO e.d.) zal zich geleidelijk aan dienovereenkomstig ontwikkelen.
Laten we als ouders ons daarbij sterk betrokken weten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief