Rente en woeker
1988-01-29
Wij calvinisten, levend in een kapitalistische maatschappij, weten haarfijn het verschil tussen rente en woeker - een goede en een kwade zaak. Het eerste is een aanvaardbare en aanvaarde bonus; het tweede is een grove zonde, zelfs in de Nederlandse wetgeving bestreden. Een zonde, waarvan de Schrift zegt: ge zult met woekeren met woeker -maar vrezen voor uw God (1). Om die reden vragen we geen te hoge rente, wanneer we de arme iets lenen. Maar om die reden durven we met een gerust geweten in ons spaarboekje de verschenen rente te laten bijschrijven, En aan de kerk lenen we bij voorkeur renteloos - Je kunt nooit weten. Toch - het is hard gezegd - laat de Schrift geen verschil tussen rente en woeker bestaan. Voor beide woorden wordt hetzelfde Hebreeuwse woord gebruikt.- Jaargang 32
- nummer 4
Het is de statenvertaling, die de woeker verboden noemde, maar het woord rente verzweeg.
Al in de vroegste eeuwen van de christenheid verbood de kerk het vragen van rente, in navolging van Mozes' wetten.
Vele eeuwen zag de christenheid dan ook rente en woeker als eenzelfde zaak, als een goddeloze zaak. "Ik ben de Here", voegde de grote Wetgever aan het renteverbod toe (2). Opdat uw broeder, opdat uw arme bij u in leven blijve (3). En wie zijn geld toch geeft op woeker, "zou hij leven?"
-0-
Wanneer rente en woeker in Gods wetgeving identiek zijn, mogen we daar misschien wel even bij stilstaan, niet?
We vragen een weduwe soms: kunt u het redden? Dat woord redden heeft niets te maken met uitkomst-brengen, wat meestal de betekenis is. Naar onze overtuiging komt dit "redden" uit het latijnse réddere, dat is: kunt u uw rente en aflossing tijdig voldoen?
Dat klinkt heel anders. Ja, want rente komt van réddere en betekent: aflossing van geleend geld inclusief een extra bedrag.
Dus rente is eigenlijk niet het extra, boven het geleende bedrag; maar rente is aflossing van het geleende plus een extra.
Als een weduwe het al of niet kan "redden"
betekent dit in elk geval, dat ze in de schulden kwam. Zoals armen in de schulden zitten eer ze het weten. En hierop slaan wellicht Mozes' herhaalde rente-verboden. Hij stelde daar tegenover: leen, zonder te hopen op wedergave; maak het de arme niet moeilijk; geef, als je zijn kleed in onderpand kreeg, hem dit voor de avondkoelte terug; treed nooit iemands huis binnen als je het geleende terug komt vragen; verneder je arme naaste niet. (4).
Het was Calvijn, die de aandacht vestigde op de achtergrond van de armoede, die bij het lenen meestal aanwezig is. Hij was het ook, die het onderscheid maakte tussen rente (= billijke vergoeding voor gederfd genot van spaargelden) en woeker (= misbruik maken van een treurige situatie waarin de ander verzeild is). En hierin volgden de statenvertalers Calvijn na. Woeker werd verboden - over rente werd niet gerept.
Op zichzelf een knappe strategie van Calvijn. Hij ontwierp daarmee een aanvaardbare regeling voor geld- en kapitaalverkeer, waarbij hij de Schrift geen geweld aandeed, zijn arme naaste beschermde en tegelijk het uitlenen van spaargelden aantrekkelijk maakte. De R.K. Kerk heeft het renteverbod nimmer opgeheven, al wordt dat in de praktijk waarschijnlijk nooit gehandhaafd.
En dat Calvijn hierin zijn tijd vooruitliep blijkt wel uit het feit, dat een sluitende rentetheorie pas in 1884 wetenschappelijke grond kreeg, in 1907 werd aangevuld en in 1936 (Keynes) zijn huidige vorm kreeg. Door het rentestelsel kon de kapitalistische maatschappij van het avondland ontstaan.
-0-
Wie spaart legt iets weg: voor de slechte dag, of voor de oude dag, of voor de gelegenheid dat een wens in vervulling kan gaan. Om dat bespaarde geld niet renteloos in een oude kous te laten liggen, wordt het uitgeleend, aan een spaarbank bijvoorbeeld. Het doet nu zijn nuttige werk en de spaarder wordt nog beloond ook: de interest is een vergoeding voor het otTer,dat in dat uitstel is ingebouwd. Ook een vergoeding voor het risico van verloren gaan.
In dit verband geeft het Nieuwe Testament enkele teksten, waarin rente wel op zijn plaats schijnt te zijn: bij de gelijkenis van de talenten zegt de eiser: ik zou het mijne weergenomen hebben met woeker, als je het bij de wisselaars zou hebben gebracht (5) en: had ik het niet met woeker mogen terugeisen als je het aan de bank gegeven had? Wisselaars en banken komen in de bijbel voor, hoewel niet altijd in goede zin.
Wisselaars zaten op het tempelplein, teneinde de sjeckel, de sikkel des heiligdoms, te verkopen aan degene, die de "tempelbelasting" wilde voldoen; uiteraard wel met een zoet winstje. Ze zaten in dezelfde hoek als de verkopers van duiven, offers der armen; ook al geen pro Deo figuren.
Ja want al in het Oude Testament waarschuwde de Spreukendichter: wie zijn goed vermeerdert met woeker, verliest het aan de rechtvaardige (6). Jeremia beklaagde zich dat hij, ofschoon hij niet aan woeker had gedaan, toch werd vervloekt (7).
De leen-en-rente praktijk kwam dus bij het oude bondsvolk wel voor. Ook daar zag men wel een maas in de Goddelijke wetgeving. Niet rente vragen van Je naaste! Dus wel van de vreemdeling?
Aha, zo werd een gat in de markt ontdekt: vreemdelingen, immigranten, doortrekkende reizigers, zonder bescherming genoodzaakt te overlevenze konden bij de sjacheraars lenen, tegen een uitstekende rente die afhankelijk was van de situatie, risico en markt. Het was niet zonder grote oorzaak dat de Heiland de tafeltjes van de bankiers omkantelde, hun handeltje in het slijk gooide. Van het huis zijns Vaders was immers een markt gemaakt, een rovershol. En geld stinkt.
-0-
Het is een treurig feit, dat over de hele wereld de geldhandel hoofdzakelijk in Joodse handen is geraakt. Het heeft geen zin namen te noemen, die liggen voor het oprapen. En waarom?
Daar zit een ellendige reden achter.
Alle eerzame beroepen waren voor de Joden in ballingschap onmogelijk gemaakt.
Voor hen bleef alleen over wat een ander niet lustte: de lompenhandel, de oude metalen, de geldhandel bijvoorbeeld.
Ja werkelijk, want in de middeleeuwen werd aan de Joden de geldhandel gegeven, waar een christenmens zijn handen niet aan brandde. En gezien hun algemene intelligentie lukte het hun ook nog. Zoals met de huidenhandel en stinkende leerlooierij: goed voor de Joden.
Juist Joden, die niets onreins wilden aanraken, die geen woeker zouden durven nemen, werden gedwongen hun bestaan in deze verfoeilijke beroepen te vinden.
En, wrede spelling van oorzaak en gevolg: achteraf wordt de Jood, die met kadavers en huiden omgaat, een stinkjood genoemd; wordt de Jood, die in het geldwezen slaagt, een woekeraar gescholden. Staring, de Gelderse dichter van de Jaromir-cyclus, dichtte:
"de wissel, alle veertien daag ontbrekend, was 't crediet verdwenen bij sjacher Efraim, zijn welbeklante buur". (Of zo iets).
Jaromir kon zijn beloofde afbetalingen (promesse-wissels) niet tijdig voldoen en was niet langer crediet-waardig. De bankier wordt sjacheraar genoemd en dat is een woord, gereserveerd voor vuile geldzaakjes, zegt Van Dale. Het zal wel weer uit het Hebreeuws komenmaar dat de Joden de geldhandel kregen toegeschoven was ... ten behoeve van de groten der aarde, die voor hun praal en oorlogen geld moesten lenen. Ze betaalden hun geldschieter terug, met interest, plus het brandmerk.
Daar zit aan deze zaak nog iets vast. De bijbel spreekt van lenen en ontlenen. Er is verschil tussen de lener en de ontlener.
De ontlener is des leners knecht (8), zei Salomo. Als de Heere zijn volk zegende zei Hij: ge zult aan vele volken lenen maar ge zult niet ontlenen; gij zult over vele volken heersen, niet omgekeerd (9). Zegen is: lenen, maar niet ontlenen; een kop zijn en geen staart (10). Maar omgekeerd, wanneer het volk Israël afvallig werd zou het zijn hand moeten ophouden; dan zou de vreemdeling het gaan lenen, de staart tot een kop worden (11).
De beelden spreken voor zichzelf. Wie zich de arme ontfermt leent aan de Heere.
En wie wil niet graag een kop zijn?
De Joden werden als uitvaagsel het geldverkeer ingestuurd: de vreemdeling werd zo christenvorsten tot een hoofd.
Tragisch, dat de Joden ook dit nog wordt aangerekend!
1) Lev. 25:17, 36 - Deut. 23:19 - 2) Ex. 25:38 - 3) Lev. 25:36; Ez. 18:13 - 4) Deut. 24:10 - 5) Matt. 25:27; Luc. 19:23 - 6) Spr. 28:8 - 7)Jer. 15:10 - 8) Spr. 22:7 - 9) Deut. 15/6 - 10) Deut. 28: 13 - 11) Deut. 28:44.