Boekbespreking
1988-01-29
Dr W. H. Velema - Jaargang 32
- nummer 4
Wet en Evangelie Kok,
Kampen 195 blz.,
f32,50
In zijn voorwoord schrijft prof. Velema, dat het thema .,wet en evangelie" hem sinds lang boeit. Over beide termen heeft hij al meer, zij het in beperkte omvang, gepubliceerd. In dit boek geeft hij een systematische en practische behandeling van het onderwerp. De studie beweegt zich op het gebied van de ethieken de homilitiek. Het was een lange weg, maar, zo merkt Velema op, het gaf hem vreugde.
Over dit onderwerp is' al veel en ook zeer verschillend geschreven. Veel had beter niet geschreven kunnen zijn. Prof Velema heeft er goed aan gedaan hier een diepgaande studie aan te wijden.
Velema heeft het zich hierbij bepaald niet gemakkelijk gemaakt.
In hoofdstuk 1 "Wet en Evangelie in de hedendaagse discussie" laat hij de actualiteit van het onderwerp in de discussies van deze tijd zien. Zo wijst hij erop, dat Barth een omkering voorstelde.
Eerst het evangelie dan pas de wet. En dan de wet als vorm van het evangelie.
Met deze omkering, aldus Velema, komt men bij het hart van Barth's theologie.
De invloed van Barth is in Nederland, en speciaal in de Hervormde Kerk, groot geweest. In dit hoofdstuk worden we op duidelijke wijze ingeleid in de huidige problematiek.
In het 2e hoofdstuk gaat Velema in op de relatieve zelfstandigheid van de wet.
Barth houdt eigenlijk maar één begrip over, het evangelie. De wet is geheel ingebed en daarmee ondergeschikt gemaakt aan het evangelie. Daartegenover spreekt Velema over de relatieve zelfstandigheid van de wet. De wet moet de schuld aanwijzen en ontmaskeren.
Dat doet de wet niet als onafhankelijke grootheid, maar in het kader van het evangelie.
Dit hoofdstuk was voor mij bijzonder nuttig omdat ik, vermoedelijk als reactie op veel wetticisme, helaas ook in onze kerken, wel eens wat te veel neig naar de Barthiaanse opvatting.
In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op de vraag naar de geldigheid van Gods gebod in onze situatie. Velema gaat hierbij diep in op de opvattingen van Kuitert, die het beroep op de Schrift in de ethiek voor onmogelijk verklaart.
Velema bespreekt hierbij ook in kritische zin wat hij het reductiemodel noemt. Daarmee wordt bedoeld, dat de veelheid van voorschriften in het Oude en Nieuwe Testament niet meer van kracht is, maar dat het er op aankomt een of meer centrale elementen uit het geheel van het bijbels vermaan als normatief naar voren te halen. Typisch voorbeeld daarvan is de stelling, dat de liefde in de plaats van alle geboden is gekomen.
Hij gaat daarbij allerlei "ethische" modellen na, die door hem afgewezen worden.
Daartegenover stelt Velema, dat de Decaloog de grondwet is van het door Jezus verkondigde koninkrijk der hemelen.
Door de vervulling in Christus krijgt de Decaloog echter een verdieping.
In hoofdstuk 4 "Aspecten van het heilshistorisch model" wordt de vraag behandeld hoe wij de wet hebben te hanteren in de ethische oordeelsvorming.
Evenals hoofdstuk 6 is dit gedeelte op de praktijk gericht.
In het vorige hoofdstuk had de schrijver geconcludeerd, dat de Tien Geboden als de grondwet van het koninkrijk der hemelen blijven fungeren.
In de tweevoudige gestalte van liefde jegens God en de naaste heeft Jezus het gebod geconcentreerd. Niet om het gebod terzijde te schuiven, maar om de onverbrekelijke samenhang van liefde en gehoorzaamheid aan de wet te verwoorden.
Hoe zullen deze kerngeboden en de normatieve uitwerking ervan nu in het handelen functioneren? Velema ontwikkelt hiervoor zijn eigen mode., dat hij uit de Schrift heeft afgelezen Dit heilshistorisch model vergelijkt hij met andere modellen. Hij stelt, dat de Decaloog ook in nieuwe situaties moet worden toegepast.
Daarbij is er voortgang, verbreding, verdieping, terwijl de kern, het oude gebod, van kracht blijft en daarom herkenbaar moet zijn. Velema verduidelijkt zijn bedoeling met het voorbeeld van niertransplantatie.
Het komt, zo merkt Velema op, aan op het persoonlijk toepassen van de geboden in nieuwe, tot aan de tijd van de apostelen, onbekende situaties. Christus heeft niet alles in details geregeld. In dit verband wijst hij de door J. A. Heyns gebruikte uitdrukking "positivering" van normen af. De concretisering van de kerngeboden van de Decaloog hebben geen canonisch gezag.
Onze concretisering is menselijk en feilbaar.
Volema gaat breed op deze moeilijke materie in.
Natuurlijk zijn daarmee niet alle vragen verdwenen. Zo is voor mij niet geheel bevredigend wat hij schrijft over de sabbat.
Jezus zou de sabbat niet tenietgedaan hebben. Immers dan zou de heerschappij van Christus hierin bestaan, dat Hij ze afschaft. Ik voel toch meer voor de gedachte van Ridderbos.
dat met de voorbijgegane dagen, maanden, vaste tijden en jaren van Gal. 4: 10 ook een negatief oordeel over de onderhouding van de sabbat geveld wordt.
Paulus heeft het hier over de Joodse feestkalender . Dan ligt het toch voor de hand, dat hij daarbij ook de feestdag bij uitstek de sabbat bedoeld.
Het ligt voor de hand, dat hoofdstuk 5 het meeste aandacht zal krijgen. "De wet en de orde des heils". Hier gaat het om de vraag welke plaats de wet in de prediking van het evangelie en in de kennis van het heil moet innemen. Moet in de prediking eerst de wet gebracht worden en daarna het evangelie? Geheel in de lijn van Calvijn stelt de schrijver, dat de wet van het Oude Testament niet zonder Christus is geweest en dat men daarom de wet ook niet zonder Christus mag prediken. Zij moet gepredikt worden. doch binnen het geheel van de verkondiging van Gods genade.
De verhouding van wet en evangelie is die van een in-elkaar. Men moet het centrale thema uit de geschiedenis der openbaring, namelijk dat van wet en evangelie, niet tot een heilsordelijk na te beleven gegeven maken. Velema pleit voor eenheid. Het is niet aan ons om voor te schrijven hoe Hij de mensen in het heil inleidt.
Persoonlijk vind ik dit hoofdstuk het meest waardevolle.
In hoofdstuk 6 worden tenslotte een aantal practische aanwijzingen gegeven voor het hanteren van de wet in de prediking. Aan het eind van dit hoofdstuk worden in 15 conclusies praktische aanwijzingen gegeven hoe men in de hedendaagse prediking met de wet moet omgaan.
Tenslotte geeft een groot aantal noten aan het eind van het boek gelegenheid om op verschillende zaken nog wat dieper in te gaan.
Ik kan me indenken, dat Velema schrijft, dat hij deze studie met vreugde heeft geschreven. De voltooiïng van een zo brede studie moet de schrijver terecht voldoening geven.
Het komt mij voor, dat predikanten aan dit boek veel zullen hebben.
Maar ook anderen, die enige theologische scholing hebben, en zijn we niet bijna allen amateur theologen, soms tot verdriet van de predikanten, zullen met dit geschrift hun voordeel kunnen doen.
Zelf heb ik dit boek met grote belangstelling gelezen en er veel uit geleerd.
Dit boek "Wet en Evangelie" voldoet inderdaad in een behoefte.
J. Meulink, Enschede