Boekbespreking

1989-07-07
  • Jaargang 33
  • nummer 14
(N.a.v.: J.G. Woelderink- Een kennismaking door Dr. G.W. MarchaI
Uitgave Kok-Kampen - 155 pag.- f 24,75.)

Zo wordt deze oorspronkelijke gereformeerde bonder, in de nederlandse hervormde kerk ons gepresenteerd door dr. W.G. Marchal in zijn boek waarin hij ons uitvoerig laat kennismaken met Dr. J.G. Woelderink.
Het boek kwam in 1986 uit in de serie: 'Befaamde theologen' en werd op de markt gebracht door de bekende Uitgever J.H. Kok te Kampen.
Door omstandigheden met name van ziekte zien we nu pas kans uitvoerige aandacht aan dit boek en het leven en werken van Woelderink te besteden. We beginnen met te zeggen, dat het boek van Marchal als een instruerend geschrift valt te typeren. De auteur heeft zich intens verdiept in de vele werken. die Woelderink op zijn naam heeft staan en geeft zo een samenvatting van zijn theologische gedachtengoed.
Vooraf moet opgemerkt worden dat Woelderink niet altijd gemakkelijk te volgen is. Hij gebruikte wel een eenvoudige taal, maar zijn gedachtenkonstrukties zijn niet steeds even doorzichtig als ik het zo mag uitdrukken.
Toch kunnen en willen wij niet om de theologie van Woelderink heen. AI heeft hij vele vrinden gekweekt en ook verschillende vijanden gehad wat zijn theologiseren betreft, wat hij in de loop der tijden aan het papier heeft toevertrouwd heeft volle betekenis voor vandaag hoezeer het ook werd geproduceerd in de kontekst van zijn tijd en strijd.
Vooral dat laatste is van belang. Dr. Woelderink heeft in zijn ambtsbediening als predikant van meet af te maken gehad met wat ik wil noemen een valse mystiek. Hierdoor ontnamen de mensen zichzelf de enige troost in leven en in sterven. Zelfs .op het sterfbed kwamen velen niet verder dan: "Verkoren is verkoren en verloren is verloren!" Woelderink botste daar tegenaan. Hij liep daarbij ettelijke wonden op. Hij typeert het ergens als het kruis van een veertigjarige ambtsbediening. Hij was een pastor met een hart voor de schapen en lammeren van de kudde van Christus. Hij sprak het kerkvolk 's zondags niet aan met: geachte toehoorders, maar met: Gemeente des Heren! Dat had te maken met zijn Schriftuurlijke Verbondsopvatting.

Belofte
Hij heeft geaksentueerd, dat het gaat om de belofte van God in zijn Verbond.
God heeft het eerste en het laatste woord. Men zou Woelderink kunnen karakteriseren als de theoloog van de belofte. Maar hoe staat het dan met de eis van het Verbond?
Komt die zo niet in het' gedrang? Ds. Woelderink was doodsbenauwd voor elke vorm van remonstrantisme. Hij benadrukte steeds, dat Gods beloften onvoorwaardelijk zijn.
"In het Verbond gaan van de aanvang af belofte en eis gepaard. In de belofte geeft God alles; in de eis neemt Hij alles terug. Omdat de mens Gode slechts kan geven, wat hij eerst ontvangen heeft, kan hij nimmer in zijn geven roemen, kan hij enkel roemen in het ontvangen, dat is in vrije gunst", ('Verbond en bevinding' p. 96).
In zijn bekende boekje 'Belofte en werkelijkheid' heeft deze toenmalige gereformeerde bonder de bezwaarden een enorme ruggesteun geboden toen het in de strijd binnen de gereformeerde kerken in de veertiger jaren om de vastheid van Gods toezegging aan elk gedoopt kind der gemeente ging. Niet, dat hij over de kerkelijke geschillen als zodanig handelde. Nee, hij belichtte de achtergrond van de strijd en hield zich bezig met de in geding zijnde theologische vragen. Het ging hem om de verkondiging van het rijke evangelie van Christus. Deze broeder in Christus heeft zèlf uit dat evangelie van zijn Meester waarachtig geleefd. Op een manier, die het diepste respekt , afdwingt heeft hij het intens smartelijk verlies van zijn vrouwen drie kinderen verwerkt. Het Woord van zijn Zender had beslag gelegd op zijn hart. Hij leefde heel dicht bij zijn God. Het verwijzen naar en steunen op Gods beloften betekende niet, dat Woelderink een verachter was van bevinding hoewel men hem dat wel eens heeft aangewreven.

Bevinding
Woelderink 'bezat' de bevinding in rijke mate. De preek, die hij gehouden heeft nadat drie kinderen van hem waren omgekomen legt daarvan duidelijk getuigenis af. Prof. C.
Veenhof heeft in een Themanummer van 'De Cicitate', mei 1974, in een interview opgemerkt, dat Woelderink naar zijn overtuiging de juiste blik had op de bevinding. En hij vervolgt dan: "Bevinding is altijd het bevinden van iets. Het bevinden van de zonden en van Gods genade. Die bevinding wordt geheel en al geboren uit het geloof in de belofte en wordt doordat geloof gevoed. Die belofte is evenwel geen 'ding', geen 'zaak'. Nee, zij is het Evangelie, dat permanent door de Heilige Geest wordt gesproken en door Deze in de mens tot overwinning wordt gebracht. Woelderink heeft steeds gewaarschuwd tegen het gevaar, dat bevindelijke prediking ontaardt in een theoretische uiteenzetting óver de bevinding ... Echte prediking, prediking van Jezus Christus, van Wet en Evangelie, van zonde en genade werkt bevinding. Als Petrus het wonder van de visvangst beleeft roept hij uit: Here, ga uit van mij, want ik ben een zondig mens!" Dat woord is de vertolking van een echte, een legitieme bevinding. En om die legitieme bevinding was het Woelderink te doen! (a.w. p. 66). Wij moeten niet denken, dat dergelijke vragen door ons kunnen worden beperkt tot een bepaald smaldeel van de zgn. gereformeerde gezindte.
Juist vandaag worden we gedwongen ons bezig te houden met de plaats, die waarachtige geloofservaring heeft in te nemen in het geheel van een Verbondsmatige prediking en een kerkelijk leven, dat recht wil doen aan alle facetten van het rijke Woord als weerspiegeling van de veelkleurige wijsheid van God.

Verkiezing
In zijn strijd tegen het voortwoekerende subjektivisme heeft Woelderink bezwaren gekregen tegen de Dordtse Leerregels. De belijdenis aangaande een eeuwig besluit van God tot verkiezing en verwerping was voor hem onverteerbaar geworden.
Karl Barth met zijn objektivisme had hem bijzonder geïmponeerd.
Niet, dat hij Barthiaan geworden was, maar hij vond, dat de Zwitserse theoloog in zijn conceptie tal van bezwaren, die de oude systemen aankleefden, had weten te overwinnen en waardevolle elementen naar voren had gebracht, die z.i. niet meer genegeerd konden worden.
(zie Dr. J.G. Woelderink: 'De Uitverkiezing' - Delft 1951 - pag. 33).
Het is opvallend - Prof. C. Trimp heeft daarop gewezen dat Woelderink wel Barth's hoofdgedachte overneemt, maar vervolgens alle konsekwenties daarvan bestrijdt.
Heeft Woelderink niet teveel verkiezing en verwerping uit elkaar gehaaid?
Heeft hij niet DL I, 6 teveel geïsoleerd van b.V. DL 1,12 en DL I, 17, waarin zulke troostvolle motieven doorklinken? Het is ook frappant, dat Dr. Woelderink niet geprotesteerd heeft tegen de Nederlandse Geloofsbelijdenis artikel 16 waar dezelfde materie in gelijke vorm wordt verwoord. Heeft Woelderink Barth wel helemaal goed begrepen?
Is hij er zèlf wel helemaal uitgekomen?
Is Zijn verzet tegen bepaalde elementen van de konfessie niet hoofdzakelijk op rekening te schrijven van een reaktionaire houding?
We stellen deze vragen, omdat we ook nu volledig recht willen doen aan deze bekwame theoloog, die nog tot ons spreekt nadat hij gestorven is. Het is onjuist om de héle Woelderink thans vanuit de Barthiaanse theologie nader te omschrijven.
En het is ook onjuist om het waarachtig gereformeerd getuigenis van onze heengegane broeder in Christus te laten verbleken tegen de achtergrond van zijn theologische zwenking zoals die zich vijf jaar vóór zijn dood voltrok. Woelderink blijft onze waardering in hoge mate verdienen vanwege zijn nimmer aflatende inzet in de hevige strijd tegen een fatalisme, dat in gereformeerde kring de zekerheid van het geloof heeft ondermijnd en nog steeds aantast. Het boek van Dr. Marchal komt aan de doorlichting van het laatstgenoemde niet wezenlijk toe, omdat hij Woelderink benadert in het kader van K. Barth en O. Noordmans.
Dàt is onze kritiek bij alle waardering voor het waardevolle materiaal, dat Marchal in zijn geschrift heeft aangedragen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief