Boekbespreking
1989-07-07
- Jaargang 33
- nummer 14
Sterven ... te vroeg of te laat
Gedachten en vragen bij euthanasie door Ton Valkenburg Kok, Kampen, 1989 fl. 14,50
In een snel veranderende maatschappij brengt elke wetenschappelijke vondst zijn eigen schaduw mee.
De techniek, die ons leven als een godheid beheerst (we spreken dan ook van technocratie) brengt tal van problemen mee. Om op ons onderwerp te komen: door wetenschappelijke voeding, door geordende arbeids-
en rusttijden, door steeds nieuwe middelen ter voorkoming en bestrijding van ziekten, wordt het leven steeds meer verlengd. De gemiddelde leeftijd van een welvaartsburger is in korte tijd verdubbeld.
Daar staat een sterk vertraagde aanwas van de jongste generatie tegenover. Gezinnen van 10-12 kinderen zijn uit de tijd; we wensen vandaag 1 jongen, 1 meisje + 1 hond. Zo rust het onderhoud van steeds meer ouderen op steeds minder jonge schouders. De jeugd gaat vragen: wat moeten we met al die oude mensen? Aan de andere kant voelt die oude mens zich onzeker, minder gewenst, overbodig, zo niet bedreigd. Hij wordt opgeborgen in speciale tehuizen, die veel geld kosten. Eer iemand het weet valt het woord "euthanasie": (behulpzaamheid bij) een vriendelijke dood! Op een zelf gekozen tijdstip, dat wel.
En dan is daar de medische wetenschap, die zich ten doel stelt het leven te beschermen, te behouden en zo mogelijk te verlengen; op gevaar af van even zeer in te grijpen op de van Godswege verleende levensduur.
De vragen rijzen: is het kunstmatig verlengen van iemands leven, het uitstellen van een natuurlijke afloop, geoorloofd? En: is het eigenmachtig verkorten van het door God zelf verleende leven niet even ontoelaatbaar?
De schrijver Ton Valkenburg heeft met deze problemen leren omgaan hij is directeur van een verzorgingshuis - en geeft ons een helder licht op de practische vragen en antwoorden.
Hij vat de inhoud van veel vaklitteratuur samen in een leesbaar boekje. Wat belangrijker is: hij wijst duidelijk aandat ons antwoord moet zijn: liefde tot God, die leven is en leven geeft; en daarom liefde tot de naaste, die als Gods beelddrager gerespecteerd wordt. Aan deze twee regels hangt ons hele christendom.
Zo wordt veel onvruchtbare discussie voorkomen.
Goddelijke wezens uit de aarde
dr. M.F.G. Parmentier, Kok, Kampen f 24,50 - 1989
De schrijver geeft een vertaling (met toelichting) van wat Griekse kerkvaders hebben geschreven over de 'heks' van Endor. De geschiedenis van Saul (1 Sam. 28) die Samuel na diens dood nog 'trachtte te raadplegen, heeft brede aandacht getrokken van theologen uit alle tijden.
Eerst al omdat een voorganger in Israël, die overeenkomstig het Goddelijk gebod alle waarzeggers uit zijn land had uitgeroeid, zelf in bange nood bij een clandestiene waarzegster te biecht ging.
Vervolgens omdat uit deze geschiedenis de vraag geboren werd: verbleef Samuel, de profeet Gods, tussen zondaren in de onderwereld (dodenrijk, sjeool, hades) en kon hij door een zondige vrouw vandaar opgeroepen worden? En zo ja, wat is dan onze toekomst bij ons sterven?
In wiens hand zijn we?
Niet minder drong zich de vraag op: was de door 'Samuel' of Samuel uitgesproken toekomstvoorspelling betrouwbaar (zoals uit de onmiddellijke afloop schijnt te blijken) of was de hele seance gebaseerd op leugen, bedrog en pientere gissingen,O die toevallig wel uitkwamen? Met andere woorden: kwam de voorspelling uit de mond van demonen - of uit Gods eigen mond? In het laatste geval: kan God geraadpleegd worden met occulte en verboden middelen?
Enkele details. Er is bijvoorbeeld hevig gevochten over de uitdrukkingen 'oude man' of 'rechtopgaande man', die beide een beroep deden op Joodse en Joodschristelijke vooroordelen - maar producten van vertalingen of handschriften zijn. Evenzeer werden bewijzen van bedrog gezocht in de weergave van 'Saul en Jonathan' dan wel 'Saul en zijn zonen' zullen morgen ... enz.
De profeet Samuel zou gezegd hebben 'zullen morgen bij mij zijn' (andere handschriften zeggen 'zullen morgen sneuvelen'); maar - zeiden verontruste theologen - het is toch ondenkbaar dat de verworpen koning Saul in dezelfde plaats zou terechtkomen als Gods gunsteling Samuel! En zo voort.
De schrijver citeert meer dan een dozijn Griekse kerkvaders, die elk hun licht op dit hoofdstuk hebben gegeven, elkaar soms ongenadig tegenspraken, soms slechte taal gebruikten, soms ook het onderwerp onder bijzonder Bijbels Iicht plaatsten en ons er van overtuigden, dat zaken als spiritisme, magie, toekomstvoorspelling en ander occultisme de moderne mens nog geducht kunnen plagen; maar ook dat de Heilige Schrift ons duidelijk maakt welke toekomst rechtvaardigen (= vrijgesprokenen) te wachten staat. Zo is wat een warrige discussie leek uitgelopen op onze geloofszekerheid: dat het ontbonden worden en met-Christus-zijn zeer verre het beste is en dat niets - zeker geen demonische macht - ons kan scheiden van Zijn liefde.
De schrijver bewaarde zijn beste zin voor het slot: "men wilde teveel moeilijke vragen oplossen aan de hand van deze ene pericoop. En omgekeerd de pericoop stelt, óok nu nog, moeilijke theologische vragen, waar geen simpele antwoorden op zijn.