Vrijheid: gelijkheid?
1989-07-07
De macht van de traditie blijkt telkens weer bijzonder sterk te zijn. Vaak onbewust bewandelen wij - ik zeg 'wij': ik sluit mezelf niet uit - ook in de exegese de paden die zijn uitgesleten door de voetstappen van onze voorgangers.- Jaargang 33
- nummer 14
Dat geldt met name ook ten aanzien van de indeling van de bijbeltekst. AI mag het ons ook meermalen gezegd zijn. dat de gebruikelijke versindeling een vinding van Estienne uit 1551 is. en dat ze geen enkel gezag heeft. toch blijkt maar al te vaak. hoe moeilijk het is zich aan haar macht te ontworstelen.
Dat trof mij dezer dagen t.a.v. 1 Petr. 2. 17. V. 16 eindigt met de woorden ... maar als dienaren Gods". En dan komt - na een punt! - v. 17 : ..Eert allen. hebt de broederschap lief. vreest God. eert den keizer".
Viermaal een gebiedende wijs dus: 'eert', 'hebt lief'. 'vreest', en dan nog eens 'eert'. Dat wekt bij een lezer van de nederlandse tekst niet dadelijk argwaan; behalve dan dat hij misschien even zijn wenkbrauwen zal fronsen omdat hij het gebod 'eert' tweemaal tegenkomt.
De griekse tekst
Wie echter de griekse tekst aandachtig leest dien moet het aanstonds opvallen. dat de eerste gebiedende wijs in de aoristus staat terwijl de overige drie de praesensvorm hebben.
Wat het verschil is tussen aoristus en praesens laat ik voorlopig even rusten. Maar wel staat vast. dat ook de nieuwtestamentische schrijvers deze vormen maar niet klakkeloos door elkaar gooien.
Men mag dus aannemen dat er opzet schuilt achter het overstappen van de ene vorm op de andere.
De gebiedende wijs in deze brief
Men mag dat zeker ook aannemen waar het de eerste brief van Petrus geldt. Deze apostel heeft hier nl., zoals uit onderzoekingen is gebleken, (1) een uitgesproken voorkeur voor de aoristus. als het om een bevel gaat. Men vindt in deze brief twintig maal een gebiedende wijs in de aoristus tegen vijf maal een gebiedende wijs in het praesens. (2) Van die vijf vinden wij er hier dus drie bij elkaar!
Er is dan ook alle reden voor de vraag: doen wij er goed aan deze vier bevelen te bundelen in één en hetzelfde vers? Om de vraag scherper te stellen: hoort die eerste gebiedende wijs eigenlijk wel bij de andere drie?
Het voorafgaande vers
Er is - behalve het verschil tussen aoristus en praesens - nog een tweede argument te noemen voor het overwegen van de mogelijkheid dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. Het voorafgaande vers (16) mist nl. een persoonsvorm.
De problemen die dat geeft; worden in de NBG-vertaling verbloemd doordat men daar de bepalingen “als vrijen" “als mannen" en “als dienaren" laat aanleunen tegen het “gij" van v. 15. Toch gaat dat bezwaarlijk.
omdat men gezien de constructie van v. 15. deze bepalingen dan in een andere naamval zou verwachten nl. in de accusativus en niet in de nominativus: In feite hangen deze bepalingen dan ook in de lucht.
Een andere indeling
Zouden we dus maar niet de vrijheid nemen het eens te proberen met een andere versindeling? Ik zou willen voorstellen na v. 15 - dus na de woorden .....van de onverstandige mensen" - een punt te zetten; en dan v. 16 aan te vullen met de eerste twee woorden van v. 17 (“eert allen"). Dan komen de verzen 16/17 er zo uit te zien: ' ..Als vrijen en niet als mannen die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid. maar als dienaren Gods moet gij allen eren. Hebt de broederschap lief; vreest God; eert den keizer".
Hiermee zijn formeel beide boven aangedragen bezwaren tegen de gangbare indeling in één keer uit de weg geruimd. Immers a) v. 16 heeft nu een persoonsvorm nl. de gebiedende wijs ..eert" (of - in mijn vertaling -"moet gij eren") waarbij de drie genoemde bepalingen (..als vrijen" ... als. mannen" “als dienaren") in de nominativus goed aansluiten. We krijgen nu in de griekse tekst - in de nederlandse ' weergave is die volgorde moeilijk te handhaven - exact dezelfde zinsbouw als in v. 2'van dit hoofdstuk (..verlangt als pasgeboren kinderen ... melk"): a) een 'als'-bepaling bij het onderwerp; b) het Iijdend voorwerp; c) de gebiedende wijs. "
b) De gebiedende wijs in de aoristus-vorm (..eert") aan het bij v. 16 getrokken begin van v: 17 sluit nu fraai de pericoop 13-16 af, die ook met een gebiedende wijs in de aoristus-vorm begon (..onderwerpt u", v. 13)!
En wat belangrijker, is: voor het verstaan van deze pericoop levert deze nieuwe indeling, als ik wel zie, ons aanzienlijke winst op.
Het eerste winstpunt
Door de ontdekking, hoe het met de woorden onderwerpt u aan alle menselijke creatuur'? (3) beginnende, gedeelte wordt afgerond, nl. met de woorden “eert allen"vinden we allereerst een passende vulling voor het begrip "allen" dat hier aan het slot staat.
Men heeft dit woord vaak willen verstaan als 'alle mensen in de ruimste zin van het woord'. Petrus zou bedoelen: niet alleen de broederschap (die daarna wordt genoemd, en die voorwerp van onze liefde moet zijn). Alle mensen, inclusief de heidenen. zouden onze eerbied verdienen. Echter: nu het begin van v. 17 (dat dus volgens mij het slot van v. 16 had moeten vormen) op het begin van v. 13 blijkt te corresponderen ligt het voor de hand “allen" te verstaan als: "al die menselijke creatuur" die in v. 13 is genoemd. En we zien deze uitleg ook bevestigd; daarin nl. dat én in v. 13 als eerste van die "menselijke creatuur" de keizer wordt genoemd. én aan het slot van v. 17. als het woord “èert"
wordt herhaald, opnieuw de keizer het object is.
Het tweede winstpunt
Door v. 16 met de beginwoorden van v, 17 ("hebt eerbied voor (die) allen") te verbinden valt ons nog een winst in handen, die niet minder gewichtig is. V. 16 blijkt nu nl. de motivering te geven van het bevel (..eert") Waarmee v. 17 begint.
Als ik nl. zeg: "als oorlogsslachtoffer geniet ik een uitkering", dan betekent dat: ..omdat ik oorlogsslachtoffer ben, geniet ik een uitkering". Nu in die redengevende zin is ook het in v. 16 driemaal voorkomende "als" ' bedoeld. Petrus wil zeggen: "Omdat jullie ... ja, wel vrij bent, aan die vrijheid evenwel geen voorwendsel moogt ontlenen er nu maar op los te leven. nee. maar slaven bent van God, dáárom moeten jullie voor alle bovenbedoelde 'menselijke creaturen' eerbied tonen".
En nu blijkt opeens deze vermaning van Petrus verrassend overeen te stemmen met die van Paulus in Rom. 13.
Petrus en Paulus
In Rom. 13, 5 lezen we: ..Daarom moeten jullie je onderwerpen (aan de overheid nl.) niet alleen uit vrees voor straf, maar ook uit innerlijk besef'. Welk besef nl.? Wel, het besef dat overheidspersonen dienaren van God zijn (v. 4), door God zelf aangesteld (v. 1).
Je onderwerpen aan het bevoegd gezag kun je op twee manieren doen: a) noodgedwongen; omdat je weet: die mensen hebben de macht in handen; als ik me niet onderwerp, trek ik toch aan het kortste eind en krijg ik klappen; dus laat ik, om erger te voorkomen, me dan maar schikken; b) uit het innerlijk besef 'ik ben Gods slaaf'; omdat ik me ervan bewust ben: 'God is mijn Baas', maar tevens besef: deze Baas heeft onderbazen in dienst; als ik me dus gehouden weet God te eerbiedigen als mijn Meester, weet ik me ook gehouden zijn dienaren (keizer, stadhouders) te eerbiedigen'.
In wat minder brede en expliciete bewoordingen dan Paulus blijkt nu ook Petrus meer dan uiterlijke onderwerping (nl. "om de toorn" (NBG), zoals Paulus het uitdrukt; d.w.z. om de straf die we duchten, om de klappen die er anders zullen zwaaien) van ons te verlangen. Hij vraagt ook innerlijke eerbiediging ("om des gewetens wil", zoals Paulus het omschrijft) (4). Door de woorden uit v. 13 "onderwerpt u aan alle menselijke creatuur om wille van den Heer" in vv, 16,17 in deze vorm te herhalen: "omdat u knechten bent van God, moet u die allen eerbiedigen"verdiept de apostel de gestelde eis.
Anders gezegd: het aoristisch geformuleerde 'eerbiedigt' uit v. 17 verinnerlijkt het eveneens aoristisch geformuleerde 'onderwerpt u' uit v. 13.
Aoristus en praesens
Nog twee vragen lieten wij voorlopig open. In de eerste plaats deze: wat is het verschil tussen de gebiedende wijs van de aoristus en die van het praesens?
Ik kan daarop niet uitvoerig ingaan.
In 't kort komt het hierop neer: gebruikt men de aoristus, dan vat men de voltooide, de complete handeling in het oog; bezigt men het praesens, dan heeft men de onvoltooide handeling voor de aandacht, dan denkt men aan de handeling in haar voortgang, of ook aan de handeling zoals ze bij herhaling plaats vindt. (5) Een bevel in de aoristus krijgt daardoor vaak iets klemmends: er zit de drang van het klaar komen achter.
Die zal ook Petrus hebben beheerst in vv, 13-16. Als de gelovigen op het punt van de gehoorzaamheid aan en het respect jegens de overheid een verkeerde instelling mochten hebben, dan moet daarin acuut verandering komen! ' Maar nadat hij met redenen omkleed die opdracht zijn lezers op het hart heeft gebonden, geeft hij hun aan het eind nog eens in het kort - om uit het hoofd te leren, zou je haast denken - drie leefregels me waaraan ze zich duurzaam en steeds weer moeten houden: "Koestert altijd liefde voor de broederschap, vrees voor God, eerbied voor den keizer".
,,Alle menselijke creatuur"
De tweede open vraag is: wat is in v.13 bedoeld met "alle menselijke creatuur"?
Doorgaans meent men: elk door mensen ingesteld (overheids)ambt.
Toch is het m.i. hoogst dubieus, of dat de bedoeling van deze woorden kan zijn. Het zelfstandig naamwoord 'ktisis', dat hier staat, correspondeert op het werkwoord 'ktizein'. In het klassieke Grieks gebruikt men dat voornamelijk voor het stichten en/of bevolken van steden.
Nu is het waar, dat dichters uit de klassieke periode het woord wel eens in een wat verruimde zin bezigen.
Met name bij Pindarus vindt men dit woord b.v. gebruikt voor het instellen van een feest of van een wedstrijd. Op zulke plaatsen beroept men zich dan ook, als men in onze tekst het woord wil verstaan als 'het (door mensen) ingestelde'.
Maar mag men zo'n klassiek én dichterlijk woordgebruik voor mogelijk houden bij een ongeletterden (Hd. 4, 13) visser uit Galilea, die van huis uit nog een Semiet is bovendien?
Ik betwijfel dat ten zeerste.
Waar zou hij het hebben geleerd?
Het moet toch tot nadenken stemmen, dat overal elders in het NT het werkwoord 'ktizein' em de zelfstandige naamwooren van dezelfde stam slaan op het scheppen van God (of bij uitzondering, Ef. 2, 15- van Christus).
Het lijkt mij dan ook veel waarschijnlijker, dat "menselijk schepsel" hier betekent "schepsel van het genus 'mens'''; en dat het heel gewoon een omschrijving is van het begrip 'mens', wellicht met enig nadruk op het maar schepsel zijn van den mens.
Het spraakgebruik van Petrus
In de eerste plaats: Petrus gebruikt dit soort omschrijvingen wel meer.
Enige tijd geleden wees ik er al eens op, dat hij in 111, 3 'God' omschrijft als "zijn goddelijke kracht" (en zo in 111, 17 als "de hoogwaardige heerlijkheid" (6)'. Waar de schrijver van de Hebreeërbrief zegt: "deelgenoten van Christus" (3, 4) of "deelgenoten van het goddelijk wezen" (11 1, 4; "de goddelijke natuur" zegt de NBG (7): In verband met laatstgenoemde plaats is het vermeldenswaard, dat in onze tekst naast de lezing 'menselijk schepsel' er een variant 'menselijk wezen' (of, zo men wil, 'menselijke natuur') bestaat (8). Gezien de zwakheid van het desbetreffend handschriftelijk getuigenis zou ik er niet over peinzen deze lezing te kiezen. Maar men dient wél te bedenken, dat varianten nogal eens hun oorsprong vonden in bijgeschreven tekstverklaringen, die dan later bij het overschrijven de oorspronkelijke lezing hebben verdrongen. Nu, als antieke interpretatie van de originele lezing 'menselijk schepsel' verdient deze variant 'menselijk wezen' zeker de aandacht.
Nu, als wij dan 'alle' hier opvatten in de zin van 'allerlei' (9) in de dagelijkse omgangstaal gebruiken wij hiervoor vaak 'alle mogelijke' - dan zegt Petrus dus: onderwerpt u aan allerlei mensen, ook al zijn het maar schepselen; om te beginnen aan den keizer en zijn stadhouders. (Ik zeg: "om te beginnen": Petrus laat het nl. niet bij deze twee categorieën gezagsdragers; hij zet de rij van voorbeelden, aan welke mensen allemaal je onderdanigheid verschuldigd bent, voort in 2, 18 en 3, 1!)
Verkeerde vrijheidsbeleving
Petrus zal - dit in de tweede plaats de uitdrukking 'menselijk schepsel' wellicht mee dáárom hebben gekozen, omdat onder de eerste christenen er geweest zijn die 'doorsloegen', die hun 'vrijheid in Christus' uitlegden en in praktijk brachten als volstrekte ongebondenheid? (10)
"Ik me aan een ander onderwerpen?!" zeiden ze. "Kom nou! Ik ben nu toch vrij?! Die keizer? Nou dat is toch geen god? Hij is ook maar een mens, een schepsel" net als ik. Wat zou hij dan over mij te zeggen hebben?"
Zo'n uitleg van 'libèrté' (vrijheid) als zou ze een volstrekte 'égalité' (gelijkheid) meebrengen past echter alleen in het kader van het adagium 'ni dieu ni maître' (geen god en geen meester), maar niet in het kader van het christelijk geloof., Wij belijden wél een God. Hoe zouden we anders vrij zijn? Aan wie anders danken wij onze vrijheid dan aan Hem die door zijn Zoon ons vrijkocht? En juist omdat we aan Hem onze vrijheid danken, behoren we Hem toe, zijn we zijn knechten (v. 16 slot); en dáárom - zo zegt Petrus - zijn we ook eerbied verschuldigd aan alle mogelijke mensen - schepselen, jawel - door wier hand het Hém belieft ons te regeren 11).
Noten
1) Zie A.T. Robertson, A Grammar of the Greek New Testament in the light of Historical Research, Nashville, Tennessee 1934, p.856.
2) Deze telling geldt de positieve geboden.
Negatieve geboden (verboden dus) worden van ouds in het Grieks anders behandeld dan positieve.
3) Wat onder 'menselijke creatuur' te verstaan is, hopen we straks te bespreken.
4) Overigens lezen we diezelfde uitdrukking, 'om des gewetens wil', vlak hierna ook bij Petrus, nl. in v. 18, waar het nog steeds over 'onderwerping' gaat: ..want dat is genade, als iemand om wille van geweten van God (d.w.z. omdat hij beseft, dat God het van hem vraagt) leed verdraagt."
De correspondentie van dit gedeelte uit Petrus' eerste brief met Rom. 13 strekt zich nog verder uit. Paulus schrijft nl. in de verzen 7, 8 van genoemd hoofdstuk: ..Betaalt aan wien je vrees verschuldigd bent de verschuldigde vrees, aan wien je eer verschuldigd bent de verschuldigde eer. Laat bij niemand enige schuld uitstaan behalve dan die van de onderlinge liefde." Dat correspondeert op wat Petrus hier in het 17e vers schrijft: "vreest God, eert den keizer, hebt de broederschap lief."
5) Misschien kan een voorbeeld uit het dagelijks leven iets verduidelijken. Stel: een meisje komt even voor twaalven gehaast thuis en zegt: ..Mam, over een kwartier wordt ik opgehaald. We gaan met de hele klas naar een tentoonstelling. Ik kan niet mee lunchen thuis". Dan zegt moeder: ..Smeer dan een paar boterhammen voor onderweg!" Als die moeder een Griekse was, zou ze dat in de aoristus zeggen, want haar staat voor ogen: binnen een kwartier moeten die boterhammen klaar zijn. Maar nu een ander geval. Uit datzelfde gezin gaan enkele kinderen elke dag vroeg de deur uit naar school, zodat er elke avond heel wat boterhammen moeten worden.
gesmeerd voor de volgende dag. Op een dag komt diezelfde dochter van daareven thuis en zegt: ,Mam, ik mag van den dokter om die uitslag op mijn handen er voorlopig niet meer mee in het hete sop. Ik kan dus de komende week niet helpen bij de afwas."
Dan zegt moeder: ..Goed! Smeer jij dan maar boterhammen." Hier zou de moeder, was ze een Griekse, het praesens gebruiken. Want ze heeft de elke avond terugkerende bezigheid van het broodjes smeren voor ogen.
6) Opbouw, 32ste jrg., blz. 245, kol. 3.
7) Overigens is in het artikel waarnaar ik in de vorige noot verwees wel gebleken, dat de Hebreeërbrief op haar beurt ook wel dergelijke omschrijvingen bezigt. Ik had ~r - zo bleek mij achteraf - nog een aan kunnen toevoegen, nl. 5, 7, waar men niet moet vertale .. 'uit zijn angst" (zoals de NBG doet), maar ..door Zijne Eerbiedwaardigheid", wat een omschrijving is voor 'God'.
F. Preisigke geeft in zijn bekende Wörterbuch der griechischen Papyrusurkunden tal van voorbeelden van het gebruik van 'eu labeia' als eretitel voor hoogwaardigheidsbekleders.
8) Dezelfde omschrijving vindt men ook in Jac. 3, 7. Alleen is ze daar generiek gebezigd, terwijl ze in onze tekst individualiserend is bedoeld. Men denke verder aan een plaats als Rom. 2, 9, waar - letterlijk vertaald - sprake is van ..elke ziel van een mens".
9) Vgl. W. Bauer, Griechisch-deutsches Wörterbuch zu den Schriften des Neuen Testaments, S.V. a, ~ . . 0 10) In de gemeente van Corinthe b.V. heeft Paulus speciaal t.a.v. de positie van de vrouw zulke extreme consequenties uit het besef van vrijheid moeten indammen, vgl. 1 Cor. 11 en 14.
11) Ik noemde boven (onder het kopje 'Een andere indeling') een tweede tekst in deze brief met dezelfde opbouw, nl. 2, 2. Naderhand ontdekte ik bij Petrus nog een derde, nl. 111,3-5. Ook daar heeft men, zij het niet dadelijk een fout in de versindeling, dan toch een fout in de tekstindeling gemaakt door n.a.v. 4 een punt te zetten. Het participium 'apophugonte' in 4c hoort nl., samen met het participium 'pareisenegkantes' uit v. 5 - waarmee 'de' de verbinding legt -, bij het onderwerp van deïmperativus 'epichorègèsate' in v. 5.
Deze tekst wijkt in twee opzichten iets af van de eerstgenoemde twee: a) de objecten bij 'epichorègèsate' staan niet vóór, maar achter deze imperativus; b) de 'hoos'bepaling is niet een nominativus, op het subject van de imperátivus betrokken, maar een genetivus absolutus ('tès theias dunameoos ... dedoorèmenès'). Voor de opbouw maken deze kleine verschillen echter niets uit.
Ook hier is door de verkeerde indeling de 'hoos'-bepaling waarmee de volzin begint, in de lucht komen te hangen. Men behoort de tekst zo te lezen: (3) ..Omdat zijn goddelijke kracht ons alles wat voor een leven' in de vreze Gods nodig is heeft geschonken, doordat wij Hem hebben leren kennen die ons geroepen heeft voor zijn eigen eer en naam, moeten jullie - (4) waar ons die kostbare en enorme beloften geschonken zijn om daardoor compagnons te worden van het goddelijk wezen - door te maken dat je weg komt van het bederf, dat in het zingenot in deze wereld schuilt, (5) en door juist ook daarom nu ook van jullie kant je beste beentje voor te zetten, door het geloof de flinkheid aankweken .;" enz.
Het voorkomen in deze tweede brief van deze zelfde - voor zover ik weet elders vrij zeldzame - opbouw zou kunnen pleiten voor het auteurschap van Petrus, datzoals men zal weten - voor deze tweede brief sterk is aangevochten.
Jo Wat dat 'compagnons van God' betreft: als visser was Petrus bekend met het vissen 'in maatschap', vgl. Luc. 5, 10 (zie Opbouw, 0 31ste jrg., blz. 222/223). Hij blijft deze term hanteren, nu hij 'visser van mensen' (zie de bovengenoemde tekst uit Lucas) is geworden.