Overdenking

1988-02-05
  • Jaargang 32
  • nummer 5
Velen hebben ons na vaders overlijden hun medeleven betuigd. In velerlei toonzetting. Eén reaktie op het overlijdensbericht wil ik hier noemen. Het is van één van vaders achterkleindochtertjes, die zei: wat zal-ie nu blij zijn.
Dit rake kinderwoord was voor mij aanleiding om vanmorgen een ogenblik uw aandacht te vragen voor enkele van de gelezen verzen uit de brief aan de Filippenzen, waarin Paulus bijna niet uitgepraat raakt over de blijdschap.
Vader heeft duizenden preken gemaakt.
Er zijn er maar enkele in z'n bureaula achtergebleven. Hij was niet "bewaarderig".
Wèl vonden we een grote stapel Dokia-praatjes. Dat zijn korte voordrachten over allerhande onderwerpen, die hij na zijn emeritering een jaar of vijftien lang elke dinsdagmiddag heeft gehouden voor de aangeslotenen op de Kamper kerktelefoon. Als hij ze aan het voorbereiden was noemde hij zich soms schertsend: praatjes-maker. Uit die praatjes heb ik een paar alinea's geknipt voor deze overdenking. Stukjes waarin het gaat over de blijdschap in het geloof en de vrede in Christus.

In de praktijk van het pastorale werk ontmoette vader veel aarzeling, veel onzekerheid in het geloof. Daar haakt hij op in als hij bij Fil. 1 : 1 opmerkt:

"De Filippenzen-brief wordt geschreven aan al de heiligen in Filippi.
Zo mogen alle leden van de gemeente genoemd worden. Niet enkele onder hen, maar allen. Geleerd en ongeleerd, klein en groot, heer en knecht, man en vrouw, zelfs ook de kinderen. Heilig in Christus."
"Als de kerkdienst begint horen we: genade voor jullie. Dat meent de Here. En dan: vrede voor jullie. Als we de kerk uitgaan krijgen we de zegen mee: de genade van de Here Jezus en de liefde van God en de gemeenschap van de Heilige Geest voor jullie allemaal. Dat is toch niet niks. Dat is toch alles. Zeg nu niet: ja, maar ... , zeg liever: amen. Het zal waar en zeker zijn. Het is waar en zeker.
Geloofd zij God niet diepst ontzag, Hij overlaadt ons dag aan dag Met zijne gunstbewijzen.
Die God is ons een God van Heil, Hij schenkt uit goedheid zonder peil Ons 't eeuwig zalig leven."
"Ik zal niet moe worden zolang ik kan mijzelf en ons allen voor te houden: luister toch niet naar de ongeloofsklanken van - ja maar, ja maar, ..... , en - wij kunnen niets, willen niets en hebben niets, en - het is met ons Christen-zijn niets gedaan. Zeg liever: De Heer is zo getrouw als sterk, Hij zal zijn werk voor mij volenden.
Hij kan en wil en zal in nood, zelfs bij het naadren van de dood, volkomen uitkomst geven."
Ik zou zeker onvolledig citeren als ik U ook nog niet voorlas: "In dat woord 'heilig' ligt ook een machtige taak. Om nu ook als heiligen te leven. Als kinderen van God te denken en te doen. Vaneen edelman verwacht ieder meer dan van een bedelman. Zo hebben alle heiligen, dat wil zeggen alle leden van de gemeente van de Here Jezus een grootse taak."
Over het woordje 'genade' uit de zegenbede (1 : 2) nog het volgende: "In het Nederlands hangt de genade samen met genegenheid. Het Griekse woord staat in verband met blijdschap.
Genade maakt blij. Het is een vrolijke wetenschap Gods genade te kennen door het geloef in de Heer Jezus. Hebben we eigenlijk meer nodig te weten dan dat God genadig is? Zo God vóór ons is, wie zou tegen ons zijn? Al zouden we alles verliezen, als Gods genade ons maar overblijft dan hebben we het goed. In leven en sterven. Dan hebben we genoeg.
Zoals Paulus te horen kreeg, toen hij bad om wegneming van de doom in zijn vlees: Mijn genade is voor u genoeg."
Als vader spreekt over de verzen 12 en 13 van hoofdstuk 2 dan doet hij dat onder het opschrift: werkt want God werkt.
"Paulus zet het zomaar naast elkaar: werkt want God werkt, wil want God wil, bekeert u want God bekeert u. Men heeft dat een tegenstrijdigheid genoemd. Die twee zinnen zouden tegen elkaar ingaan, niet met elkaar kloppen. Hoe kan dat nu? Wij denken: als God alles doet hoeven wij niets te doen. Of omgekeerd: als wij alles doen hoeft God niets te doen. Maar dan rekenen we naar menselijke maat. Twee makkers doen samen een werk, de één doet 50% en de ander 50%. Of 70% en 30%. Maar de Schrift zegt: God doet 100% en gij doet 100%. Ra, ra hoe kan dat? Omdat God God is, en op onnaspeurlijke wijze in ons leven werkt. Hij is daarin ondoorgrondelijk.
Gelooft maar, het mag. En erkent dan dat het een gave Gods is.
Bekeert u en erkent dat God u bekeert.
Vernieuwt uw leven, want God doet het. Werkt uw redding, want God werkt. Want zonder Hem kunt u niets doen."
God werkt in ons door de Heilige Geest. Daarover het volgende.
"Het is een wonderlijk feit, dat er mensen zijn die zeggen: ik geloof in God de Vader, de Schepper van hemëI en aaide, en ik geloof ook in de genade van de Here Jezus. Maar die, als er sprake is van de Heilige-Geest, zeggen: als ik maar wist dat ik de Heilige Geest had. Want die moet het geloof werken, en die moet mij bekeren, en die moet mij nieuw leven geven. En daar wachten ze soms op tot aan hun dood en gaan donker heen. Dat is een gruwelijk misverstand. Dacht u dat Vader, Zoon en Heilige Geest niet één zijn?
En denkt u dat de Vader wel lief heeft, en de Zoon zijn genade u biedt, maar dat de Heilige Geest zijn gemeenschap u niet wil geven?
Dat kàn toch niet waar zijn? Want de Heilige Geest is de Geest van God en hij is de Geest van Jezus Christus."

Tenslotte nog een paar woorden uit wat vader opmerkt bij de verzen 17 en 18, waar Paulus zo uitbundig over de blijdschap schrijft.
"Ik denk niet dat de blijdschap de boventoon voert in de kerken. Soms is men wat bang voor vreugde ...
Dacht u dat de Here plezier had als zijn volk naargeestig door het leven gaat? Waar haalt men dat toch vandaan?
Dat er in de wereld narigheid bij de vleet is, weet ik ook wel. We heoben allen daar wel ons deel aan waarschijnlijk. Ik pleit er ook niet voor, dat we altijd zingend door het leven gaan. Dat we altijd hallelujah roepen. We hoeven geen "liedjes zingen bij een treurig hart". Maar de blijdschap mag niet ontbreken. Zelfs niet als ons leven reden geeft om te huilen, dan mogen we door onze tranen heen nog lachen. De genade houdt de overhand. En daarom ook de blijdschap. De Here heeft er geen plezier van als wij bedrukt door het leven gaan. En de wéreld wordt erook niet door aangetrokken. Laten we er toch om denken, dat we anderen moeten trekken tot de liefdedienst van God, die nog nooit heeft verdroten.
Dat wil de Here."
Als vader, op een andere dinsdagmiddag weer eens over de blijdschap spreekt, dan eindigt hij met een onder ons bekend gedicht: Op aarde was, als ijdel glas, De blijdschap licht te schenden.
Maar eenmaal zal de vreugde van De bruiloft nimmer enden.
Dat had vaders achterkleindochtertje al begrepen toen ze zei: wat zal hij blij zijn.
Wanneer het gaat over de grond van die blijdschap, haalt vader weer eens de tekst aan die hij vele malen aanhaalt.
Hij noemt het ook de kern van het evangelie: Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.
Van die grond zingen we met de woorden van lied 440: 1 en 4.
Ik heb de vaste grond gevonden waarin mijn anker eeuwig hecht; de dood van Christus voor de zonden, van eeuwigheid als grond gelegd.
Die grond zal onverwrikt bestaan, als aard' en hemel ondergaan.

Daarop wil ik gelovig bouwen, getroost, wat mij ook wedervaart; mij aan Gods vaderhart vertrouwen, wanneer mijn zonde mij bezwaart.
Steeds vind ik daar opnieuw bereid oneindige barmhartigheid.


ENKELE HERINNERINGEN
Nu wij hier als familie en vrienden bijeen zijn, wil ik graag nog een paar woorden van herinnering en dank spreken, mede namens de familie.
Ruim tachtig jaar geleden meldde de Appingedammer Courant dat twee jeugdige waaghalzen zich hadden begeven op het nog onbetrouwbare ijs van het Damsterdiep. Het avontuur was echter gelukkig goed afgelopen. Die twee wat misprijzend aangeduide kleuters waren vader en zijnjongere broertje Jan. Als vader ons dit verhaal vertelde, sloot hij het met zichtbaar genoegen af met de opmerking dat dit de eerste maal was dat zijn doen en laten in de pers werd besproken.
Het laatste wat vader over zichzelf in de pers las - het ging toen met moeite, met een vergrootglas, stukje bij beetje - was, dat hij nooit gereformeerd is geweest.
Het was in de tijd dat vader weinig meer sprak, maar dit vertelde hij ons wel. Hij keek ons daarbij onbegrijpend aan en misschien ook wat verbijsterd, maar zeker niet boos. Zijn milde glimlach kwam terug toen ik - op zijn vraag of ik die uitspraak begreep - antwoordde, dat de schrijver onder 'gereformeerd' blijkbaar toch iets anders verstond dan wat hijzelf ons daaromtrent altijd had voorgehouden.
Tussen het eerste bericht, dat hij zelf nog niet lezen kon, en het laatste, dat hij bijna niet meer lezen kon, is er wel meer over vader geschreven. Het betreft zijn publieke optreden, dat beter kan worden beschreven door anderen die op wat groter afstand staan dan wij. Maar in het gezin merkten we vermoedelijk het best wat die publikaties op hem uitwerkten, zowel de lovende als de afkeurende.
Negatieve publicaties werden zeker niet altijd dankbaar aanvaard, maar hadden wel een functie. Ze hielpen hem zich niet al te zeer te verheffen; dat zei hij eens nadat er een paar positieve stukjes over hem waren verschenen.
Wij hadden wel eens de indruk dat vader meer moeite had met lofprijzingen aan zijn adres; of zelfs met eenvou dige verwijzingen naar de vruchten van zijn werk. Vermoedelijk omdat hij zich zeer scherp bewust was van zijn tekortkomingen.
Naar ons gevoelen soms te scherp.

Vader heeft de kerk liefgehad. Hij heeft ook aan de kerk geleden. De scheuringen van de veertiger en van de zestiger jaren hebben hem diep geraakt. Hij kon toornen tegen onnodige scheuringen: "de kerk schorst ketters, geen broeders."
't Is of ik onze oude Utrechtse predikant ds Veenhofhoor .De scherpte raakte het systeem, niet de personen: vóór vader in 1946 de classis verliet die hem schorste drukte hij eerst alle broeders de hand.
Die schorsing van 1946 is later door de Gereformeerde Kerk van Voorthuizen royaal teruggenomen. Vader, die er destijds sterk op had aangedrongen om in Voorthuizen bijeen te blijven, was met dat besluit heel blij. Maar de geschiedenis kon niet worden teruggedraaid.
Sedertdien stonden er thuis bij hoogtijdagen twee boeketten bloemen uit Voorthuizen. Eén van de NederlandsGereformeerde en één van de Gereformeerde Kerk. Liefst naast elkaar.
Een ontroerende herinnering aan wat vader eens noemde de "smadelijke scheur" in zijn geliefde gemeente te Voorthuizen.

Na 20 jaar scholing en studie is vader 20 jaar dominee geweest, 20 jaar hoogleraar en 20 jaar actief-emeritus. Door zijn werk kwam hij minder aan z'n gezin toe dan hij zelf wenste. Later heeft hem dat wel eens dwars gezeten. Z'n kinderen hebben er echter niet onder geleden.
Natuurlijk was hij - vooral toen hij als enige predikant in een gemeente van 1400 zielen "arbeidde" - minder thuis dan de gemiddelde vader. Maar als hij er was, dan was het zeer intensief. We zijn dankbaar voor wat hij ons leerde, en bovenal voor wat hij ons voorleefde.
Na zijn emeritaat is vader lang actief gebleven. Praten voor Dokia, schrijven voor Opbouw, bezoeken van zieken en eenzamen, typen van brieven. Met een schrijfmachine die vast ouder was dan vader zelf, schreef hij brieven van troost en bemoediging bij moeite en zorg. Ettelijke van die brieven worden - naar ons dezer dagen weer is verzekerd - tot op heden bewaard. Het zijn voorbeelden van zijn dienstbaarheid. Hierin was hij een echte leerling van zijn promotor prof. Grosheide, die door vader eens werd getypeerd als "een christenman die er was voor een ander".
Bij moeder's begrafenis heeft vader verteld tot hoe grote steun zij hem is geweest, vooral in moeilijke tijden. Bij vaders begrafenis past het ons te memoreren hoe hij altijd voor moeder zorgde.
Het levendigst staat in onze herinnering de tijd dat moeder door ouderdom praktisch was uitgeschakeld. Vader was een man van vele gaven, maar erkende grif dat zijn huishoudelijke gaven zeer bescheiden waren. Toëh heeft hij ze in die jaren zo ver ontwikkeld dat vader en moeder het samen in eigen huis goed hebben gehad.
De vrienden-wens "Heb het goed", die vader graag van zijn vriend en collega prof. Holwerda overnam, ging hier in vervulling aan henzelf.
In al zijn werk heeft vader gehamerd op de rijke belofte van de Heer voor allen die in Hem geloven, en het ,ja, maar" bestreden. Hoe hardnekkig die 'maren' kunnen zijn heeft hij ook zelf ondervonden toen zijn lichaamskrachten snel afnamen.
Tot z'n 85-ste verjaardag was vader helder, gezond en sterk. Hij preekte praktisch nog elke zondag. Een hersenaandoening maakte daaraan plotseling een eind. Daarmee heeft vader het erg moeilijk gehad. Hij zag in die tijd tegen alles op. Tegen opstaan als hij op bed lag, tegen naar bed gaan als hij op was. Tegen eten en tegen drinken.
Tegen bezoek en tegen alleen-zijn.
In die duistere periode vroeg een van de artsen hem of hij ook op zag tegen de dood. Vaders antwoord was een woord van zijn Heer: Mijn genade is U genoeg.
Het is de tekst die boven het overlijdensbericht staat. Eens overwint toch de genade.
Gelukkig is vader later weer duidelijk beter geworden. Zijn gevoel voor humor keerde weer. En vooral: rust en vrede keerden terug. Ook bij het sterven.
Nu vader gestorven is hebben we nogal eens teruggedacht aan huiselijke gesprekken over het leven na de dood. Hij wilde over een nieuwe aarde onder een nieuwe hemel niet méér kwijt dan hij rechtstreeks in de bijbel las. Als wij kinderen verder gingen over de nieuwe dingen, over de dood die niet meer zijn zal, over het geboomte dat twaalf maal vrucht draagt, over herinneringen, over onze beperkte tijdrekening en over het punt-des-tijds, dan deed vader - en dat was zeer ongebruikelijk - aan het gesprek niet meer mee. Wanneer we dan nadrukkelijk om zijn mening vroegen, antwoordde hij met het antwoord dat zijn voorganger in Kampen, prof. Greijdanus, eens op een soortgelijke vraag gaf: "Afwachten, broeders". Dit ondanks het feit dat de zusters thuis doorgaans in de meerderheid waren.

DANKWOORD
Tenslotte willen we graag de zeer velen danken die vader vriendschap hebben betoond. Vooral hen die zó vertrouwd met hem waren dat ze de banden bleven onderhouden toen het contact moeilijker en eenzijdiger werd. Dat geldt in 't bijzonder ook zijn wijkouderling van de kerk van Nunspeet, waartoe vader de laatste jaren behoorde, die hem trouw bezocht en bemoedigde. En die ons straks voor zal gaan naar het graf.
U allen danken we voor uw komst en voor uw medeleven, ook op deze dag.

Voor we vertrekken zingen we elkaar de zegenbede toe met de woorden van lied 456. Daarna zal eerst de familie het kerkgebouw verlaten. Het is onze wens vader in familiekring te begraven. We vertrouwen dat u die wens wilt respecteren.
Vandaag wordt er "gezaaid in oneer"; we doen dat bij voorkeur in kleine kring.
Straks wordt er opgewekt in heerlijkheid; daarbij past een grote kring: de schare die niemand tellen kan.

C. van der Leun

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief