Schuld, boete en zaligheid
1988-02-12
n.a. v. Margarete Susman, - Jaargang 32
- nummer 6
"Het boek Job en de lijdensweg van het Joodse volk"
Kok, Kampen, 1987
Onder de talloze boeken, die sedert de laatste wereldbrand aan de lijdensweg van het Joodse volk herinneren, schreef Margarete Susman (1874-1966) een studie, welke met kop en schouders boven de middenmaat uitsteekt. Daarom past hier geen gewone boekbespreking, maar eelt speciaal artikel.
Haar boek verscheen in 1946, werd na de geboorte van de staat Israël in 1948 herdrukt; maar eerst nu gaf Kok een Nederlandse vertaling uit, van de hand van mevrouw T: v. d. Spek-Begemarm en voorzien van een inleiding door Prof.dr JanVeenhof.
Mevrouw Susman was een Duits-Joodse journaliste, die in 1934 Duitsland verwisselde voor Zwitserland. Op veilige afstand van de Hitler-tirannie ontweek zij de anti-Joodse terreur, hoewel zij innerlijk volkomen met haar volk meeleefde. Daardoor vervalt haar boek niet in eindeloos kwellende martelverhalen - maar geeft op hoog geestelijk niveau de tekening van het Joodse volk in ballingschap, waarvan zij in Job het prototype zag. Zo kon zij des te helderder doorstoten naar het werkelijke God-verlaten lijden, dat nu al 2000 jaren en meer op Israël drukt en waarvan de zin velen, ook Joden, ontgaat.
-0-
Het verhaal van Job - zijn beproevingen, vragen en uitkomst - is overbekend.
Gerekend tot de dichterlijke boeken rijst de vraag of dit mythisch aandoende bijbelboek historie dan wel leerdicht mag heten. Van Job en zijn 4 gesprekspartners is alleen Elifaz (1) historisch te traceren. Toch, hoewel ook andere aanwijzingen tellen, zegt de Bijbel (2) dat Job na zijn beproeving nog 140 jaar leefde en zijn nakomelingen heeft gezien. Er is dus geen sprake van mythe, alles mag als historie worden aanvaard. Zoals de lijdensweg van het Joodse volk tot nu toe historisch is, maar mythisch schijnt.
De kern van het boek Job is: dat Job, een rechtvaardig kind van God, met zijn Maker twistte over het rechtvaardige van zijn onmetelijke beproevingen. Er was zo 'n goede verhouding geweest tussen God en Job, en de laatste zag geen aanleiding tot de verstoring van deze harmonie. In zijn lijden kende hij God niet terug, maar bleef in zijn twisten God vasthouden, Hem verantwoording vragen.
De schrijfster legt de vinger bij hoofdstukken 1 en 2. Hier staat dat Satan onder de zonen Gods thuishoorde; dat hij als kind van God (ongehoorzame kinderen zijn ook kinderen) met de Heere spreken kon, een machtiging van Hem kon verkrijgen en zich aan Job mocht vergrijpen, als gold het een menselijke weddenschap. God liet Satan zijngang gaan, ten koste van de rechtvaardige Job. En de afloop was dat Job niet zondigde, de Heere niets ongerijmds toedichtte, dat de schone harmonie tussen God en zijn vriend hersteld werd en dat Satan beschaamd afdroop.
Met dit beeld voor ogen wijst de schrijfster op Gods verbond met Israël. Weliswaar heeft Israël dit verbond herhaaldelijk verbroken, en heeft zichzelf de beproevingen op de hals gehaald. Daarin blijft het ver beneden de rechtvaardige Job. Maar Gods verbond is nooit ongedaan te maken (3). Hij blijft Dezelfde, al laat Hij alle demonische machten los om zijn volk te beproeven.
En zo is de opdracht, aan Abraham en zijn (geestelijke en natuurlijke) nakomelingen gegeven, nooit veranderd: ze zullen heel de wereld tot zegen en zo tot voorbeeld zijn (4). In alle beproevingen, van de eerste ballingschap tot de laatste holocaust, blijft Israël drager van Gods wereldwijde beloften: dat het einde goed zal zijn, dat na de volheid der heidenen geheel Israël zal wonen op Gods nieuwe aarde. (5) Niet door kracht of geweld, maar door Gods Geest zal dat gebeuren (6).
-0-
Terecht wijst de schrijfster er op, dat Israël in de woestijn, buiten de geordende wereld, geboren is. Zijn plaats is dan ook niet binnen bepaalde grenzen, maar overal. Zijn land staat op geen kaart.
Aangezien Israël onder de volken der aarde verstrooid werd, vormde het geen eigen staat: het beloofde land is de gehele aarde, die vervuld zal worden van Gods gerechtigheid.
Intussen vormen de kinderen van Juda overal ter wereld minderheden. Ze gaan niet op in de volken, nemen wel deel aan het staatsgebeuren, ondergaan zegeningen en rampen van de gaststaten, hebben zelfs een aanmerkelijk aandeel in het wereldgebeuren - maar blijven op zichzelf staan: wereldvreemd. Beeld van Gods christenvolk, . dat geen blijvende plaats op deze vergankelijke aarde heeft, maar lastige vreemdeling en bijwoner blijft, tot het een plaats krijgt op de nieuwe aarde.
En het beloofde land dan? En de staat Israël dan?
In het beloofde land heeft Israël zich nooit definitief gevestigd: aangezien het de heidense volkeren met hun verleidende godsdiensten aanwezig liet.
Overeenkomstig de bedreiging kon het zich dan ook niet handhaven, werd in ballingschap gevoerd: eerst de tien stammen naar Syrië later naar het Noordwesten verstrooid; daarna de twee stammen, die als "Joden" uit Babel terugkwamen, maar die toen de tempel verafgoodden en de beloften van de Verbondsgod vergaten. Totdat ook dit deel in het jaar 70 voorgoed de woestijn in gestuurd werd.
En wat de in 1948 gevormde staat Israël betreft: de geboorteweeën zijn na 40 jaar nauwelijks overwonnen, het volk heeft - in zijn heroïsch maar antihistorisch streven naar een eigen staat, een eigen land, een eigen cultuur - vergeefs zijn zionistische idealen nagelopen.
En hoewel ook de huidige staat Israël uit de. woestijn getogen is, tracht zij met geweld van wapens zich te handhaven, zonder alle Joden te kunnen herbergen, zonder zich met het verloren deel van Israël te kunnen verenigen, zonder tot een innerlijke politieke eenheid te kunnen komen, zonder vrede te vinden tussen de volkeren van rondom.
-0-
Het koninkrijk Gods is als een zuurdeeg, zei de Heiland; dat opgaat in het meel en op deze wijze zijn werk doet.
Dat geldt voor christenen niet meer of minder dan voor Israël: door vast op de Heere te wachten, door om zijns levens wil op Gods beloften te vertrouwen, kunnen beide aan de wereld, waaraan zij vreemd blijven, de stille boodschap verkondigen van vrede op aarde. De schrijfster gaat de historische verwerping van de Messias niet uit de weg, aanvaardt deze Joodse daad, geeft er zelfs een motivering voor; maar ziet de toekomstverwachting van Christenen en Joden parallel lopen in de tijd, elkander aanvurend, tot naijver prikkelend (7), en vertrouwend dat deze lijnen elkander in de oneindigheid, de eeuwigheid, zullen vinden. U denkt hierbij aan het perspectief, de doorzichtkunde.
Was de beproeving van Job een ervaring zonder voorafgaande schuld - of het moest de erfschuld zijn die Job niet persoonlijk had bedreven - de schrijfster ziet terdege, dat het Joodse volk deze beproevingen zelf over zich heeft gehaald.
Niet door de roep "Zijn bloed kome over ons en onze kinderen", zoals de kerk eeuwen door heeft beweerd. Want niet het Joodse volk, maar het leidende Sanhedrin heeft het proces gevoerd, in nachtarbeid zij het met alle konsekwenties voor het volk. De grote meerderheid van dat volk riep hosanna, zag in Jezus de Messias, en was teleurgesteld in de volstrekt ongewenste afloop.
Het proces moest dan ook voor de feestdagen klaar zijn, om een oproer te vermijden.
Het Joodse volk heeft echter Gods beproevingen over zich gehaald, precies zoals het broedervolk, de Tien Stammen, dezelfde verstrooiïng opeiste, door de verlating van Gods verbond.
De schrijfster, die weliswaar meest over Joden spreekt, vergeet geen ogenblik dat Israël uit 12 stammen bestaat, welke gelijkelijk in het wereldlot participeren.
Ze ziet de Joden dan ook als een deel, een vertegenwoordigend deel, van Gods volk. Ze kent dan ook Gods beloften voor een komende hereniging van de 12 stammen. (8)
-0-
Is zij in dezen stralend optimist vanwege haar geloof in Gods onverbreekbare beloften, ze negeert allerminst de ontaarding, de dreigende zelfvernietiging van de bestaande wereld. Na de gruwelen van de laatste wereldoorlog zijn middelen gevonden, die de wereldbevolking diverse malen zouden kunnen vernietigen. De ervaren wreedheden van het Hitler-regime hebben het wereldgeweten bekend gemaakt met deze mogelijkheden, ons geweten onwerkzaam gemaakt. We spreken over een nucleaire oorlog, we maken er televisiespelen over, we zijn ermee vertrouwd, we huiveren er nog nauwelijks over. Al deze dingen moeten geschieden en nog is het einde niet.
De paradox van een wereld die zichzelf naar de ondergang schijnt te jagen - en van een God, Schepper, Vader der mensheid, die niet wil dat er één mens verloren gaat maar dat zij allen tot bekering komen en leven. . .. die paradox verbijstert ons. Toch ziet de schrijfster iets van evangelisch licht. Onze God, de God der Joden, de God van de aartsvaders, is geen bloedwreker, geen beul - maar is diep bewogen over Zijn dwalend schepsel, dat Zijn eer aantast, Zijn evenbeeld vermoordt en zichzelf in duisternis brengt. De schrijfster begrijpt dat God een boete over deze wereld brengt, een bestraffende les voor Joden en mensheid, opdat uiteindelijk de zaligheid voor deze wereld zal losbreken. Want God de Heere heeft een welbehagen in Zijn schepping en wil een vrederijk regeren, om Zich over allen te ontfermen. (9)
Wij christenen, zij Joden, zijn vooruitgeschoven pionnen van dat vrederijk, dat niet door kracht of geweld, maar door recht en gerechtigheid moet aanlichten; gedragen door ons aller geloof: dat de liefde tot God en de naaste alle poorten der hel overwint. En wat de Satan betreft: hem is een korte tijd gegeven (10), die hij zo slecht mogelijk gebruikt.
Maar hij zal voor goed worden overwonnen en opnieuw beschaamd afdruipen. En de dood zal niet meer zijn: God te kennen en zijn Messias ..... dat is het eeuwige leven.
(11) 1) Gen, 36:10, 11; 1 Kron. 1:35,36 - 2) Job 42:16, 17 - 3) Rom. 11:2 - 4) Gen. 12:3; Zach. 8:13 - 5) Rom. 11:26)Zach. 4:6-7) Rom. 11:11-8) Amos9:11, 12; Jes.11:13-9) Rom. 11:32 - 10) Op. 12:12; Op. 16:9 - 11) Joh. 17:3.