De ambten open voor de zusters?

1988-02-12
  • Jaargang 32
  • nummer 6
2. De "Verantwoording" van de kerk te Eindhoven
Omdat deze in de nummers 35 t/m 39 van de vorige jaargang van OPBOUW is afgedrukt, zal ik niet breed citeren. Wie wil, kan het stuk erbij nemen.
De opzet van de verantwoording is als volgt: eerst worden enkele lijnen getrokken door de Schrift waarin de voortgang van het heil en het werk van de Heilige Geest onder de aandacht wordt gebracht; daarna worden enkele belangrijke schriftgedeelten behandeld. Die volgorde is niet toevallig en mijns inziens ook niet juist. Wie eerst grote lijnen trekt, zal daarna de kleine teksten niet zoveel aandacht meer schenken.
Vooral wanneer de lijnen een "voortgang" aangeven, kunnen de teksten als tijdbepaald (niet: tijdgebonden) van hun gewicht worden ontdaan.

De broeders uit Eindhoven stellen zich zeer duidelijk op de grondslag van Gods Woord. Dat maakt een gesprek mogelijk, waarin we als broeders de diepte van de boodschap van het evangelie mogen peilen en de konsekwenties van het evangelie voor ons kerkelijk leven vandaag mogen zoeken in gehoorzaamheid aan Gods Woord.

Daarom het volgende:

1a. In de verantwoording wordt de parallel getrokken tussen slavernij en de man-vrouwverhouding. Is die vergelijking wel eerlijk? Bewijs ontbreekt dat het om gelijke zaken gaat! In dit kader wordt gewezen op het geleidelijk herstel van de verhoudingen. De Geest van de HERE moet het doen, niet de geest van de revolutie. Dat is zeker waar, maar kan dit op dezelfde wijze gezegd worden van de kerk als van de wereld?
Om maar eens een voorbeeld te noemen: wanneer de overheid in Zuid-Afrika de apartheid wil afschaffen, dan heeft ze een lange weg te gaan. Het kwaad zit zo diep ingebakken in de mentaliteit en de maatschappelijke strukturen, dat een afschaffing, op korte termijn niet haalbaar is. Maar in de kerk? Is het te verdragen, dat blanken niet met zwarten aan één avondmaalstafel willen zitten? Dat gaat in tegen het hart van het evangelie, in de kerk is dan een radikale keuze vereist. Het is dan ook niet waar, dat het christendom in kerkelijk opzicht niet revolutionair was. Geen Jood uit de eerste eeuw, die dat zou zeggen! Heel het optreden van Jezus, m.b.t. vrouwen bijvoorbeeld, was ronduit schokkend. Vrouwen in zijn gevolg, Hij sprak met een Samaritaanse vrouw. Hij liet zich door een publieke vrouw de voeten zalven. Ook de gang van zaken in de kerk na Pinksteren was voorveeljoodse christenen een bittere pil. Paulus vertelt, dat zelfs Petrus hierin wel eens verkeerd heeft gedaan.
Maar zeer radikaal werd, naar we weten uit het Nieuwe Testament, aan iedere bedreiging van het evangelie weerstand geboden. Daarom gaat de parallel tussen slavernij en man-vrouwverhouding niet op. Het is ondenkbaar, dat de Here Jezus zou hebben aanvaard, dat de helft (minstens!) van zijn kerk gediscrimineerd zou worden, omdat de wereld eromheen er niet aan toe was, dat vrouwen in de kerk leiding gaven.

1b. Dat hangt samen met het tweede punt, waarop ik graag de aandacht wil vestigen: wat wordt er eigenlijk bedoeld met de tekst: "In Christus is mannelijk noch vrouwelijk", Galaten 3: 28.
Waar richt Paulus zich tegen? Dat de brief aan de Galaten tegen de Judaïsten gericht is, christenen met een te sterke joodse inslag mag als bekend worden verondersteld. Dat hij dan ook in Galaten 3: 28 drie vormen van discriminatie afwijst, namelijk Jood-Griek, slaaf-vrije, man-vrouw, is niet toevallig.
De Joden baden namelijk iedere ochtend: "Ik dank U, God, dat ik niet als heiden geschapen ben, dat ik niet als slaaf geschapen ben en dat ik niet als vrouw geschapen ben."
Vrouw-vijandelijker is bijna niet mogelijk.
In de tijd na het Oude Testament is de positie van de vrouw danig verslechterd.
Er kwam een aparte voorhof voor de vrouwen, aparte plaatsen in de synagogen, een vrouw was een wezen van de 2e rang. TEGEN DIE ONTAARDING IS PAULUS' TOEPASSING VAN HET EVANGELIE GERICHT.
Dus niet tegen de situatie na de zondeval, zoals de Verantwoording suggereert.
De ruimte ontbreekt om na te gaan, hoe vrouwen zich gedroegen in het Oude Testament, maar wie Spr. 31 leest, zal al overtuigd wezen, dat de positie van de vrouw, hoewel ze haar man "heer" noemde, beslist geen minderwaardige was. De eigenheid van het man-zijn en de eigenheid van het vrouw-zijn staat hier niet direkt ter diskussie, wel de gelijkwaardigheid van man en vrouw.
Juist hier ook gaat de Verantwoording mijns inziens in de fout. De 'grote lijn' loopt scheef!
Ik ben er niet van overtuigd, dat de voorschriften uit het Nieuwe Testament zo tijdbepaald zijn. Bij de bespreking van het slot van de Verantwoording daarover iets meer.
Mijns inziens heeft de kerkeraad van Eindhoven er verkeerd aan gedaan de "doorgaande lijn" in de Heilige Schrift als basis voor de conclusie te nemen.
Lijnen zijn pas te trekken, wanneer de teksten zijn geëxegetiseerd. Anders wordt de exegese monddood gemaakt en dreigt het gevaar van 'heersen over de Schrift' door de theologie.

2. Dan de teksten. Vanuit het voorgaande is te begrijpen, dat een brede bespreking ontbreekt. In plaats daarvan worden slechts de scheppingsvolgorde Adam-Eva behandeld en de "zwijgteksten ". Op dit punt is de Verantwoording mager. Juist hierover zullen we met elkaar moeten spreken. Zo ontbreken volledig de schriftgedeelten, waarin staat, dat de man het hoofd is van de vrouwen dat de vrouwen aan haar mannen onderdanig moeten zijn. Hier liggen nog vele vragen op een antwoord te wachten. Enige bestudering van dergelijke teksten hebben mij namelijk tot de overtuiging gebracht, dat deze woorden, die in onze door de tijdgeest geïndoktrineerde oortjes zo autoritair en masculien klinken, in werkelijkheid een andere betekenis hebben dan op het eerste gezicht lijkt. Het is een zijpaadje, maar ik wil dat proberen te illustreren met wat de Verantwoording zegt over 1 Timotheüs 2 : 12. Het daar gebruikte woord, in de Nieuwe Vertaling weergegeven met "gezag hebben over" zou, volgens de Verantwoording betekenen: "op eigen gezag handelen, (met passering van de bevoegde instanties)". De betekenis van dit woord is niet zo gemakkelijk in beeld te krijgen, maar stel dat dr Holwerda, die-naar ik meen met deze vertaling is gekomen, gelijk heeft, dan is dat "passeren van de bevoegde instanties" zeer duidelijk. Die bevoegde instantie is namelijk de man. Niet de man als de baas, het hoofd van de afdeling, maar de man als hoofd van zijn vrouw, als het hoofd van een lichaam, zoals Christus het Hoofd van zijn gemeente is (Efeze 5!) Dezelfde notie zit in het werkwoord, dat met "onderdanig zijn" wordt vertaald, bijvoorbeeld in Efeze 5: 22: hypotassomai is het plaatsnemen in de taxis, de orde, de plek waarop je gesteld bent. Je plaats weten. "Onderdanig zijn" is een te eenzijdige vertaling, die misverstanden wekt.
De broeders van Eindhoven doen ons m.i. te kort, wanneer zij ons afschepen met die twee korte stukjes aan het slot.
De inhoud is gekleurd door het voorgaande, helaas. In het eerste wordt Paulus' betoog, dat eerst Adam is geformeerd en daarna Eva (de volg-orde bij de schepping) ontkracht met een lang verhaal over Adam als hoofd en niet als man. Maar hier gaat het nu juist over: de man als hoofd. De scopus van 1 Timotheüs 2 vanaf vers 9 is om te laten zien, hoe fundamenteel de houding van de vrouw ten aanzien van de man moet zijn! Paulus argumenteert met het scheppingsverhaal, niet met cultureel bepaalde argumenten of met gevolgen van de zondeval. Al vanaf de schepping der wereld is duidelijk, dat man en vrouw niet onderling verwisselbaar zijn, maar ieder hun eigen plek hebben ten opzichte van elkaar (1 Korinthe 11 : 8 en 9). Hoe dit konkreet in te vullen vraagt nader onderzoek. Het is dan ook merkwaardig, dat in de Verantwoording het trefwoord 'eenheid' is geworden; de "gegeven eenheid" zou in gevaar komen, als bij de schepping. Het passeren van de man door de vrouw is volgens de raad van Eindhoven een negeren van de in den beginne gegeven eenheid. Dit past niet in 1 Timotheüs 2.
Een vrouw moet zich in alle onderdanigheid laten onderrichten, niet, omdat anders de eenheid in gevaar komt, nee, Paulus bedoelt: anders komt de eigen plaats van de vrouw (en de man) in gevaar, namelijk, in de erkenning dat haar man het hoofd is. Wanneer de redenering van de Verantwoording juist zou zijn, kun je je afvragen, of het omgekeerde niet even hard geldt: mag de man dan spreken met passeren van zijn vrouwen mag Paulus van de vrouw vragen, dat ze thuis haar man om opheldering vraagt? Komt dan de eenheid niet in gevaar?

3. Ondanks bovenstaande kritiek wil ik tenslotte, een deel van de Verantwoording met instemming aanhalen. "De kerk schrok pas wakker toen de beweging van de vrouwen-emancipatie al lang op gang was gekomen. "Het proces van gewenning deed zijn werk, maar een principiële positiebepaling ontbrak veelal."

Inderdaad heeft de emancipatie-beweging veel goede dingen gebracht met betrekking tot de man-vrouw verhouding in de huwelijken van christenen.
Te kritiekloos is m.i. als uitgangsmodel voor de praktijk aanvaard: de man de baas, de carrière, de opleiding, de vrouw het aanrecht, de huishouding en de kinderen. Man en vrouw zijn in het huwelijk één, een dergelijke scheiding van leefwerelden kan niet goed zijn. Het is goed, dat de raad van Eindhoven daarop wijst. De vraag is alle~n: hoe nu verder? We zijn als christenen meegereden met de trein van de emancipatie; tijd om uit te stappen voor het te laat is.
Ik ben bang, dat een bezinning op de manier van de Verantwoording ons principieel niet verlost van de geest van de tijd. Wanneer de grote lijnen onze houding bepalen, zullen we in de konkrete invulling toch weer afhankelijk zijn van wat we ingestampt krijgen via t.v. en damesblad. Zorgvuldig nadenken over de vele schriftgegevens moet ons verder helpen. Want die gelden wel degelijk ook voor ons. In de kerk van Christus is de Geest niet in tegenspraak met Zichzelf. Geleid worden door de Geest is onderwezen worden uit het Woord.
Dan zullen mannen en vrouwen, ieder op hun eigen plaats, naast elkaar gestalte kunnen geven aan wat God met de schepping heeft bedoeld, toen Hij Adam en Eva schiep. Vrouwelijke ambtsdragers passen daarbij niet.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief