Een brief

1989-07-21
  • Jaargang 33
  • nummer 15
Dit voorjaar, om precies te zijn in het Opbouw-nummer van 17 maart 1989, verraste dr. H.G. Geertsema ons met een fijnzinnige meditatie over 'De Twee van Breda' en Psalm 51, waarin hij een christelijke verdieping aanbracht in wat de Nederlandse samenleving gedurende die weken zozeer beroerd had: de vraag immers of de twee oorlogsmisdadigers Fischer en Aus der Fünten ja of nee zouden (moeten) worden vrijgelaten.

Geertsema's stuk trof mij diep en herinnerde mij aan een gebeurtenis die ikzelf bijna al weer vergeten was. Bij een vorige nationale diskussieronde over hetzelfde netelige vraagstuk had ik namelijk, de spontane aandrang van mijn hart volgend, een brief aan het bekende tweetal opgesteld. Om die nu echter als predikant ook werkelijk naar hen toe te sturen meende ik de toestemming van kerkeraad en gemeente nodig te hebben. Die kreeg ik en zo is het gebeurd dat ik mijn brief heb opgezonden naar de Koepelgevangenis in Breda.
Toen ik na lezing van de meditatie van Geertsema het afschrift van mijn brief dat ik behouden had weer opzocht en voor mij nam, werd ik getroffen door de grote overeenstemming tussen beide stukken. Niet in lengte, maar in geest. Om een paar dingen te noemen: wij beiden zochten naar de mensen achter deze misdadigers, de twee mensen in hun bovenmenselijke nood. Beiden verwezen we voorts naar de Goddelijke vergeving in Christus Jezus, ook voor hen. Allebei getuigden wij van de (noodzaak van) voorbede voor hen. En ook allebei brachten wij bij het noemen van het buitengewoon grote leed dat zij veroorzaakt hebben het Joodse lijden afzonderlijk ter sprake.
Toch hadden wij over deze zaak nooit met elkaar van gedachten gewisseld.
Dat is opmerkelijk. Men zegt van de Nederlands Gereformeerde Kerken wel eens dat ze maar een los-vast kerkverband hebben. Kerken van een vastere struktuur weten ons dat niet zonder hooghartigheid duidelijk te maken en er zijn er onder ons die daar sterk van onder de indruk komen. Maar zolang de onderlinge geestverwantschap en verbondenheid zo duidelijk (want zo onopzettelijk) aan de dag treedt als hier voor ieders ogen gebeurt, hoeven wij voor het uiteenvallen van onze kerken niet te vrezen. Ik publiceer mijn opgezochte brief dan ook mede om een bewijs over te leggen van een stukje geestelijk kerkverband, niet eens het welwezen maar het wezen van de kerk rakende.
Ergens in zijn stuk verzucht dr. Geertsema van zijn schriftuurlijke overwegingen: “en ik zou willen dat ze het zouden horen…" Het gaat te ver wanneer ik wijzend op mijn brief zou zeggen: ziedaar, zij hébben het gehoord! Want helaas heb ik op mijn destijds verstuurde brief taal noch teken vernomen. Zelfs weet ik niet of hij wel te bestemder plaatse gearriveerd is. Ik heb dat toen wel vreemd gevonden. Misschien bestaat er voor zo’n handeling als het versturen van een brief aan gevangenen wel een protocol waaraan ik mij uit onkunde niet gehouden heb.
Maar de gevangenisleiding had mij dan toch in die zin kunnen antwoorden en mij de 'juistere' weg kunnen wijzen.
Of was het iets anders? Ik weet bij ervaring hoe moeilijk het is om als predikant met een gevangene in kontakt te komen. De aan zo'n inrichting verbonden geestelijke verzorging lijkt wel een volstrekt monopolie te hanteren. Of trof ik het slecht en is dat alleen mijn ondervinding? Mogelijk is ook nog dat mijn brief op de zeef van de organisatie is blijven hangen omdat men inhoud en toon maar: niets vond. En natuurlijk, het kan ook zijn dat de twee de brief wel ontvangen en gelezen hebben, maar dat het voor hen allemaal boter aan de galg gesmeerd was. (Ik noem deze mogelijkheid het laatst omdat ze in onze gedachte wel voorop zal staan ...) Allemaal gissingen, waaronder pijnlijke.
Ter verontschuldiging moge dienen dat het verdraaid onbevredigend is dat je op z'n brief niets terugkrijgt.
Dat komt over als een onmenselijke reaktie op een poging tot , humaniteit. Over de twee van Breda is veel tot zeer veel gezegd. Maar als er dan iemand iets tot hen wil zeggen, nota bene nadat zij zelf zich tot het Nederlandse volk hadden gewend, dan valt het stil. Dat lijkt een illustratie van wat dr. Geertsema signaleert als hij zegt dat hij de menselijkheid zo zeer gemist heeft in alles wat hij over deze zaak hoorde en las.
Toch is de vraag of de twee van Breda de brief van mij ook werkelijk ontvangen hebben, van ondergeschikt belang. Terecht stelde dr. Geertsema ons áller verwerking van het oorlogsverleden aan de orde. En
daar leveren zowel zijn prachtige meditatie als mijn oude opgedoken brief een bijdrage toe. Hier volgt de brief zoals hij destijds verstuurd is geworden:

Drs. H. de Jong
Nederlands Gereformeerd Predikant
Jan van Eijckstraat 2
1077 LJ Amsterdam


Amsterdam, 22 februari 1987
De heren F.H. aus der Fünten en F. Fischer in de Koepel-gevangenis te Breda

Mijne Heren,

U hebt nu onlangs voor de tweede maal in het openbaar voor de oren van het Nederlandse volk gezegd dat u van uw vreselijk gedrag in de jaren van de tweede wereldoorlog berouw hebt.
Eerst in 1972 en nu in 1987. De eerste keer met een verzoek om gratie, de tweede maal zonder zo'n vraag. Alom in ons land let men er nu op hoe de politiek op uw gebaar zal reageren. Ik treed daar als evangelie-dienaar niet in. U hebt om' zo'n reaktie trouwens niet gevraagd, Ik voel me gedrongen, niet in politieke, maar in christelijk-menselijke zin op uw schuldbelijdenis in te gaan. Ik zou u willen antwoorden wat Jozef zei tegen zijn broers toen die hem hun schuld beleden: "Ben ik in de plaats van God?"
(Genesis 50:19). Hij bedoelde te zeggen dat de broers hun schuldbelijdenis vooral zouden richten tot de Allerhoogste.
Dit wil ik u ook raden. Verwacht u de vergiffenis van uw zonden niet in de eerste plaats van mensen, maar van de Here God? Want om Jezus' wil vergeeft Hij gaarne, ook zelfs het grootste kwaad,
Wanneer u met uw schuld deze weg die wij u wijzen gaat, dan zult u mij en alle christenen in dit land noodzaken de Here God na te volgen en - een ieder voor zijn deel - u van harte vergeving te schenken voor wat u ons Nederlandse volk hebt aangedaan. Echte christenen zullen immers hun medemens die om Christus' wil hen om vergeving vraagt, de broederhand niet (kunnen) weigeren. De vraag of u op uw hoge leeftijd de gevangenis zult mogen verlaten, ja of nee, is daarmee in geen enkel opzicht beantwoord.
Ik wens u de kracht van de Heilige Geest toe dat Hij u er toe mag brengen om uit de diepste grond van het hart met de woorden van de verloren zoon uit de gelijkenis tot het Nederlandse publiek en in het bijzonder tot het Joodse volksdeel in zijn midden te zeggen: "Wij hebben gezondigd tegen de hemel en voor u" (Lukas 15:21).
In deze zin zal ik ook voor u bidden.

Hoogachtend,

H. de Jong

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief