Toerusting van Franstalig Afrika (2, slot)
1989-07-21
In het eerste artikel heb ik een korte schets gegeven van de Afrikaanse wereld, waarin we onze colleges hebben gegeven. Nu wil ik iets schrijven over de colleges zelf, want daarvoor waren we natuurlijk in de eerste plaats op pad gegaan.- Jaargang 33
- nummer 15
We moesten vroeg uit de veren, want we hadden onze colleges op de eerste uren in de ochtend (7.30-9.30 uur). Ds. De Jong had een groot gehoor (27 studenten), omdat men hem het vierde en vijfde jaar had toebedeeld. Ik had het derde jaar met een achttal studenten.
Ds. De Jong gaf het vak Theologie van het Oude Testament. In dat onderdeel van de bijbelse vakken worden de hoofdlijnen en de kernpunten van het OT belicht. Ds. De Jong heeft twee weken college gegeven over één van die kerngedeelten uit het OT, nl. Jesaja 53 (het hoofdstuk over de lijdende knecht). Hij nam daartoe een lange aanloop vanuit hoofdstuk 40, waarna de behandeling van Jesaja 53 als indrukwekkend sluitstuk volgde: In de laatste week kwam de profeet Habakuk nog ter sprake.
Ik gaf tegelijkertijd aan het derde jaar de colleges Theologie van het Nieuwe Testament. Ook daarbij ging het weer om de kernpunten en de hoofdlijnen, in dit geval van de nieuwtestamentische boodschap.
Ik had de Hebreeënbrief tot thema genomen, waarbij ik enkele hoofdstukken had gekozen, waar de psalmen op markante Wijze worden uitgelegd.
Die keuze was niet toevallig. Ik vermoedde nl. dat het Nieuwe Testament, op zichzelf genomen, bij de studenten wel in de belangstelling zou staan, maar dat voor de verbindingslijnen met het Oude Testament niet veel oog zou zijn (vanwege de evangelisch-baptistische achtergrond van de meeste studenten). Het leek me toe, dat een college over de doorwerking van de psalmen in de Hebreeënbrief een goede aanvulling voor ze zou kunnen zijn. Gezien de reakties was dat ook wel het geval.
Ik koos de psalmen 2 en 110 (met Hebreeën 5 en 7), psalm 8 (met Hebreeën 2) en psalm 95 (met Hebreeën 3, 4).
We namen dan eerst de betreffende psalm, waarvan we de hoofdgedachten op het spoor probeerden te komen, waarna we de dag daarop verder spraken over het bijbehorend gedeelte uit de Hebreeënbrief.
Ik zal daarvan een voorbeeld geven, nl. het citaat van Psalm 8 in Hebreeën 2.
Voor dat citaat van psalm 8 moesten we wel de Septuaginta in, want de schrijver van de Hebreeënbrief gebruikte deze Griekse vertaling van het OT.
Na lezing van de psalm in het grieks vroeg ik de studenten naar inhoudelijke verschillen tussen de Septuaginta en de (hebreeuwse) masoretische tekst. Dit klinkt misschien wat ingewikkeld, maar u zou op een bijbelkring zomaar op dit versetul kunnen stuiten, wanneer u Ps. 8:5-6 vergelijkt met het citaat uit Hebr.
2:6-7. Ps. 8 heeft: Gij hebt hem bijna goddelijk gemaakt (letterlijk: Gij hebt hem weinig minder dan een God gemaakt) en Hebr. 2 luidt: Gij hebt Hem voor een korte tijd beneden de engelen gesteld.
Het verschil lijkt erg groot (weinig = voor een korte tijd; minder dan =; beneden; een God = engelen), maar de griekse tekst is een mogelijke vertaling van het Hebreeuwse origineel.
Maar wel een vreemde vertaling!
En die vreemde vertaling wordt benut door de Hebreeën-schrijver, en hoe!
Maar voordat we de stap maakten naar het Nieuwe Testament, liepen we eerst psalm 8 nog een keer helemaal door. Wat valt dan op?
Direkt is te zien, dat de psalm begint en eindigt met de uitroep: ,,0 Here, onze Here, hoe heerlijk is uw naam over de hele aarde".
Dat motto stempelt de psalm en die heerlijkheid wordt dan ook bezongen in de tussenliggende verzen. God toont zijn majesteit aan de hemel in maan en sterren. Gods heerlijkheid wordt zichtbaar in de mens, een schepsel, dat maar weinig voor God onderdoet en met heerlijkheid en luister is gekroond. "Alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd", zo valt te lezen in vers 7.
Hier is Genesis 1, 2 op muziek gezet, zou je kunnen zeggen.
Toch is de paradijselijke heerlijkheid in deze psalm niet ongebroken. Het is waar, de mens wordt bezongen in zijn grootheid in de slotverzen, maar in vers 3 openbaart diezelfde grootheid zich in het kwaad. En Gods heerlijkheid en macht moeten worden ingezet om deze vijand het zwijgen op te leggen.
Daarbij valt op, dat God voor zijn verlossingswerk een uiterst zwakke basis lijkt te kiezen, nl. de lofzang van kinderen en zuigelingen. Via die zwakke, dwaze weg krijgt God de grote vijand klein: Er is nog een tweede barst in de paradijselijke heerlijkheid, nl. in vers 5: "Wat is de mens, dat Gij hem ,gedenkt en het mensenkind, dat Gij naar Hem omziet". De verhouding God-mens is allerminst vanzelfsprekend.
Vergelijk dat eens met de ongecompliceerde paradijselijke omgang tussen God en mens. Hier in psalm 8 hoor je de. verbazing: hoe is het mogelijk?
Als je dan vanuit deze breuklijnen nog eens een keer naar psalm 8 kijkt, dan moet je zeggen, dat de psalm ongeschikt is om in deze harde wereld te landen. "Hoe heerlijk is uw naam op de hele aarde" of "alles hebt Gij onder zijn voeten gelegd", daar komen aarde en mens niet aan toe. Die onbereikbaarheid voel je ook, als je met psalm 8 het Oude Testament doorloopt ..op zoek naar iemand die deze psalm waar kan maken.
Bovenstaande overwegingen kwamen op het college aan de orde en daarmee was het college-uur van die morgen ruimschoots gevuld. De dag daarop namen we de sprong naar het Nieuwe Testament. Wat doet de Hebreeën-schrijver met psalm 8?
Psalm 8 landt in al zijn heerlijkheid en hoogheid niet in deze wereld, was de overweging van de vorige dag. De Hebreeën-schrijver laat de psalm dan ook neerkomen in de, toekomende wereld.
Die heerschappij van de mens over de komende wereld wordt uitgetekend m.b.v. psalm 8. Daarbij start de· Hebreeën-schrijver zijn citaat met die verbaasde vraag van psalm 8, waarin het problematische van de verhouding God - mens (wat is de mens, dat Gij hem gedenkt) zo scherp zichtbaar wordt, maar waarna vervolgens wél weer in paradijselijke sfeer doorgezongen wordt.
De Hebreeën-schrijver neemt precies dat gedeelte uit psalm 8 op en vult psalm 8 vervolgens met Christus.
Dé aanduiding 'Mensenzoon' gaf hem ook een prachtige aanleiding om dat te doen.
In de 'mens' uit psalm 8 zie je zo de contouren van de Mensenzoon opdoemen met in het spoor van de Leidsman de vele zonen (en dochters natuurlijk). De weg naar de heerlijkheid van de zonen blijkt dus op een indirekte wijze werkelijkheid te worden. Via het werk van de Mensenzoon.
De Hebreeën-schrijver gebruikt psalm 8 om de weg van de Mensenzoon te schetsen: voor korte tijd beneden de engelen gesteld, met eer en heerlijkheid gekroond, alle dingen aan Hem onderworpen.
De vele zonen worden door deze gang van de Mensenzoon tot heerlijkheid gebracht en krijgen in Hem weer perspectief op de heerschappij over alle dingen.
De eer uit psalm 8 (subtiel detail in de uitleg van de Hebreeën-schrijver) valt alleen de Leidsman ten deel.
Daarmee komen de spanningen van psalm 8 tot een voorlopige oplossing (want er blijft een 'nog niet zien'), waarbij Jezus, de verheerlijkte Mensenzoon, de garant is dat op een goede dag ook de zonen zullen delen in de volle heerlijkheid en de heerschappij .
Dat is in hoofdlijnen de stof die ter sprake kwam op twee college-uren Theologie van het Nieuwe Testament.
Daarmee sluit ik ook dit verslag af.
Alleen nog dit.
Het werk van de EvTA omvat ook het werk van Dick en Jeanette Westerkamp (Rwanda) en Christien Breman (die helaas vanwege ernstige ziekte terug moest komen naar Nederland). Het is zeer de moeite waard om de Nieuwsbrief van de EvtTA te lezen (secretariaat: Mevr. W.C.D. Wièrenga-Bremmer, tel. 050-136380).
Een gift voor het werk van de EvTA doet het natuurlijk ook goed (giro 9710, Stichting EvTA, Eck en Wiel).