Is er een derde weg? (2)
1989-07-21
- Jaargang 33
- nummer 15
II Wat betreft deze positiebepaling:
Helmut Thielicke signaleert twee theologische scholen van onze tijd en typeert die twee bewegingen met de woorden cartesiaanse en nietcartesiaanse theologie. Hij kiest voor deze twee typeringen naar de filosoof Cartesius of Descartes. Hij vindt dat beter dan de twee gebruikelijke typeringen: modern tegenover conservatief, want modern kun je een theologie van 200 jaar oud niet meer noemen en de conservatieven blijken in de praktijk helemaal niet zo conservatief, soms in bepaald opzicht zelfs progressief. Hoe dan ook, Thielicke ziet toch wel genoeg redenen om van twee grote stromingen te spreken.
Modern zelfbewustzijn
De één zet de moderne mens met zijn zelfbewustzijn in het centrum van zijn theologie. De ander gaat aan hem voorbij! Hij ziet de filosoof Descartes uit de 18e eeuw als het keerpunt. Descartes was ermee begonnen. "Alleen die waarheid die zich voor mijn zelfverstaan kan rechtvaardigen laat ik gelden." Dat was Descartes' devies. Nu, daarvoor is een hele school en stroming van theologen gezwicht en zij zochten in het moderne zelfbewustzijn van de 20e-eeuwse mens een plaats waar het evangelie kon en moest aankomen, een landingsplaats. Van Scheiermacher tot Stuhlmacher.
Thielicke zegt: "Het merkwaardige verschijnsel doet zich voor dat, zodra een theoloog daarin zijn uitgangspunt neemt, uit aanvankelijk goede bedoelingen nl. hoe kan ik die verlichte mens met het Evangelie bereiken? (dat) binnen de kortste tijd dat moderne zelfbewustzijn over de uitleg van het evangelie gaat heersen.
Want zodra ik die landingsplaats van het Woord van Boven heb aangewezen, wordt ieder voertuig of beter ieder vliegtuig, helicopter of vliegende schotel die niet op deze landingsplaats past, de toegang ontzegd. "Vlieg maar naar een andere vlieghaven," seinen de theologen luchtverkeersleiders. Wat bedoeld was als een communicatieve theologie (een uitleg van de bijbel die de moderne mens moest aanspreken in zijn afhankelijkheidsgevoel en zijn moreel besef, of in zijn besef van vervreemding, of zijn zoeken naar identiteit) werd zelf tot een voertuig voor dat moderne zelfbewustzijn.
In plaats van dat zelfbewustzijn in de krisis te brengen onder het kruis van Christus - kwam de openbaring onder dit juk te liggen en werden de theologen in plaats van bestrijders van het moderne levensgevoel juist de verspreiders van.die ziektekiemen.
"Daar kan ik niets mee"
Goede voorbeelden daarvoor zijn die theologen die niet meer durven, te spreken over wat God gedaan heeft in de geschiedenis - m.n. de opstanding van Christus - of zal doen bij Zijn wederkomst. Waarom niet? Omdat de moderne mens daar niets meer mee kan! Gevolg: het gebed verdwijnt en het evangelie wordt psychotherapie, of filosofie of politieke theorie. "Daar kan ik niets mee" wordt uitgangspunt dat beslist over de geldingskracht van de openbaring.
Op het vliegveld van Bultmann, zegt Thielicke, past de Boeing van de echt opgestane Heer niet meer, dus wordt hem de toegang ontzegd. Het is Hem eerder overkomen ... Precies zo zijn wat de bijbel leert over de duivel, of de hel, het huwelijk of over gezag of het oordeel, de Wederkomst of soms zelfs de persoonlijke God tot 'vehicula non grata' verklaard, omdat in deze theologie het moderne zelfbewustzijn heimelijk of openlijk tot norm en criterium is geworden van wat openbaring zijn mag. Die weg zullen wij als evangelieverkondigers in de20e eeuw niet opgaan ... en die weg zie ik vandaag lopen in de scholen van Bultmann, Breukelrrian en Moltman.
Maar wat staat hier tegenover?
Tegenover modern staat conservatief.
Maar Thielicke zei al: "Ik noem de laatste liever niet-cartesiaans, omdat het hoofdpunt van de orthodoxe tegenbeweging van dit modernisme dit is, dat het over de hoofden van de verlichte 20e-eeuwse mensen heenpreekt..."
De mondige mens staat hier niet alleen niet in het centrum, hij komt überhaupt niet ter sprake; hij of zij wordt aangesproken alsof er niets gebeurd is, alsof hij of zij nog steeds dezelfde is van 100 en 1000 jaar geleden.
Reproductie
De grondfout van de nietcartesiaanse theologie is naar Thielickes inzicht dat zij meent dat de waarheid van Gods openbaring tijdloos is en dat de taak van de verkondiger bestaat in het reproduceren van die ene en altijd gelijke waarheid.
De kerk dreigt dan een museum te worden. Maar dan een museum zonder originelen en met alleen maar reproducties. "Reproductie," (ik citeer) "is schijntrouw aan de waarheid. Het lijkt precies echt maar het is het niet. De waarheid komt alleen daar pas weer echt ter sprake waar ze opnieuw ondervraagd, verwerkt en begrepen wordt. De waarheid van de levende God die in Christus handelt in deze wereld, is geen dogma in de zin van een philosofische idee, die boven de werkelijkheid zweeft, maar nu door ons beaamd moet worden - het is een waarheid die wij nietautomatisch zien, die ons steeds opnieuw moet overkomen, ons moet verras"
sen en vernieuwen; ze vraagt om een door de Heilige Geest gewerkt steeds weer hernieuwd belijden.
Die cartesiaanse mens die wij allemaal zijn moet dus niet genegeerd worden of van tafel geveegd maar hij moet worden bekeerd. Echte verkondiging is dus altijd een proces van confrontatie. "Het Woord is vlees geworden." Dat vergeten de niet-cartesiaanse theologen.
Schijntrouw
Wat Thielicke hier onder woorden brengt is door H. Bavinck in een klein boekje over 'de zekerheid van het geloof' wel eens z6 gezegd: "Toen de vitale kracht van de Reformatie taande, kwam er een orthodoxie op, die niet meer zijn geloof beleed, maar die zijn belijdenis geloofde" (blz. 45). Dat is wat Thielicke bedoelt met de schijntrouw van de reproductie. Als preken duffe herhalingen worden van dezelfde waarheden, voorspelbaar naar inhoud en afloop, dan zitten wij midden in dit klimaat. Nieuwe vragen. komen zeiden ter sprake, de 20e-eeuwse mens mag er alleen nog maar bij zitten: hij zelf komt niet voor in het verhaal.
Tweeërlei gewaad
De niet-cartesiaanse theologie van Thielicke komen wij in Nederland tegen in tweeërlei gewaad, nl. een confessionalisme in de Reformatorische traditie en allerlei fundamentalisme in evangelische kring.
Zodra de bijbelse boodschap verstolt tot een pakket van in de geloofsbelijdenis van de kerk gehandhaafde en verdedigde leerstellingen· die je niet meer vanuit de Schrift opnieuw mag ondervragen, die je niet in een proces van er tegenaan botsen - en dan 'sympathetischkritisch' ondervragen - je opnieuw mag toe-eigenen, met weglating van aspecten die vroegere generaties boeiden maar ons onjuist voorkomen vanuit de Schrift - als dat alles niet meer mag, dan dwing je de theol6gieën tot reproducties, dan wordt de waarheid van de confessie je 'safeguard' waarbinnen wij ons veilig stellen en veilig voelen voor de levende uitdaging van God in deze tijd.
Fundamentalisme
Binnen de wereld van de evangelikalen kom je deze zelfde houding tegen bij de fundamentalisten. B. Wentsel heeft deze beweging goed getypeerd in zijn dogmatiek dl. 2. Hij onderscheidt terecht tussen fundamentalisme in bredere en in engere zin. Tegenover de verlichte mens opkomen voor het unieke van de bijbelse openbaring, in schepping, zondeval en verlossing door Jezus Christus - met alles wat daarin meekomt - mag je fundamentalisme noemen, maar het is geen -isme; het is fundamenteel christenzijn.
Het wordt pas tot een -isme als het beantwoordt aan een aantal kenmerken die Wentsel als volgt beschrijft (zie 13):
1. Het fundamentalisme gaat uit van het apriori dat de inspiratie het eerste dogma is van alle dogma’s.
Als de Schrift door de Heilige Geest onfeilbaar is geïnspireerd, dan komt deze van God zelf en is zij om die reden een vaste grondslag voor leer en leven. Alle andere waarheden rusten op deze hoeksteen van de onfeilbaarheid van de Schrift. Valt die weg, dan valt de hele openbaringswaarheid als een kaartenhuis in elkaar. Als er op bepaalde punten oneffenheden of tegenstrijdigheden worden aangetroffen, dan zaten deze niet in de oorspronkelijke handschriften en is dat aan de tand des tijds toe te schrijven.
2. Een hierbij in de 2e plaats behorende karaktertrek is de strijdbare houding tegen alle bijbelkritiek en modernisme en het bestrijdt deze in dezelfde rationele geest als waarmee het wordt aangevallen.
3. De Schrift spreekt met gezag op alle gebieden des levens. Bij een fundamentalist leidt dat tot de visie op de bijbel als een handboek voor iedere wetenschap waar hij direct de bijbel in stelling brengt en tegen evolutionisme en psychologisme met bijbelse gegevens strijdt.
4. Zij houden ervan hun geloof te belijden met skeletachtige formules i.p.v. zich te richten op de historische belijdenissen van de kerk.
5. James Barr voegt hieraan toe: "Er is geen echte openheid om de vraagstelling van de moderne mens onder ogen te zien en de eigen waarheid opnieuw te doordenken."
(Zie het bredere artikel hierover van ds. A. van der Dussen in de vorige nummers van Opbouw). Boeiender dan nu verder breeduit te gaan handelen over fundamentalisme en vrijzinnigheid, en in welke vorm zij vandaag voorkomen in ons land is de vraag hoe wij op die derde weg zelf posities zouden omschrijven en aangeven. Als Jesaja zegt: "Dit is de weg, wandelt daarop", welke weg is dat dan konkreet te midden van alle hermeneutische vragen?