Persschouw
1989-07-21
De laatste tijd lees ik, in verband met een onderzoek aan onze universiteit, nogal eens in de meditaties van dr. A. Kuyper. Het ging hem in deze meditaties met name om 'de verborgen omgang' met God. Ook daarin wilde hij zijn volgelingen helpen.- Jaargang 33
- nummer 15
Een paar dagen geleden las ik een opmerkelijke meditatie over het sterven van Jacob, naar aanleiding van Hebreeën 11 :21. Kuyper geeft in die meditatie zijn eigen visie op sterven. Hij wijst er op dat, in tegenstelling tot geboren worden, sterven een daad is. Als het goed is moet de gelovige er 'willig' uitgaan; sterker nog, als een 'held, die moedig doordrong, om jubelend bij zijn God te komen'.
Wel geeft hij onmiddellijk toe dat dit ideale sterven zeldzaam is. De Here onthoudt 'zulk een heroïek sterven, in vol bewust geloof' aan meer dan één. Hij erkent ook dat in het sterven een donkerheid over de ziel kan vallen, maar vindt dat we daar tegen moeten vechten. "Daarom mag niet toegegeven, dat men op zijn sterfbed zich willoos door zijn smarten en door zijn zwakheden maq laten overmannen. Nog in het sterven moet de wil, de moed, de veerkracht van het geloof tegen de zwakheid van het vlees worstelen. De geest, niet het vlees, moet in dit heilig ogenblik overwinnen. En dat is het wat Jacob deed. Hij sterkte zich om godzaliglijk te kunnen sterven. Had hij dit niet gedaan, ook hij ware allicht half onbewust ingesluimerd.
Maar dit deed hij niet. Zijn machtige geest schudde zich wakker. En zo kwam de Godverheerlijking in zijn sterven."
Kuyper wijst er verder het nadruk op dat Jacob heeft aangebeden. Het ideaal is dus dat in ogenblik van het sterven het geloof niet wijkt, maar standhoudt. Ja, "dat voor de poorte der eeuwigheid de taal van het geloof bezielder en krachtiger wordt" en dat de omstanders daardoor als het ware in de tegenwoordigheid Gods geplaatst worden.
Toen ik dit allemaal las, kreeg ik toch het gevoel dat Kuyper hier erg theoretisch bezig was. Is dit de gewone werkelijkheid van het sterven van gelovigen? Is het in de regel niet zo dat wij zelf weinig te zeggen hebben over de wijze waarop wij sterven?
Ik vroeg me ook af: hoe is Kuyper zelf gestorven?
Twee dagen later kreeg ik het antwoord op die vraag. Ik ontving toen nl. het boekje Gesprekken met Kuyper (Historisch Documentatiecentrum aan de VU, 35 blz., f 15,-).
Hierin vinden we aantekeningen van de gesprekken die A. W. F. Idenburg in 1920, gedurende de laatste weken van Kuypers leven, met hem gevoerd heeft. Die aantekeningen zijn in 1987 weer boven water gekomen, toen men in de archieven van het voormalige Kuyperhuis een blauw cahier met deze aantekeningen vond.
Naast allerlei zakelijke, vooral politieke zaken die in deze gesprekken aan de orde kwamen, vinden we ook gegevens over Kuypers geestelijk leven. Op 22 oktober, ruim twee en een halve week voor Kuypers overlijden, zegt Idenburg: "U kent God zo lang en u hebt zo nauw met Hem verkeerd, Hij zal zich nu niet onbetuigd laten aan uw ziel." Kuyper antwoordt: "Ja, maar in dergelijke omstandigheden ontbreekt het normale religieuze besef."
Op 2 november ziet Kuyper er erg ingevallen uit. Hij is erg vermoeid.
Nadat Idenburg gezegd heeft hoezeer ze hem allemaal liefhebben, opent Kuyper de ogen en kijkt zeer verlangend met iets verheerlijkts in zijn oog en heft zijn hand op, hemelwaarts.
"Ik vroeg hem of hij verlangde om bij de Here te zijn - hij knikte bevestigend. Ik zeide hem toe: daar zal het goed zijn en zien wij elkander weder. Hij is ons Licht en ons Schild en onze Sterkte. Hij helpt ons er uit. Hij glimlachte blijde toen hij bevestigend knikte." Op 4 november: vraagt Idenburg hem: ,,Hebt u het benauwd gehad?"
Kuyper knikt ja; "Ik zeide dat de Here hem een toevlucht en sterkte is, krachtiglijk bevonden een hulp in benauwdheid (Psalm 46:1, Staten Vertaling). Hij knikte bevestigend en glimlachte verheugd. Ik vroeg: Kan ik ons volk zeggen dat u dat zo ervaart? Hij antwoordde bevestigend."
Op 7 november zegt Idenburg tegen Kuyper: "Met Christus te zijn is verreweg het beste. Hij knikte ja:" De volgende dag wordt Idenburg telefonisch opgeroepen. Kuyper wil graag dat hij komt, maar als Idenburg arriveert, is Kuyper al te ver weg en reageert niet meer. "Weldra verviel hij in wat een slaap leek. Hij kon het slijm bijna niet meer verwijderen, Tegen 4 uur begon de hand koel te worden, Te 5uur was de pols niet meer te voelen en kwamen de kinderen in de kamer ... Tegen half 7 (of 6 uur) blies hij zeer zacht en kalm de laatste adem uit."
Als ik Kuypers meditatie en het verhaal over zijn sterven vergelijk, dan blijkt er toch nogal wat verschil te zijn. Ik denk dat hij in zijn meditatie, hoe goed ook bedoeld, toch meer gezegd heeft dan hij zelf later waar kon maken. We kunnen soms in onze theologie hele 'kastelen' bouwen, maar de werkelijkheid is vaak heel anders dan onze theologische theorieën.
Uiteraard spreek ik hiermee geen oordeel uit over Kuypers sterven.
Wat Idenburg er ons van vertelt, kan ons alleen maar jaloers maken.
Kuyper is inderdaad gestorven zoals hij geleefd heeft: in het vertrouwen op zijn Heer. Iedere gelovige kan alleen maar hopen dat het hem of' haar evenzo vergaat.
Het hoeft echt niet allemaal zo 'heroïek' te gaan, als Kuyper in zijn meditatie het ons tekent: "Niet zacht en kalm, maar strijdenden overwinnend in zijn Heiland sterven." Ik denk dat we daar aan het einde. zelf nauwelijks meer iets over te zeggen hebben. Hoezeer het ook waar mag zijn dat sterven een 'daad' is, het is voor velen in onze tijd, waarin medicijnen vaak een grote rol spelen, met name de laatste dagen, lang niet altijd een bewuste daad. Het sterven vindt nogal eens plaats in een soort schemertoestand.
Daarom is het goed dat we ons er op voorbereiden, wanneer de geest nog helder is en er nog met elkaar gesproken kan worden. Voor de laatste dagen en de laatste ogenblikken zijn dan de korte zinnetjes die Idenburg tegen Kuyper zei genoeg. Meer dan genoeg! Wat zou een mens meer 'nodig hebben dan het vertrouwen, dat "met Christus te zijn verreweg het beste is?”
K. Runia
Dit artikel lazen wij in het 'CENTRAAL WEEKBLAD'. Wij zijn het met Prof. Runia eens. In het zicht van een plotseling naderend sterven houdt door Gods genade het geloof wel stand maar funktioneert het soms niet. (goed) meer. Het lichaam wil niet meer mee. Men heeft op dat moment de handen vol aan zichzelf. De geest raakt omfloerst en verward. De kreet: "HERE, red mijn teven!" resteert nog. Als je dreigt te stikken vraagt God niet van je; dat je even vlot een artikel van de Apostolische Geloofsbelijdenis opzegt. Ook komt men er dan achter, dat al die prachtige betitelingen van God in de hemel, die wij vaak in onze gebeden hanteren, op dat moment niet meer in ons opkomen. We komen zelfs niet aan de aanhef of één van de beden van het 'Onze Vader' toe, terwijl Christus dit gebedsmodel ons toch Zèlf geleerd heeft. Het hoeft ook niet. De HERE luistert misschien meer naar rauwe kreten dan naar keurige gebeden. Een mens zoekt in zijn leven een antwoord. Als iemand zich puur eenzaam voelt schaft hij zich bv. een hond, een kat of een kanarie aan. Hij praat regelmatig: tegen zo'n dier en gebruikt daarbij een eigen taal. Zo zoekt de mens in de wirwar van de tijd en in de nood van zijn bestaan naar een antwoord.
Hij kan het alleen niet af. Hij wil niet alleen zijn. Hij kan daar in doorsnee niet tegen. Als hij werkelijk de God van de Bijbel zoekt zit hij op de goede toer. Die God zal hem nl antwoorden op zijn eigen manier. Hij is immers een God van onbegrensde, mogelijkheden.
Maar antwoorden en helpen doet Hij! En mèt Christus zijn is meer dan bij Christus zijn. Bij Christus waren destijds ook de Farizeeën en Sadduceeën.
Zij zaten Hem om zo te zeggen op de hielen. Het betekende echter geen aksentuering van kommunikatie maar van distantie. Met Christus zijn opent het perspektief op de eeuwigheid. Het houdt in, dat je dan ononderbroken mag delen in zijn volle gemeenschap. Die christelijke hoop, die door de verkondiging van het Woord van de Geest wordt gevoed, maakt niet beschaamd!