Op het scherpst van de snede
2007-11-09
Het verhaal gaat, dat koning Frederik de Grote van Pruisen eens een beslissing moest nemen in een zaak waar voors en tegens aan verbonden waren. Twee hovelingen die voor hem stonden, bepleitten elk één van de twee standpunten. Toen de eerste uitgesproken was, zei de koning: je hebt gelijk. Toen de tweede klaar was, klonk het opnieuw: je hebt gelijk. Een derde hoveling die naast de koning stond, verhief toen zijn stem zeggende: dat kan niet, Sire! Het gelijk is óf bij de een óf bij de ander, maar niet bij allebei! Waarop de koning antwoordde: jij hebt ook gelijk. - Jaargang 51
- nummer 22
het lezen, eerst in de voorzomer en toen in de nazomer, van het boekje God en geweld in het Oude Testament van professor Peels uit Apeldoorn, waarin hij (in hoofdzaak) het gesprek publiceert dat hij in het blad Wapelveld, jrg. 56/57 met dr. S. Janse gevoerd heeft.
Vanuit de verlegenheid
Het is een boeiend gesprek geworden. De discussie is, voorafgaande aan het boek, gaande gemaakt door een studie van professor Peels over agressie en geweld in het Oude Testament. Daarin zet de auteur uiteen dat het thema geweld pas recentelijk opduikt in het theologische gesprek en dat het mede door de opkomst van de gewelddadigheid binnen de islam nu inmiddels een hot issue is.
Peels gaat na hoe christelijke theologen met het onderwerp omgaan en signaleert dat dat veelal neerkomt op een tegenover elkaar stelling van het Oude en het Nieuwe Testament, eigenlijk naar oud recept. Hij pleit voor een eerbiedig en geduldig lezen van de teksten en treft een vergelijking met andere godsdiensten van die tijd die het geweld vaak verheerlijken en nog veel gewelddadiger zijn dan de Bijbel. Hij laat zien dat het Oude Testament het geweld ontmaskert, begrenst, ontmoedigt, kritiseert en overstijgt.
In dienst van recht en vrede
Peels wil ook dat we letten op de kleinere en grotere verbanden waarin de dingen in de Bijbel gezegd worden.
Dat we een woord als Psalm 139:21: ‘Zou ik niet haten die U haten?’ niet los moeten maken van de verbondsrelatie tussen YHWH en zijn volk die gekenmerkt is door vurige liefde. De haat is de keerzijde daarvan. En inderdaad, zegt hij, is er een verschil tussen Oud en Nieuw Testament, maar niet in de zin dat er gaandeweg een humanisering intreedt. De nieuwtestamentische geweldloosheid is te danken aan het feit dat Christus het geweld van Gods toorn ondergaan heeft en dat betekent dat er sindsdien een geweldloze genadebedeling is aangebroken die overigens geen afstel maar alleen een uitstel van het gewelddadige eindoordeel behelst. Het beeld dat we in het geheel van de Bijbel van God krijgen is dat het geweld bij Hem in dienst staat van recht en vrede. Het geweld is bij Hem veilig. Daarom wordt door de verdrukte kinderen van God naar dit bevrijdende geweld uitgezien. Wij doen professor Peels onrecht als wij zijn benadering kenschetsen als een goed praten van het geweld in de Bijbel. Daarvoor is zijn verlegenheid met de geweldsteksten te groot en te oprecht. Hij blijft het een moeilijk onderwerp vinden waar hijzelf ook niet uit is. Wat hij aandraagt zijn dingen die bij al het problematische óók waar zijn.
Dat kan ik niet geloven!
Maar dan komt dr. Sam Janse en hij stelt aan dr. Erik Peels kritische vragen. Ontkomen wij aan keuzes?, zo vat hij het zelf samen. En met keuzes bedoelt hij dan dat we in de Bijbel zullen moeten schiften tussen wat acceptabel en wat niet acceptabel is. Hij belijdt dat hij niet meer achter de klassieke ‘leer aangaande de Heilige Schrift’ kan staan. Nu, dan zijn we gauw klaar, zult u zeggen, maar zo werkt het bij mij toch niet. Hij brengt mij niet weinig in verlegenheid met voorbeelden als van de opdracht tot uitroeiing van de Amelekieten: ‘Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel’ (1 Samuël 15:3). Dit is wat wij tegenwoordig genocide noemen, zegt Janse dan. ‘Mijn vragen liggen bij het punt dat mensen (in casu Israëlieten) geloven dat God hen de opdracht geeft om hele volken uit te roeien. Een goddelijke opdracht tot genocide. Dat kan ik niet geloven’. ‘En dat moet jij ook niet willen kunnen’, voegt hij in een latere gespreksronde toe. Let wel, Janse schrijft dit niet vanuit een zoete-lieve-Gerretjes godsgeloof. Ik citeer: ‘Ik weet dat geweld soms onontkoombaar is. Ik weet ook dat er bevrijdend geweld bestaat. Maar ieder die over ethiek heeft nagedacht, weet dat hier iets niet klopt in de verhouding van doel en middelen.
Hier krijgen mensen een opdracht om zonder onderscheid oud en jong, schuldig en onschuldig, mens en dier uit te roeien. Welk doel kan dit middel rechtvaardigen?’ (p.38/39). Janse wil het geweld bij God laten liggen. Bij Hem is het veilig. Eigenlijk zegt Peels dit laatste ook, maar Janse vindt dat in het genoemde voorbeeld het geweld bij God vandaan gehaald wordt en namens God in mensenhanden gelegd. Dat kan hij niet aanvaarden.
Tot zover een korte schets van de gedachtewisseling tussen Peels en Janse. Dit gesprek over God en geweld vraagt om een vervolg. Over twee weken wil ik een poging doen om daaraan een eigen steentje bij te dragen en zo het gesprek nog iets verder te brengen.