Boekbespreking

1988-03-18
  • Jaargang 32
  • nummer 11
Josia, de koning die faalde
De geschiedenis van koning Josia is een van de meest opvallende die we in het O.T. tegenkomen. Wie had ooit de opleving kunnen verwachten die Juda tijdens zijn koningschap ten deel viel, en dat na het jarenlange bewind van goddeloze koningen als Manasse en Amon.
Opleving of reformatie is dan ook niet het resultaat van zorgvuldige planning en programmering, maar is een geschenk van boven, onverdiende genade van God.
En wat heeft er tijdens Josia's bewind niet allemaal mogen gebeuren!
Als jong koning maakte hij al een begin met de reiniging van stad en land van de heersende afgodische praktijken. We mogen hier ook rekening houden met de invloed van zijn moeder, die afkomstig was uit orthodoxe kringen op het Judeese platteland.
Onder hem ontving de Wet van Mozes weer haar legitieme plaats. En heel het leven trachtte hij dien overeenkomstig te reformeren. Het was een tijd van opbloei, religieus en nationaal. Een verkwikkende oase in de dorre woestijn van Juda's koningengeschiedenis in de 7e eeuw. des te teleurstellender is het dan te moeten lezen over zijn ontijdige dood op het slagveld bij Megiddo in 609 voor Christus in de strijd tegen Egypte.
dat bericht komt toch als een anticlimax.
Moest hij nu zo aan zijn einde komen? Waarom bemoeide hij zich eigenlijk met de machtsstrijd tussen Egypte en Babel in die tijd? De macht van Assur was aan het tanen; Babel zag haar kans schoon daar voordeel uit te halen; maar ook Egypte wenste haar invloedsfeer uit te breiden naar het Syro-
Palestijnse gebied. Militair-politieke maar ook economische motieven speelden hier een rol. Josia had hier toch rustig buiten kunnen blijven? Alles ging zo gezegend toe in Juda. Moest dat nu op spél gezet worden voor deelname aan het politieke machtsspel van die dagen?

Wanneer we zoeken naar een antwoord op deze vragen, moeten we wel bedenken dat voor Josia de religieuze hervormingen niet los stonden van een veel grotere ontwikkeling.
ontvangen in 1. Kon. 23 en 2 Kron. 34 kunnen we opmaken dat God zelf wel een geestelijke opwekking wilde voor zijn volk maar geen staatkundig herstel.
De tijd van Juda als een zelfstandig koninkrijk was aan het aflopen. Sinds Josia is Juda nooit meer een zelfstandige staat geweest, ook niet na de ballingschap onder de Makkabeeën. Haar staatkundige rol was uitgespeeld. Als staat ging Juda ten onder in de ballingschap om eruit te voorschijn te komen als een gezuiverd volk dat God mocht dienen overeenkomstig zijn Wet zonder de politiek-sociale infra-struktuur van een eigen staat.
Men was als het ware terug gekeerd naar de tijd van voor de monarchie, toen slechts God koning was over het volk. De monarchie blijkt een' tussenspel te zijn geweest. Om volk van God te zijn had Israël de monarchie of welke staatkundige konstellatie niet nodig.
De trend die we zo menen te ontwaren in de geschiedschrijving van het O.T. is er een die zich weg beweegt van Israël als zelfstandige staat naar Israël als volk van God dat de Heere dienen moest zonder de ondersteuning van de politiek-sociale infra-struktuur van het Davidische koningschap.

Dat deze trend van betekenis is voor de kerk van vandaag, lijkt mij wel zeker toe.
Het zou gevolgen kunnen hebben voor onze theologische duiding van de staat Israël. Gaat het niet tegen de draad van de heilsgeschiedenis in, zoals we die in Josia's geschiedenis hebben zien lopen, om enige theologische betekenis toe te kennen aan de moderne staat Israël?
Maar we zouden ook een heel andere kant op kunnen gaan.
De kerk als Volk van God zal net als Israël van na de ballingschap het zonder politiek-sociale infra-struktuur moeten doen. Ze zal zich met geen enkel politiek systeem of staatkundig stelsel kunnen identificeren. Het kapitalisme of het socialisme, de monarchie of de sociaal-demokratie: met geen stelsel zal de kerk als Volk van God zich kunnen identificeren. Onder elk stelsel zal ze Volk van God kunnen zijn. Ze zal tot welke macht ook afstand hebben te bewaren, juist ook om haar profetische roeping tegenover de machten te kunnen uitoefenen. Ook zal de kerk afstand hebben te bewaren tot de zogenaamd Josia droomde ervan het oude rijk van David in al haar glorie te herstellen. Hij knoopte hiervoor aan bij de oude tradities die spraken over het verbond tussen de koning op Davids troon en God. Hij meende dat de religieuze hervormingen gekompleteerd moesten worden met het staatkundige herstel van het oude Davidsrijk.
Zo meende hij Gods wil voor Israël te mogen verstaan. Daarom, wat sinds de dagen van Salomo verloren was gegaan, moest herwonnen worden, totdat de aloude door God beloofde grenzen weer bereikt waren.
Vandaar dat hij een expansie-politiek voorstond. In dat licht moeten zijn huwelijken verklaard worden. Hij trouwde met een vrouw uit Libna, een plaats die al eeuwen tevoren was afgevallen van Juda. Een duidelijke aanwijzing dat hij zijn invloedsfeer wilde uitbreiden in de richting van Filistijnen en Edomieten.
Maar ook trouwde hij met een vrouw uit Ruma, in het noorden van Samaria, omdat hij zijn macht ook over het gebied van het vroegere Tienstammenrijk wilde uitbreiden.
Dat hij gezag en invloed had in Samaria, toen een assyrische provincie, blijkt wel uit het feit dat hij zijn religieuze hervormingen ook doorvoerde in de steden van Manasse en Efraimja tot in het gebied van Naftali, behalve ook nog in het oude gebied van Simeon dat al sinds jaar en dag onder filistijnse invloed had gestaan.
Zo was hij rusteloos bezig zijn mooie . droom, die trouwens ook een Hiskia al had gedroomd in zijn dagen, werkelijkheid te doen worden. Enjuist toen kwam Neko 11van Egypte opgetrokken om zijn macht te vestigen waar Josia bezig was zijn rijk te expanderen.
Met Assur alleen kon hij het wel klaren, een wereldmacht in neergang. Maar met een wereldmacht in opkomst erbij kon hij zijn dromen wel vergeten. Hij had andere plannen voor de regio. Zo trok hij op tegen Egypte en sneuvelde.

Het opvallende van Josia's geschiedenis is nu dat hij die in religieus opzicht zo zegenrijk mocht werken, in politiek opzicht volledig faalde. Religieus herstel mocht er plaats vinden, staatkundig herstel daarentegen niet. Het oude rijk van David werd niet opnieuw opgericht.
Uit de aanwijzingen die we christelijke staat. Waar die afstand niet in acht genomen werd, kwam het tot misstanden van allerlei aard tot grote schade van de kerk als Volk van God dat alleen in vertrouwen op Woord en Geest haar roeping in deze wereld heeft te vervullen.
Zo kan er kritiek worden geoefend op de zogenaamde Apartheidstheologie in Zuid-Afrika maar even zo goed op veel bevrijdingstheologie als in Zuid-Amerika. Waar de kerk partijganger wordt, van onderdrukkende blanken of van onderdrukte armen, wordt ze horig aan de politiek-sociale systemen waar de verschillende groepen voor staan.
Josia 's dood betekende feitelijk het einde van een era in de geschiedenis van Gods Volk.
Wordt het geen tijd dat we dat gaan inzien?

B. Wielinga, Richmond

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief