De Doleantie van 1886 en haar geschiedenis (3)
1987-01-09
Na wat we reeds hebben bezien, rest ons nog een tweetal bijdragen in het Doleantieboek.- Jaargang 31
- nummer 1
Hoofdstuk VIII is geschreven door DR D. TH. KUIPER (hoogleraar algemene sociologie aan de V.U.) en het handelt over "De Doleantie en de Nederlandse samenleving". Daarna volgt een "epiloog".
Dat hoofdstuk VIII sluit duidelijk áan bij wat in hoofdstuk I als dragende achtergrond van de Doleantie is getekend. De bewogen periode van 20 jaar ná 1870 doet ons, zo zegt de schrijver, vijf processen zien:
(1) toenemende maatschappelijke bedrijvigheid, sociale ontwikkelingen;
(2) verdere differentiatie van de samenleving (kerkelijk, politiek, cultureel);
(3) verdere pluralisering van de samenleving, onderlinge verbinding van organisaties op verschillende terreinen (begin van de verzuiling?);
(4) verdere democratisering van de samenleving en
(5) toenemende integrering van locale en regionale eenheden in de verschillende kaders van die samenleving (203).
Dat alles leidde tot een radicalisering, verscherping van tegenstellingen. processen die tot ver in de 20eeeuw zich deden gelden. Hij tekent hoe de "kleine luyden" en de "locale elites" daardoor beïnvloed werden, hoe doorwerking daarvan in kerkelijke kring niet tegen te houden was en dus plaatselijke gebeurtenissen opgenomen werden in landelijke activiteiten. Daardoor kon de Doleantie -.om zich heen grijpen, was er een politiek ontwaken van een bredere groep. "De Doleantie van 1886 was een van meerdere bewegingen in de. Nederlandse constitutionele "nachtwakersstaat", wier optreden 'leidde tot de transformatie van een samenleving; waarin het oude "particularisme" op basis van stad, streek en stand domineerde, naar een gedifferentieerde en gepluraliseerde samenleving, die in de eerste plaats werd gekenmerkt door in nationale verenigingen georganiseerde "particuliere, initiatieven" (239).
Het boek eindigt met een epiloog van de hand van dr O. J. de Jong, hoogleraar kerk- en dogmengeschiedenis aan de R.U. Utrecht. Hij tekent op bondige, duidelijke wijze in slechts 3 bladzijden het geheel: wat gebeurde, waarom, welke gevolgen het had. En speciaal voor hen, die in de Ned. Hervormde kerk achterbleven: "het noodgedwongen aanvaarden van, die richtingsverschillen, het moeten buigen onder een organisatie die weinig of niets meer liet zien van haar reformatorische afkomst dan alleen in enkele benamingen en termen" (242). Velen zullen zeggen: ja, maar de N.H. kerk is nu toch af van al die bestuurscolleges, reglementen enz. en in 1960 teruggekeerd tot een belijdende kerk? Inderdaad, op papier (jammer genoeg), in werkelijkheid is de richtingenstrijd ná 1886 en ook ná 1951 voortgezet, Met 40 bladzijden registers (literatuur, noten, een persoons- en plaatsnamenregister) sluit dit boek af. Gegeven de doelstelling die de redactie zich stelde, mogen we concluderen: een geslaagd boek. Wat opzet en inhoud betreft ook een lezenswaardig boek, goed gedocumenteerd. En toch…
Het is moeilijk onder woorden te brengen wat je in dit boek mist. Vandaar dat ik hier enkele gedachten laat volgen, waarin naar ik hoop uitkomt wat mij trof.
a. Als vaders in Israël in de familiekring de geschiedenis vertelden, waren ze er zó bij betrokken, dat ze zeiden: "wij zijn uit Egypte verlost, wij hebben in de woestijn dit en dat ondervonden" (Deut. 7: 20' e.v., Matth. 23: 35), hoewel het gebeurde in vroegere eeuwen plaats vond. Zo'n verbondenheid met het gebeuren in ·1886 tref je in het boek niet aan.
b. Daaruit is ook te verklaren dat je dankbaarheid voor dat .gebeuren mist. In 1936 kon er nog een "Gedenkboek bij het halve eeuwgetij der Doleantie verschijnen. Dát gedenken tref je nu in de verschillende bijdragen niet aan. Eerder is er het op-een-afstand-beschouwen van de gebeurtenissen van een eeuw geleden. Een pogen om wat er gebeurde enkel "wetenschappelijk verantwoord" weer te geven;
c. Geen "reformatie' van '86" dus, geen pogen tot uitdrukking te brengen hoe de Here Christus voor zijn gemeente zorgt, die beschermt en onderhoudt.
d. Dat alles behoeft ons niet, te verwonderen. Na de oorlog is er veel veranderd, zowel inde Ned. Hervormde kerk als in de Gereformeerde kerken (syn.). Eerstgenoemde is van haar reglementen losgekomen en zegt thans "belijdende kerk" te zijn en beide willen "samen op weg", wat met zich brengt dat grenzenflauwer worden en markante historische situaties niet altijd gelegen komen. Is dan hetr overwegend aandacht geven aan maatschappelijke en sociale ontwikkelingen en invloeden daarvan in kerkelijke gemeenschappen wellicht als een "vlucht" aan te merken? Ongetwijfeld zal lezing van het boek bij vele ouderen herinneringen oproepen aan de kerkelijke strijd in 1944 en 1968 e.v. jaren. Een soortgelijke strijd als die van een eeuw geleden, ook soortgelijke zonden zijn op te merken.
In dit verband wil ik nog twee brochures noemen, waarin gebeurtenissen rondom de Doleantie van 1886 beschreven zijn en die bovengenoemde manco's niet vertonen:
- een uitgave van dé Willem de Zwijgerstichting te Apeldoorn: dr R.H. Bremmer "Kuyper, Hoedemaker en de Doleantie" (90 bladzijden);
- een uitgave van de werkgroep "Gereformeerd Schoolblad": A. Janse , ,.Richtingdrijvers en gehoorzame knechten" (30 bladzijden). (Eerder gepubliceerd in "Uit de: geschiedenis der kerk").