Het Liedboek
1988-04-01
Lied 456- Jaargang 32
- nummer 13
Dit Lied neemt in de liturgie, als zegenbede in veel kerkdiensten, een belangrijke plaats in en is dan ook algemeen bekend en aanvaard. De bewerking is in eerste instantie van de hand van de bekende dichteres J aqueline van der Waals, die de eerste twee regels van strofe 1 als volgt weergaf: "Wil, 0 Bron van leven, ons Uw zegen geven". Naar onze mening is dit een betere tekst dan de nu luidende: "Zegen ons Algoede, neem ons in Uw hoede".
Zowel de aanduiding "Algoede" als de daarmee verkregen geaccentueerde "oe" -klank als gevolg van het melisme, zijn niet mooi. De melodie past uitstekend bij de tekst, mits ingetogen gezongen.
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 457
De dichter heeft dit eenvoudige Lied bedoeld voor de Zondag trinitatis (Zondag na Pinksteren) "waarin Gods heiligheid wordt geprezen naar diverse richtingen: Gods almacht, Gods eeuwigheid, Gods smetteloze heiligheid tegenover de zondige mens, God als de Schepper, Wiens naam door Zijn werken wordt geprezen. Men kan denken aan Jes. 6 : 3 als thema van het hele lied, de lofzang der cherubs, die in Openb. 4: 6-11 (en elders) nieuwtestamentisch tot de heiligen wordt uitgebreid.
De tweede regel van strofe 1 is uiteraard toegevoegd met het oog op de (vroege) kerkdienst". (Comp. p. 1046).
De vertaling van Bamard geeft in de tekst aan het slot van strofe 2 geen goed lopende zin: "waar Gij troont te midden al uwe englen".
De goede melodie moet vooral niet te snel worden gezongen.
Tekst: 3; melodie:3
Lied 458
Enige achtergrond-informatie is voor een goede beoordeling van dit Lied wel gewenst. Dit houdt enerzijds verband met de plaats die de Deense dichter, van het origineel, inneemt en anderzijds met het feit dat de bewerking e'"Vaneen onvolledige kennis hiervan aan het licht brengt. "Wat Grundtvig typeert is zijn heel eigen gedachtenwereld, die niet alleen tegenover de Verlichting stond, maar ook orthodoxie en piëtisme krachtig tegen de haren instreek, en tegelijk aan vele positieve elementen van alle drie plaats bood". (Comp. p. 538).
"Het specifiek Deense karakter, de verwevenheid van geloof en Deens leven, de grote taalschat, de overvloed van beelden en het zeer persoonlijke gebruik ervan, maken vertalen bijzonder moeilijk. Daar komt bij dat Grundtvigs liedkunst niet in het verlengde van min of meer klassieke gezangenstijlen ligt, maar dicht staat bij het 1ge-:eeuwse volkslied. Bijvertaling dreigt dan onwillekeurig het gevaar van aanpassing aan traditionele stijlen. Maar dan is het karakteristieke weg-vertaald. Verder mist het Deense kerklied uit de vorige eeuw het plechtstatige dat ons maar al te bekend is". (Comp. p. 542).
"Ondanks onvolledige kennis van de achtergrond, is toch veel van Grundtvigs eigen stem in de bewerking van dit lied behouden gebleven". (Comp. p. 1050).
Niettemin constateren we b.v. bij de vergelijking van d e strofe met de letterlijke vertaling van het origineel dat deze laatste toch belangrijk beter is: "Gij zijt in het heilige Woord dat Gij ons in harten en monden gaaft; Gij woont tussen onze lofzangen als de stem tussen de vogels in het woud; zo min als Uw Woord, zo min kan Uw koor, Uw zingend volk te gronde gaan".
Het thema keert bij Grundtvig telkens terug. Hij kende de vraag van Ps. 42: "waar is Uw God?", de afwezigheid Gods. Telkens vat hij dan het thema op van Rom. 10: 6-8: "Nabij u is het Woord, in uw mond en in uw hart, namelijk het Woord des geloofs, dat wij prediken" .
"In strofe 4 wordt pas helemaal duidelijk waar het in dit lied om gaat. Jammer genoeg wist de aanbrenger in 1961 nog niet, dat het gedicht werd naar aanleiding van het Evangelie van de Ie Zondag na Epifanie (6 januari), Lucas 2: 40-52, de 12-jarige Jezus in de tempel.
De letterlijke vertaling van strofe 4 luidt dan ook: "AI zijt Gij nog pas jonggeboren bij ons als de hoop die nog geen vleugels heeft, toch zijt Gij waarlijk Gods Zoon en het heir des hemels omringt U. Tot het losmaken van onze band is, evengoed als Gods hand, ook de vinger van de Almachtige in staat".
Het gaat om de prille aanvang van het nieuwe leven uit de doop". Vergelijking hiervan met de tekst van deze strofe in het Liedboek maakt de opmerking duidelijk: "Wij hopen op een revisie vooral van het 4e couplet in een eventueel herziene uitgave van het Liedboek".
(Comp. p. 1050).
"De melodie heeft iets eigens en het slot ervan is bijzonder karakteristiek".
Tekst: 3; melodie: 3.
Lied 459
De dichter van dit Lied, een vriend van Grundtvig (lied 458), was een echte romanticus.
Het zal dan ook geen verwondering wekken "dat het lied opvallend romantisch van karakter is: het beeld van de pelgrimsstoet die door de duisternis voortschrijdt is kenmerkend ervoor, herinnert aan duistere romantische schilderijen, doorflitst van bliksems en lichtglanzen. De idee, dat de mens een vreemdeling, een zwerver is, was trouwens bijzonder geliefd in de romantiek. Maar het lied is niet enkel een aardig voorbeeld van een voorbije (of misschien nooit voorbije) stijl, het rijst daar ver boven uit, het gaat wel over een zwerftocht, maar niet van een enkeling die niet weet waarheen, maar van een .gemeente veeleer, gericht op een doe~ en één in haar geloof'. (Comp. p. 1052). De tekst is matig, typerend is het herhaaldelijk voorkomende "door de nacht", terwijl de in strofe 2 voorkomende uitdrukking "broeder broeder" niet fraai is.
De mooie melodie heeft "iets van een processielied en past goed bij de tekst".
Tekst: 2; melodie: 3
Lied 460
Het origineel van dit Lied van de hand van de Engelse dichter Lijte is een bewerking van de 103e Psalm "Praise my soul, the King of Heaven". Het is nu "in een nogal vrije vertaling in het Liedboek opgenomen, uitgaande van het Engelse lied als lofzang, zonder Psalm 103 erbij te betrekken. In de Engelse tekst wordt telkens de 5e regel gevormd door een herhaald "Praise Him". In de Nederlandse tekst is dat gevarieerd naar gelang van de context in elke strofe.
Op deze wijze is de "titulatuur" ook meer gevarieerd! Er wordt gesproken van - en tot - de Koning, de Vader, de Heiland, de Heer, de Schepper". (Comp. p. 1054).
Een opmerking geldt de 4e regel van strofe 2: zegenend wordt Hij niet moe?" waar bedoeld is: "Hij wordt van het zegenen niet moe", terwijl we een vraagteken plaatsen bij de laatste regel van strofe 5: "Looft Hem, Die het al bewoog".
De melodie is gemakkelijk te zingen, maar het tempo moet voorkómen dat het lied al te stotend, te "marsachtig" klinkt.
Tekst; 3; melodie: 3
Lied 461
De dichter van dit, oorspronkelijk Engelse, Lied was een van de leiders van de Z.g. Oxfordbeweging, die ten doel had het katholieke element in de Anglicaanse kerk te versterken. Voortgekomen uit een laag-kerkelijk milieu, kwam hij tot de overtuiging dat de objectieve zekerheid gevonden wordt in het gezag van de kerk met als gevolg dat hij overging naar de R.K. Kerk. De huidige verzie van het lied betekent een verbetering t.o.v. die uit de bundel-1938. O.i. zouden nog enige correcties kunnen worden aangebracht b.v. in strofe 3, Ie regel: "Gods liefde is zo wijs en goed"; in strofe 2, 2e regel het woord zonde voluit schrijven; in strofe 7, 3e regel Woord met een hoofdletter.
Bij strofe 5 is het voor de verstaanbaarheid goed om te denken aan de strijd van Jacob bij de Jabbok: dan wordt de uitdrukking "man tegen man", als laatste inzet voor de strijd, aanvaardbaar.
De melodie is niet moeilijk. "Bij het zingen van regel 3 wordt door de gemeente dikwijls onnodige overhaasting aan den dag gelegd, waarna dan een willekeurige verlenging van de laatste noot volgt, zodat de melodie ritmische totaal ontregeld wordt. (Men zingt trouwens deze Engelse melodieën gewoonlijk te snel". (Comp p. 1059).
Tekst: 3; melodie: 3.