Ingezonden

1988-04-01
  • Jaargang 32
  • nummer 13
Febe
In zijn boek" Van huisgemeente tot wereldkerk"
laat de schrijver Dr G. J. D. Aalders een brief afdrukken van Gaius Plinius Secundus aan keizer Trajanus, als gouverneur van de provincie Bithynië in Klein-Azië, ten zuiden van de Zwarte Zee, blz. 27-29.
Waar het mij om gaat is de zinsnede: "Des te meer vond ik het noodzakelijk bij twee dienstmeisjes, die zij diakonessen noemen, door martelingen achter de waarheid te komen."
De waarheid is wát er precies gebeurt inde godsdienstoefeningen der eerste christengemeenten. Plinius vond alleen 'verkeerde, overtrokken superstitie'.
Maar dat terzijde.
Als ik de zin goed lees en tot me door laat dringen werpt dit een heel ander licht op Rom. 16 : 1. Paulus acht Fébe, het dienstmeisje, niet te gering om haar aan te bevelen.
Ik denk met name aan Hand. 2: 18: ,ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal ik die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren."

J. Siegers, Zutphen

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief