Van Schelfzee tot Sinaï (3)

1989-08-04
  • Jaargang 33
  • nummer 16
Bij de beschrijving van Israëls tocht worden niet alle pleisterplaatsen met name genoemd. Alleen maar die, waar sprekende hoogtepunten en dieptepunten te melden zijn, en ook nog vaak beide tegelijk. Zo past deze wijze van beschrijving in de tendens van het boek: de onmogelijke verlossingen van de HERE, als daar wat mensen betreft geen kijk op is.
In tegenstelling met plekken die aan de actuele gebeurtenis hun naam (her)ontlenen, zoals Mara en zo meteen Massa-en-Meriba, is Rafidim wel een vaste pleisterplaats geweest waar Israël kennelijk op gerekend had.

In het zicht van de haven ...
Merkwaardig is dat ze zich daar legeren en dat er geen water is. Er wordt niet gezegd waaróm dat er niet was. Het meest waarschijnlijk is, dat de Amalekieten de bronnen daar bezet hielden. De oase daar hoorde tot hun vaste steunpunten in de woestijn. En deze bezetting was een afdoende manier om het in hun ogen grote Israël, de concurrent, op de knieën te krijgen! Israël kan deze tegenslag niet aan.
Dat gebeurt vaker als we op een succes gerekend hadden. Zo ontvlamt een rechtsstrijd met Mozes, aan wie gebrek aan leiderscapaciteiten voor deze tocht wordt verweten (vgl. 1 Sam. 30:6). Net als in 16:8 verwijst Mozes hen naar de èchte Expeditieleider. Heel plastisch de woede van de mensen vertolkt in slot vs. 3: rebellie tegen de hele onderneming. Vanwege de veronderstelde opzet, hen eraan te wágen!
Het verwijt zoals het letterlijk geklonken zal hebben.
Mozes komt werkelijk ernstig in het nauw. Hij roept tot God, want standrechtelijke executie staat hem te wachten. De HERE lost deze uitdaging (jegens Hem) plus rechtsstrijd (tegen Mozes) op op een wijze die het onmiskenbaar maakt dat verlossingen alleen van Hèm te wachten zijn. Mozes moet vóór het volk uit gaan, enkele oudsten als getuigen bij hem, en ook de staf waarmee hij Gods vonnis heeft gewezen sinds de eerste plaag. Dus geen magisch voorwerp of iets dergelijks, maar de 'geleider' voor Gods spreken. Merkwaardig vs. 6: moeten we denken aan een rots of klip in de richting Horeb, en was Horeb vandaar (dus) te zien? Hoe dit zij: God zal daar als Heerser klaarstaan om Israël levenswater te geven. De tegenstelling met Zijn machtig doden van het Nijlwater springt in het oog. Op die manier wordt een bron voor het volk ontsloten, omdat God 'er op stáát'!
Het gebeuren komt later in het Evangelie steeds terug, o.m. via het Loofhuttenfeest in Joh. 7:37-39 (net zoals het manna, brood des levens in Joh. 6! Zie voor beide ook 1 Cor. 10:3 en 4 en de waarschuwing van vs. 5!). Is wat Christus in Joh. 7 doet niet vervuiling van Ex. 17 in de 'meriba' tegen Hem?

Vergeten bevrijding
noemt Ps. 78:14 nw. ber. Wie dit leest kan zich niet voorstellen dat mensen die kortgeleden Gods verlossing zo aan den-lijve gevoeld hadden, hier al weer zó ver weg zijn!
Is de HERE in ons midden of niet!,dat is toch geen kinderachtige taal in dit verband. Des te groter de majesteitelijke genade van God. Die dit volk grootmoedig ontvangt daar bij die rots, om hun dan nog maar eens met het drinkwater in te geven, dat Hij nog steeds dezelfde, aanwezige Levengever is als in de diepste bedreiging van Egypte. Massa-en-Meriba, - om nooit te vergeten.

Amalek slaat terug
Toen hun slimme opzet niet lukte, besloten de Amalekieten het uit te vechten. Israël was wel groot, maar met alles wat ze bij zich hadden, slecht manoeuvreerbaar. Merkwaardig: hier géén paniek, maar resoluut optreden van Mozes, die Jozua beveelt, maatregelen te nemen voor een heuse veldslag. Er is echter ook geen sprake van raadplegen van Jahwè! Wèl is Mozes van plan de strijd te ondersteunen met de staf Gods. Maar kan men middelen die God te gebruiken geeft, bezigen zonder zich echt afhankelijk te stellen van Hem?

HERE, leer ons bidden.
Weldra blijkt, dat de slag tegen Amalek alleen goed af zal lopen als de handen van Mozes - met daarin de stad van God - naar de hemel blijven wijzen. Het lijkt toverij, maar het is gebed. Een les in bidden. Had Mozes gedacht dat met eigen middelen en kracht het conlict met Amalek beslecht kon worden (Israël had genoeg strijdbare mannen!), - dan blijkt nu dat ook déze verlossing alleen verleend wordt door Jahwè.
Het is waar: Jozua en zijn mannen overwinnen Amalek. Maar alleen nadat Mozes en zijn helpers hebben geleerd de aktie te dragen met gebed. Vgl. Saul 1 Sam 10:8, 13: 9 vv, 'De HERE is mijn banier' - de banier is een soort vaandel dat dienst doet voor mobilisatie tot de strijd. Tekenende naam voor het altaar dat Mozes bij deze gelegenheid opricht.
Ook wel een erkenning dat in geval van strijd Israël niet zonder Jahwè kan, en wel als Héér van de strijd.
'Oorlogen des HEREN' is niet een mooie naam voor menselijke conflicten waar Gods volk de HERE goed bij gebruiken kan. Integendeel! Mozes' woord over 'de hand op (of aan?) de troon des HEREN' wijst in dezelfde richting. Is het typerend voor het beeld van de vazal die geleerd heeft zijn Koning,het initiatief te laten en zichzelf volgeling te belijden?

Amalek
Veel vragen roept altijd weer vs. 14 op. De gedachtenis blijkt letterlijk ' een herinnering te zijn, dat Jahwè voornemens is (zelfs) de heugenis aan Amalek onder de hemel uit te wissen. Dat is toch zoiets als het laatste oordeel. Is dat niet erg zwaar voor een woestijnstam die passende maatregelen nam om zichzelf, zijn gebied en zijn bronnen te verdedigen tegen wat een geducht en groot volk voor hen moet zijn geweest? Is wat we in vss. 14 en 16 vinden het strenge voornemen van God, dat Hij nog een rekening (definitief) te vereffenen heeft met Amalek? Het gebeurt dan wel eerst onder Saul, 1 Sam 15, maar roeit God dan 'zomaar' een woestijnstam uit? Alle vragen zijn niet te beantwoorden.
Opgemerkt is dat Amalek als stam, onder Ezau valt (Gen 36:12), dus heel in de verte aan Israël verwant.
Zonder twijfel is het te begrijpen dat zij een kans wagen tegen dat grote volk dat uit Egypte is getrokken, en dat voor hen een begeerlijke buit moet hebben geleken.
Maar het kan ook hun niet zijn ontgaan dat het geheim van dit grote Israël gelegen Is In de Naam van hun God (vgl. ook 15:15). Het kan voor Amalek geen geheim zijn geweest dat de grootmacht Egypte was vernederd door de God van Israël omwille van Zijn oogappel. Hun devies had vanwege Hem moeten zijn: handen af! Als ze zich toch aan: Israël vergrijpen, worden ze als voorbeeld gesteld voor degenen die de Naam van Jahwè negeren.
Israël mocht en moest leren 'dat Zijn naam ons leven doet' (Ps 135:2 nw. ber.), Amalek is het afschuwelijk, voorbeeld dat wie die naam negeert, het leven verspeelt!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief