Elkander onderdanig (2)
1989-08-14
- Jaargang 33
- nummer 17
Tekstverband
Sticht de apostel dan geen verwarring door zo'n minder strikt taalgebruik?
M.i. zou dat niet het geval behoeven te zijn, mits wij zijn woorden maar vanuit het tekstverband verstaan. Dat zijn bedoeling is: sommigen uit de gemeente moeten aan anderen uit diezelfde gemeente onderdanig zijn, wordt toch uit zijn drievoudige concretisering van dit bevel aanstonds duidelijk. Die 'sommigen' zijn achtereenvolgens: '(gehuwde) vrouwen' (v. 22), 'kinderen' (6, 1) en 'slaven' (6,5); en de daarop corresponderende 'anderen' zijn: ('gehuwde) mannen' (v. 22), 'ouders' (6, 1) en 'heren naar het vlees' (6, 5).
In Col. 3, 18- 4, 1 krijgen we met exact dezelfde categorieën te maken.
Als nl. bij die onderdanigheid wederkerigheid in het spel zou zijn - zoals vdB. aanneemt - hoe komt het dan, dat Paulus, wanneer hij aan mannen, ouders en bazen toe is, niet meer rept van 'onderdanigheid', maar oproept tot 'liefde (5, 25), 'niet verbitteren, maar opvoeden in de tucht en terechtwijzing des Heeren' (6,4), 'nalaten van dreigen' (6, 9)?
Men zou zeggen: als de apostel van mannen, ouders', bazen evenzeer onderdanigheid eist als van vrouwen, kinderen en slaven, dan zou hem toch ook eens een oproep uit de pen hebben moeten vloeien als "heren, onderwerpt u aan uw slaven" of "ouders, onderwerpt u aan uw kinderen". Maar niets daarvan; noch hier noch in Col. 3. En bij Petrus vinden we iets dergelijks al evenmin (1 Petr. 2, 18 - 3; 7).
Zich onderwerpen
Nu zal men zich afvragen: heeft vdB.'s uitleg geen desastreuze consequenties voor het maatschappelijk leven? Wordt dat op die manier niet op zijn kop gezet?
In theorie wel. Maar de pap wordt ook hier in de praktijk niet z6 heet gegeten, als ze in de theorie wordt opgediend. De schrijver heeft een veel te gezond christelijk besef dan dat hij ons op een revolutionair" spoor zou willen zetten.
Alleen ... - het spijt me, maar daarbij moet ik toch wel even de vinger leggen - om aan ongewenste gevolgtrekkingen uit zijn exegese te ontkomen moet hij nu wel een aantal vreemde exegetische manoeuvres uithalen.
Om te beginnen gaat hij het begrip 'zich onderwerpen' (of 'onderdanig zijn') zo drastisch afzwakken, dat het niet meer betekent dan 'zich vrijwillig ter beschikking stellen'. Een poging aan de hand van voorbeelden uit het NT aan te tonen, dat deze twee begrippen elkaar daar dekken, doet hij 'niet. Wat hij wèl doet is: een bepaalde' gevoelswaarde van het Nederlandse woord 'onderdanig' uitbannen; de gevoelswaarde nl. van 'kruiperig', 'hielenlikkend' (blz. 103).
Nu, dat is inderdaad een houding die Paulus straks ook zal verbieden (6, 6).
Echter: we hebben hier te maken met een gevoelswaarde die in het Nederlands wèl aan' het bijvoeglijk naamwoord 'onderdanig' kàn kleven, maar die het corresponderende zelfstandig naamwoord 'onderdaan' nièt heeft. 'Onderdaan' tekent heel objectief, zonder bijsmaak, iemands positie als die van ondergeschikte aan een overheid. Het duidt iemand aan die onder een meerdere staat, die iemand boven zich heeft als 'baas'.
Nu, het werkwoord dat Paulus hier gebruikt, betekent "zich stellen onder (het gezag van een hogere) ".
Dat het in dit woord gaat om de houding van een lager geplaatste tegenover een hoger geplaatste, blijkt duidelijk uit Rom. 13, 1, waar Paulus beveelt zich te onderwerpen aan "de machten die boven je uitsteken". Zo staat het er letterlijk. En in 1 Petr. 2, 11 vinden we precies dezelfde twee werkwoorden in correspondentie met elkaar (NBG vertaalt daar het tweede met 'opperheer'.) Daar komt bij, dat het element van vrijwilligheid, dat vdB. in zijn omschrijving van het "onderdanig zijn" opneemt, juist nièt per definitie in "zich onderwerpen" ligt besloten.
Dat blijkt al evenzeer uit Rom. 13, waar de apostel onderscheid maakt tussen "onderwerping wegens de toorn" (d.w.z. noodgedwongen de overheid gehoorzamen, omdat je anders straf krijgt) en "onderwerping wegens het geweten" (d.w.z. gewillig,"omdat je beseft: God vraagt van mij gehoorzaamheid aan zijn dienaren). Daar is dus naast een vrijwillige onderwerping ook een onderwerping tegen wil en dank, Men vergelijke voorts nog Rom. 8, 20 (" ...onderworpen, niet vrijwillig").
Gehoorzamen
Het tweede dat vdB. doet is het 'zich onderwerpen' (of 'onderdanig zijn') scherp van het 'gehoorzamen' onderscheiden, waarvan Paulus spreekt in 6, 1 en 6, 5. "Gehoorzamen", zo schrijft hij (blz. 113), "veronderstelt een gezagsverhouding ... Het is belangrijk ons even te realiseren, dat Paulus dit woord 'gehoorzamen' dan ook niet gebruikt· met betrekking tot de positie van de vrouw tot haar man in het huwelijk".
Deze onderscheiding klopt al evenmin op het bijbels spraakgebruik.
Om te beginnen stemmen de desbetreffende woorden ('zich onderwerpen' en 'gehoorzamen') in het Grieks in vorm sterk overeen, in zoverre beide beginnen met het voorzetsel 'onder'. Nu kennen wij in het Nederlands geen werkwoord 'onderhoren', maar wel een bijvoeglijk naamwoord 'onderhorig'. Nu, èn in het Nederlands èn in het Grieks zijn 'onderworpen' en 'onderhorig' vrijwel synoniem. ' En terwijl hier (in 6,1)van kinderen 'gehoorzaamheid' verlangd wordt (en evenzo in Col. 3, 20), vinden we in 1 Tim. 3, 4 voor dezelfde houding' het woord 'onderwerping'. Vgl. verder nog Lc. 2, 51 en Hebr. 12,9. Voor de houding van slaven t.o.v, hun meesters treffen wij dezelfde afwisseling: 'zich onderwerpen' in Tit. 2, 9 en 1 Petr. 2, 18, 'gehoorzamen' in Ef. 6, 5 en Col. 3, 22.
Dat 'zich onderwerpen' en 'gehoorzamen' door elkaar worden gebruikt voor dezelfde houding, bewijst ook een vergelijking van Me. 1, 27 ("ook de geesten gehoorzamen Hem") met Lc. 10, 17 ("ook de geesten onderwerpen zich aan ons").
De houding van de vrouw tegenover haar man
Ds. van den Berg ontkent dus, dat er van een vrouw gehoorzaamheid aan haar man zou worden gevraagd, omdat hier niet sprake zou zijn van een gezags-verhouding. Maar wat wil hij dan met 1 Petr. 3, 5, 6 "zich onderwerpend aan haar mannen, zoals Sara Abraham gehoorzaamde, hem aansprekend als 'heer' "? Daar noemt toch Petrus als voorbeeld ("zoals") van een zich onderwerpen van de vrouw aan haar man het gehoorzamen van Sara aan Abraham?
En 'heer' is het woord dat ook in Ef. 6, 5 viel, waar ook vdB. van een gezagsverhouding gesproken achtte!
Trouwens: het 'heer' zijn van den man over zijn vrouw ligt ook duidelijk in Paulus' woorden uit Ef. 5, 22-24 opgesloten. Hij vraagt nl. van vrouwen onderwerping aan haar eigen mannen "ais aan den Heer", omdat de verhouding van een vrouw tot haar man een afspiegeling is van de verhouding van de gemeente tot Christus, haar Heer (v. 24). In haar man krijgt een vrouw dus indirect te maken met het gezag van haar Meester, Jezus Christus.
Vrees
Dat onderwerping, evenzeer als gehoorzaamheid, een gezagsverhouding veronderstelt, wordt nog onderstreept door het woord 'vrees' dat hier al aanstonds in v. 21 valt, en straks speciaal als het over de vrouw gaat wordt herhaald (v. 33): "en de vrouw moet haar man vrezen"!! (Hetzelfde woord in 1 Petr. 2, 18 aan het adres van de slaven (1) ). Dat woord 'vrees' correspondeert op het woord 'heer', vgl. Mal. 1, 6 "Als Ik een heer ben, waar is dan de vrees voor Mij?"
Als Paulus hier onderwerping vraagt "in de vrees van Christus", dan betekent dit; dat we, omdat we Christus als Heer erkennen, ook de mensen die Hij met gezag over ons bekleed heeft als heer zullen erkennen en gehoorzamen. (Vgl. 6, 5 "aan uw heren gehoorzaam als aan Christus".
Nog nadrukkelijker Col. 3, 23, 24 "als voor den Heer ... Gij dient Christus als Heer".)
Caricaturen
Men moet dat element van 'heerschappij' niet wegwerken door 'heerschappij voeren' maar vlotweg te vereenzelvigen met .'de baas spelen'.
(Zo vdB., blz. 107.) In dat laatste zit weer de nare bijsmaak van 'tiranniseren'; van machtswellust dus vdB. vecht ertegen, dat een man zijn vrouw "omlaag wil duwen tot een sloofje, een huishoudster ..." (blz. 106). En hij zegt dan: "Waar dat gebeurt, ontstaat er een caricatuur van het huwelijk". Accoord! Maar beseft hij niet, dat de houding die hij hiér van den 'heer' tekent evenzeer een caricatuur is; een caricatuur nl. van het ware heersen? Misbruik van macht heft toch het gebruik niet op?
Kent vdB. uit de Bijbel niet ook het beeld van "den rechtvaardigen heerser, den heerser in de vreze Gods(!!)" (2 Sam. 23, 3)? En kent hij niet de tekening van de zegen die zijn heerschappij voor zijn onderdanen betekent (Ps. 72)? Zou 'in de vreze Gods' niet ook een man over zijn vrouw z6 kunnen heersen als deze rechtvaardige koning?
Hoofd
Op het spoor van deze verwijdering van het gezagselement uit de positie van den man t.o.v, zijn vrouw gaat vdB. voort, als hij nader uiteenzet, wat Christus' hoofd-zijn-van-zijn-gemeente inhoudt. Hij vraagt dan: "Wordt de gemeente daardoor gediscrimineerd en achtergesteld?
Geen sprake van. Wordt een lichaam gediscrimineerd omdat er een hoofd op staat? Natuurlijk niet. Ze hebben elk hun eigen functie. En dat heeft niets te maken met discriminatie.
Het betekent wel, dat ze op elkaar aangewezen zijn en niet zonder elkaar kunnen functioneren" (blz.108).
Tegen die laatste zin gaat mijn bezwaar.
Hier wordt de 'onderschikking' van het lichaam aan het hoofd vervangen door de 'nevenschikking'.
Echter: ik lees bij Paulus wél van een nevenschikking van de diverse leden van het lichaam, en van het niet zonder elkaar kunnen functioneren van die leden. (1 Cor. 12, 21 vlgg.) En bij die lichaamsdelen behoort dáár ook het hoofd. Maar hiér wordt onderscheiden tussen 'hoofd' en 'lichaam'. En als vdB. dan zegt: "Ze hebben elk hun eigen functie", dan zeg ik: accoord! Maar dat betekent: het hoofd regeert en het lichaam gehoorzaamt. Het hoofd staat niet alleen letterlijk, maar ook figuurlijk boven de lichaamsdelen. Er gaan commando's uit van de hersenen, en dan doet hand of voet wat het hoofd gebiedt.
Het zal de bedoeling van den schrijver niet zijn, maar op deze manier wordt het unieke van Christus' positie weggevlakt, wordt gesproken alsof Hij náást zijn gemeente stond in plaats van erboven, wordt aan zijn hoogheid te kort gedaan. Het 'hoofd'-zijn van Christus t.o.v. zijn 'lichaam' moeten we in Ef. 5, 23 lezen in het licht van 4, 15, 16; niét in het licht - van het geheel anders georiënteerde 1 Cor. 12.
Tot besluit
Men zal, hoop ik, van mij geloven, dat ik, via 1 Petr. 2, 17 belandend bij Ef. 5, 21, onwillekeurig het eerst greep naar de uitleg die Ds. van den Berg daarvan gaf. Hij is misschien wel de onder ons het meest gelezen populaire exegeet (2) En mijn grote waardering voor zijn schriftuitleg kan bekend zijn uit tal van lovende recensies. Dat ik hem hier voor een keer moest bestrijden. doet aan die waardering ook geen fractie afbreuk.
Ik zocht echt geen slachtoffer.
Maar ik geloof, dat wij én 'naar buiten' én 'naar binnen' voor vragen staan waarin de bijbelexegese een belangrijke rol speelt. (O.a. emancipatie en 'de vrouw in het ambt'.) En ik denk, dat het goed is, dat wij daarbij als exegeten elkaar controleren op zorgvuldigheid, en elkaar opscherpen in het recht verstaan van wat de Schrift zegt. bat lijkt mij noodzakelijk, willen wij in eigen kring tot een verantwoord eenparig gevoelen komen, en ideeën die aan' de Schrift vreemd zijn weren.
Noten 1) Dat 'vrezen' heeft hier natuurlijk niet de betekenis 'bang zijn voor', maar 'opzien tegen', 'ontzag hebben voor'.
2) Er zijn - begrijpelijk! - meer exegeten op deze tekst vastgelopen. Men zie o.a. Dr. J.P. Versteeg, Oog voor elkaar, Kampen 1980, blz. 49, en de daar geciteerde uitleggers.