Uitverkoren door de Goede Herder
1989-09-01
"Mijn schapen horen naar mijn stem … en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders" (Joh. 10:2-29) - Jaargang 33
- nummer 18
'Uitverkiezing' is een thema. dat weliswaar als een gouden draad door heel de Bijbel heen noopt maar zich desondanks niet in grote populariteit mag verheugen. Veelal is de boodschap van de uitverkiezing gezien als iets bedreigends, dat er op uit is mensen in de put te brengen, maar in Joh. 10 komt de boodschap van de verkiezing naar voren als vooral een troostend en behoudend werk van de Heiland.
Bevrijding
Joh. 10:22-39 speelt zich af op het feest van de tempelvernieuwing, het bevrijdingsfeest, waarop de Joden de heldenstrijd van hun voorouders herdachten, toen onder leiding van Judas de Maccabeeër de kracht van de Syrische overheersing werd verbroken.
En juist in de tijd dat er weer sprake is van vreemde overheersing, nu door de Romeinse bezettingsmacht, gaat het verlangen van de Joden uit naar een nieuwe bevrijding door een grote Bevrijder, de beloofde Messias. De Joden over wie in Joh. 10 verteld wordt vroegen zich af of Jezus misschien die langverwachte bevrijding zou brengen.
Ze wisten nog maar steeds niet, wat ze aan Hem hadden. En op een moment dat ze Jezus dan zien in de Zuilengang van Salomo, omringen ze Hem met de vraag: "Hoelang laat u ons in het onzekere?" In Zijn antwoord legt Jezus de diepste grond van geloof en ongeloof bloot: "Gij gelooft niet, omdat ge niet tot mijn schapen behoort. Mijn schapen horen Mijn stem."
De Herder
Het was in het oude oosten gewoonte dat verschillende herders, die overdag ieder met z'n eigen kudde gezworven hadden (de herder voorop met stok en staf, de schapen hem volgend) 's nachts hun kudden bij elkaar dreven in een gemeenschappelijke schaapskooi. Er gaan immers veel makke schapen in één hok. Ja, dat beeld van de kudden spreekt in onze tijd misschien niet meer zo aan, vertechniseerd als onze wereld is. Voor ons heeft dat beeld van de kudde iets grauws en vaals gekregen: de mens als kuddedier, waarbij alles geëgaliseerd is en gemassificeerd: mensen zoeken allemaal dezelfde genoegens, mensen volgen allemaal dezelfde modevoorschriften en zo meer. Maar in de Bijbel drukt dat beeld niet zozeer dat grauwe, eenvormige uit als wel het levende en persoonlijke: De herder kent nl. zijn schapen en roept ze bij de naam. Dat was de manier waarop de herder elk hun eigen schapen uit die gemeenschappelijke schaapskooi naar buiten kregen: De herder ging bij de deur staan en riep zijn eigen schapen bij hun naam! De schapen kenden de stem van hun herder en op die stem reageerden zij. Als een vreemde diezelfde namen riep reageerden ze niet. Zo wordt dit beeld van de herder met zijn kudde ook gebruikt om de verhouding tussen Jezus en zijn gemeente aan te geven: De Herder heeft de zorg voor de schapen, ze zijn Hem eigen, ze zijn niet allemaal eender, grauw, egaal, niet één massa, maar Hij roept en kent ze bij hun naam. En als wij, mensen, doof zijn voor de stem van de goede Herder, komt dat omdat we niet tot Zijn schapen behoren en als we wel luisteren naar Zijn stem, komt dat omdat we wel tot Zijn schapen behoren.
Zo zegt Jezus het heel duidelijk in Joh. 10: 26 en 27a. Het is dus niet zo, dat we eerst geloven, en dan door onze gelovigheid tot schapen van de goede Herder worden, maar omgekeerd: we behoren tot Zijn schapen en daarom geloven we! Dat is een gedachte, die ons tot verootmoediging kan brengen: Als we in Christus geloven, tot Zijn gemeente behoren, en het:Avondmaal vieren, dan hebben we dat in geen enkel opzicht aan onze eigen gewilligheid of aan onze levenswandel te danken, maar alleen aan Gods verkiezende liefde! Alle roem is uitgesloten!!
Vragende schapen
Er wordt door mensen, hardop of in zichzelf, nogal eens gevraagd: "Hoe kan ik nu weten of ik tot de schapen van de goede Herder behoor en deel heb aan die heerlijke dingen, die hier genoemd worden?" Wel, heel eenvoudig is het antwoord: Dat blijkt in de praktijk vanzelf. In Joh. 10:3-6 wordt het beeld genoemd dat Jezus gebruikte om Zijn taak en plaats aan te geven: Zoals een herder 's morgens zijn kudde bijeenroept, zo roept Jezus als de Goede Herder Zijn kudde bij elkaar. In synagoge en tempelvoorhof, op straten en pleinen heeft Jezus tijdens Zijn leven op aarde geroepen: "Komt tot Mij, allen die vermoeid en belast zijt."
En door de verkondiging van het Evangelie is de Heiland nog steeds bezig zondaars te roepen tot Zijn heil. Wie op de roepstem van de Goede Herder zijn/haar oren spitst en gehoor geeft aan die boodschap, die mag daaruit afleiden, dat hij/zij tot de schapen van de Goede Herder behoort. Immers, uit onszelf zijn we voor die blijde boodschap doof en ongevoelig.
Kenmerkend
Dat 'horen' behoort tot de kenmerken van de schapen, maar van de Herder wordt datgene kenmerkend genoemd, wat aan het horen door de schapen vooraf gaat: .....Ik ken ze..". Met dat 'kennen' wordt niet een verstandelijk kennen bedoeld in ' de zin van: 'weten wie ze zijn'. In de Bijbel is 'kennen' vaak hetzelfde als 'liefhebben'. Allen, die luisteren naar Zijn stem, 'kent' de Here Jezus als mensen, die Hem door de Vader gegeven zijn (vs.29); hen heeft Hij lief met een eeuwige liefde. Daarbij is het een troostvolle gedachte, dat het kan zijn dat mensen de Heiland nog niet kennen, zich nog niet Zijn schapen durven noemen, maar dat Hij hen al wel kent.
Een ander kenmerkend woord uit Joh. 10: volgen: ... zij volgen Mij …" (vs.28). Maar Jezus volgen betekent hier niet: het voorbeeld van Jezus volgen; nadoen, wat Hij ons voorgedaan heeft; neen, daarvan spreekt het beeld van de herder en de schapen niet! De herder, zo laat het beeld ons zien in Joh. 10, gaat voor de schapen uit, 's morgens naar de weide, 's avonds 'naar de stal. De schapen lopen achter de herder aan.
Soms is er daarbij gevaar op de weg~ zoals ook Psalm 23 zegt, waar hetzelfde beeld gebruikt wordt, maar als de schapen bij de herder blijven, hebben zij niets te vrezen. Er is eigenlijk maar één gevaar: dat de schapen van de herder weg lopen.
Jezus volgen is: achter Jezus aan gaan; bij Hem blijven; met beide ogen op Hem blijven zien. Zodra we Jezus uit het oog verliezen en eigen wegen gaan, verdwijnen vrede en zekerheid uit ons leven.
Thuisgebracht
Zoals de herder zijn schapen voorgaat naar de weide en de stal, zo gaat Jezus de Zijnen voor naar de overvloed en naar huis: ... ,,Ik geef hun eeuwig leven ......” Samenvattend is dat 'eeuwige leven', met de woorden van vr. en antw. 58 van de Catechismus, niet alleen de vrede en vreugde die nu al het deel is van allen die in de Here Jezus geloven, maar ook de zaligheid die eenmaal geopenbaard zal worden. Dat eeuwige leven gééft Jezus aan allen, die de Vader Hem gegeven heeft, niet omdat zij, maar omdat Hij die zaligheid verdiend heeft. Zoals een herder de schapen 's avonds thuisbrengt, zo zal de Goede Herder de Zijnen thuisbrengen. Wij kunnen ons wel eens afvragen of we er wel zuilen komen. En als we op onszelf zien, moet het antwoord luiden: 'Nooit". Wij zijn immers maar: schapen, zwak en weerloos. Maar hoewel wij geen ogenblik kunnen bestaan (vr. en antw. 127 Catechismus) ,hoeven we niet te wanhopen: Zoals een herder over zijn schapen waakt, zo waakt de Goede Herder over allen, die de Vader Hem gegeven heeft.
En wat er dan ook gebeuren mag, of het nu gaat stormen in ons leven, of dat we struikelen, vallen en wegzinken in de diepte van de dood, Jezus zegt: “Niemand zal ze uit Mijn hand roven. Wat Mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand van Mijn Vader."
Dat mag ons tot troost zijn, in leven en in sterven. Dat is de troost van het uitverkoren zijn door de Goede Herder.