Liturgisch contrapunt

1989-09-01
  • Jaargang 33
  • nummer 18
Eind maart schreven wij over 'Liturgisch samenspel'. We prezen onze predikanten, die zich realiseren dat een goed voorbereide kerkdienst tijdig overleg vraagt; want noch een predikant noch een organist kan alles uit zijn mouw schudden. Vandaag laten we een ander geluid horen.
Maar eerst even de titel verklaard.
Oentra-punt is in de muziek de kunst, om naast een melodie een tegenmelodie te doen klinken, die er wel mee samenstemt, maar toch een eigen karakter draagt. Men sprak van punctum-contra-punctum, noot tegen noot. Zo geven wij vandaag ook een een tegenstem door, die wel van dezelfde wens uitgaat, maar een keerzijde van onze medaille toont.

Liturgisch samenspel?
"Als organist is het een verheugende zaak", zo schrijft een collega, "dat er in onze kerkgenootschap nog mensen zijn, die op liturgisch samenspel een gefundeerde visie hebben". In een bijna 25-jarig loopbaan als kerkmusicus (ziekenhuiskapel, orthodoxe kerken in Singapore en Hong Kong, daarna een fraai historisch instrument in Nederland) dacht onze briefschrijver van enige liturgische ervaring te mogen spreken. Maar hij kan helaas onze optimistische geluiden niet delen.
Zijn eigen ervaring in de Ned. Geref. Kerken zijn duidelijk, negatief - jarenlange pogingen, bij eigen zowel als bij gastpredikanten, om tijdig overleg te krijgen omtrent de liturgie, zijn nagenoeg zonder succes gebleven. Vroegtijdige opgave? Een farce. Zaterdagmiddag op zijn best en dan nog in de trant van: preek klaar, nu nog even een paar psalmen.
Zo blijft het psalmrepertoire beperkt tot een soort top tien, om van enkele moeizaam aanvaarde liederen maar te zwijgen.
Meedenken wordt niet op prijs gesteld.
Van enig liturgisch besef is geen sprake; dat wordt niet onderwezen bij de door onze kerken gebruikte opleidingen, meent hij; een behoorlijke voorbereiding tot de eredienst is er dus niet. Wanneer men, op grond van een gedegen muzikale opleiding, blijk geeft enige kennis van zaken te hebben wordt dit door predikant en kerkeraad als lastig ervaren. Gedetailleerde voorstellen om de gemeente met onbekende melodieën van het Liedboek te doen kennismaken blijven onbeantwoord.
Pogingen om de kerkeraad te bewegen de gemeente enig stijlbesef bij te brengen (in plaats van pepermuntdistributie en geroezemoes) worden afgedaan met: 'je hoort jezelf zeker graag?' Hij concludeert: voor een organist met een behoorlijke opleiding is in de Ned. Ger. kerken geen plaats.
Deze stelling is niet slechts op eigen ervaring gegrond, maar van collega's hoort hij dezelfde geluiden.
"Verscheidene bekwame organisten hebben in de afgelopen jaren de NGK de rug toegekeerd, omdat ze hun bijdrage tot de kerkmuziek niet kwijt konden en de honorering slecht of nihil is; bij andere kerkgenootschappen worden wél behoorlijke maatstaven aangelegd".
Hij ziet de zaak van "de lofzang gaande houden" zorgelijk in, ook al door het ontbreken van enig landelijk beleid en dat gaat hem uiteraard ter harte.

Te somber?
Rembrandt heeft ons geleerd, dat een schilderij uit licht en schaduw bestaat. Licht alleen is waardeloos, zonder het contrast van schaduw.
Donkere partijen zijn levenloos wanneer daar geen lichtstraaltje bij komt. Daarom zijn we blij met deze tegenstem; en zeker moeten we zo'n stem niet versmoren met een haastig oordeel van zwartgalligheid, chicanes of miskend genie! Zelfs al zou deze briefschrijver de zaken te somber voorstellen, dan nog moeten we luisteren: want de overdrijving is de stemverheffing van de schrijver, heeft eens iemand gezegd.
Geven we de schrijver dus 10-20 procent korting wegens contant geloof, dan blijven de resterende 80-
90% van zijn klachten lelijk opspelen: geweigerd overleg voor liturgie, ontbreken van kerkmuzikale kennis bij predikanten, verwaarlozing van het grootste deel van Psalm- en Liedboek, en een beledigend afwijzen van de man die als het muzikaal geweten van zijn kerk behoort te functioneren!
Er is voor ons geen reden, de briefschrijver niet te geloven. Zelfs al zou hij de zaken wat zwartgallig hebben getekend, of wat ontactisch zijn opgetreden, dan blijven dingen bestaan, die in hethuis Gods toch snel opgeruimd moesten worden.
Het is niet voor het eerst dat we deze geluiden horen. Uit eigen ervaring, in enige tientallen jaren al voorzitter van de Geref. Organistenvereniging opgedaan, weten we van talloze goede amateur" en uitstekende vakorganisten, die de kerk verlieten, om elders een goed orgel te bespelen, waardering te vinden en een behoorlijk betaalde post te verwerven, die vaak basis voor een bestaan als vakmusicus betekent.

De Ned. Geref. Kerken
Zo lang onze kerken korte tijd na 'vrijmaking' en 'kerkzuivering' in armelijke omstandigheden verkeerden, speelden deze zaken - kunstwaardering, uitgedrukt in aandacht, samenwerking en honorarium - nog geen grote rol. Ieder deed immers wat zijn hand vond, met kracht en liefde. Maar wanneer de welvaart ook onze kerken niet voorbijgaat kunnen we kunst en schoonheid niet meer negeren; wordt het tijd om te luisteren naar wat een vernietigend rekwisitoir lijkt. "Houdt dan de lofzang gaande" zingen we met psalm 107,want "Gods goedheid houdt ons staande". Mensen die niet voor het Liedboek voelen, kunnen tegen deze psalm niets inbrengen. Mensen die de oude psalmberijming prefereren kunnen er ook niet onder uit, want alle vluchtwegen zijn afgesloten.
Hoe goed is het onze God te prijzen.
Het betaamt ons psalmen aan te heffen, die lieflijk zijn en harten treffen.
De lof past de oprechten. Als wij de lofzang niet gaande houden zuilen de straatstenen van God almacht zingen, zei de Heiland. De lofzang is voor ons christenen van elementair belang. En de predikanten die, in de vorige eeuw, een 'vaersjenter verpoozing' lieten zingen, hebben de vaderlandse kerk nagenoeg de grond in geboord. Aantasten van de gemeentezang is belemmeren van onze ademhaling, verstikken van ons leven!
En als sommigen van onze kerken 'dit niet inzien? Misschien kan dan het kerkverband enig nut hebben: door bij de predikantenopleiding het vak kerkmuziek op te leggen. Deze zaak gaat immers 'de kerken in 't gemeen' aan? In landen als Duitsland en Groot-Brittannië krijgt een aanstaande predikant een behoorlijke kennis van de kerkmuziek mee - we lopen meer achter dan we Calvijn kunnen verwijten. Die had tenminste grote belangstelling voor de kerkzang!
Een punt dat hiermee samenhangt is de honorering, de wijze waarin respect wordt uitgedrukt. Schrijver dezes heeft zijn kerkmuzikale opleiding zelf bekostigd, zijn vak- en muziekbibliotheek idem, zijn studie-uren idem, heeft door de vrijmaking zijn pijporgel verloren en heeft niettemin een staat van dienst van ruim 60 jaren. Hij is er trots op, nimmer een stuiver honorarium te hebben ontvangen - want nu kan hij zonder verdenking een lans breken voor elke organist, die als arbeider zijn loon waardis. In het belang van onze kerken, die eisen moeten stellen aan de kerkmuziek, en deze eisen gronden op een vergoeding (die overigens nauwelijks enkele procenten van de kerkelijke begroting bedraagt).

Niettemin
En toch houden we staande wat we eind maart schreven: dat er een groeiende liturgisch samenspel mag worden geconstateerd. Er zijn, vooral onder de jongeren, predikanten die zonder enig bezwaar vroegtijdig hun liturgie opgeven; zodat de organist enkele dagen de tijd krijgt, om zijn muziek te prepareren. Opdat de gemeente er oor voor mocht krijgen: hier staat geen radio aan maar hier wordt bewust aan het thema van de eredienst gewerkt. En waar deze verbeterde liturgische samenwerking nog niet aanwezig mocht zijn, daar mogen de betrokkenen zich beraden wat hun te doen staat. Het gaat immers niet om onze eer - maar om het soli Deo gloria.
Zoals J.S. Bach placht te schrijven.

Kleine rectificatie
Naar aanleiding van mijn artikel 'Een vergeten reformator' (4 aug.) ontving ik naast dankbare instemming van twee zijden de wenk: dat KS reeds enkele jaren voor 1929 zijn mening t.a.v. Karl Barth heeft gewijzigd.
Ook werd betwijfeld of het dr. H.H. Kuyper was, die de snerende recensie had geschreven; iemand meent dat het dr. V. Hepp is geweest.
D.W.L.M.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief