Lokale cultus gewettigd (1)
1989-09-01
Eind juni 1988 promoveerde M.J. Paul te Leiden op een proefschrift over de verhouding van Deuteronomium en de reformatie van koning Josia. De titel was: 'Archimedisch punt van de Pentateuchkritiek' (1). - Jaargang 33
- nummer 18
In dat historisch en exegetisch onderzoek nam de vraag naar de lokale cultus en de betekenis van Deuteronomium 12 een belangrijke plaats in.
Dr. Paul betoogde dat er steeds een centraal heiligdom heeft bestaan en dat dus het nadruk leggen op het centrale heiligdom geen dateringskriterium van Deuteronomium kan zijn. Maar hij betoogt daarbij ook, dat intussen het offeren op lokale altaren in Israël een legitieme zaak is geweest. Tijdens de hele geschiedenis van het volk Israël zouden het centrale heiligdom en de lokale offerplaatsen wettig naast elkaar hebben bestaan.
We willen op deze belangrijke vragen nader ingaan. Onzes inziens heeft dr. Paul zich terecht verzet tegen de Pentateuch kritiek die Deuteronomium naar de tijd van koning Josia 'verplaatst'.
Maar de vraag is of het juist is om op voetspoor van B. Holwerda in zijn 'De plaats die de HEERE verkiezen zal' (1949) (2), uit te gaan van de gedachte, dat de plaatselijke cultus geoorloofd was.
Holwerda heeft dat beweerd, omdat hij meende daarin een argument te hebben om Wellhausens Pentateuchkritiek te bestrijden.
De Wette en Wellhausen stelden immers dat koning Josia de eerste was die alle hoogtendienst stil gelegd heeft en elk offer aan Jeruzalems tempeldienst heeft gebonden.
Blijkens Exodus 20:24-26 mag er geofferd worden op lokale plaatsen, terwijl Deuteronomium 12 voorschrijft dat de Israëlieten slechts mogen offeren op één plaats die de HERE verkiezen zal - dus, zo concludeerde de Wette, is er een evolutie geweest van: offeren op vele plaatsen, naar: offeren op één centraleplaats.
Deut. 12 kan pas in Josia's dagen ontstaan zijn. Holwerda zei: nee, de lokale cultus is er altijd geweest.
Is Deuteronomium ‘uit veel latere tijd'?
Nu heeft drs. H. de Jong voor de Theologische Studiebegeleiding de dissertatie van dr. Paul besproken.
Hij heeft daar m.i. terecht de stelling bestreden dat de Pentateuch geen bepaling bevat, dat er alleen bij het centrale heiligdom geofferd mocht worden. Hij ontzenuwt de aangevoerde argumentatie.
Maar drs. De Jong meent dan daarbij de vrijheid te krijgen om, met de Pentateuchkritici, te ontkennen dat Deuteronomium van Mozes afkomstig is.
En dat is m.i. niet juist.
Drs. De Jong zegt: " ...ik denk dat zij (de kritische geleerden uit de vorige eeuw) goede en onomstotelijke gronden hadden om het Mozaïsch auteurschap van de Pentateuch in het algemeen en van het boek Deuteronomium in het bijzonder los te laten." "Terecht", aldus De Jong, "stelden zij dat wij daarin met een fiktie te maken hebben. (3)
Hij gaat vervolgens van de veronderstelling uit, dat Deuteronomium "in een late tijd is geschreven en dat het boek op al zulke ervaringen als met Gideon, Salomo, de late koningstijd en Jeremia's profetie reflekteert, en wel op een Mozaïsche manier: zo zou de grote profeet het gedaan hebben."
En vervolgens: "De eigenlijke auteur is niet Mozes, maar de geest van Mozes (en dan onder de Geest der inspiratie wel te verstaan) waar later een stem aan gegeven hebben."
Een van zijn conclusies t.a.v. het Exodusverhaal is daarbij, dat "het niet gaat om historiebeschrijving in onze zin van het woord. Een ontwikkeling van eeuwen wordt beeldend verhaald met behulp van oude tradities." (4)
Intussen lijkt het me niet nodig om deze .opvatting van drs. De Jong over te nemen. Ook al heeft men andere gedachten over de lokale cultus, daarmee is niet de vrijheid gegeven om te verklaren dat de wetten van Deuteronomium pas uit veel latere tijd stammen of dat er hoogstens enkele van Mozes zijn.
De Wette en Wellhausen hebben een reconstructie van Israëls cultusgeschiedenis gegeven, maar, zoals dr. Paul aantoont, op onjuiste gronden.
Maar de vraag is wel of, als je het met Pauls opvatting over Exodus 20 en Deut. 12 niet helemaal eens bent, daarmee de principiële weerstand tegen de Pentateuchkritiek wegvalt.
We zijn van het tegendeel overtuigd.
Om de eenvoudige reden dat Ex. 20 en Deut. 12 mèt de latere ontwikkeling in haar historische verbanden gezien, zich heel wel samen laten lezen.
De oplossing van drs. De Jong, dat de Pentateuch en bv. het boek Exodus in het bijzonder, in beeldende verhalen een ontwikkeling vertelt, die in werkelijkheid eeuwen in beslag genomen heeft, is evenmin nodig.
Dan moet men, om het zo te stellen, wel uitgaan van een geschiedenisbeschouwing die de mededelingen van de Schrift behandelt alsof bepaalde verhalen niet historisch betrouwbaar, maar bv. 'profetisch aangedikt' zouden zijn.
Nu zijn er, om te beginnen; ongetwijfeld gegevens die wél in de richting van Mozes' auteurschap wijzen. We denken aan de Egyptische invloed op het Hebreeuws van de Pentateuch.
Op het eind van de jaren twintig van deze eeuw heeft de joodse geleerde dr. A.S. Yahuda daar uitvoerig aandacht aan gegeven en laten zien dat de schrijver van de vijf boeken volkomen op de hoogte is geweest met alles wat tot Egypte gerekend kon worden.
Mozes was onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaren en was machtig in zijn woorden en werken (Hand. 7:22).
Mozes kende het Egyptische staats- en hofleven van nabij.
Yahuda toonde aan, dat de boeken van Mozes geschreven moeten zijn voordat Israël in Kanaän aankwam.' En dat er, zoals merkbaar is in het Hebreeuwse taaleigen sterke invloed van het Egyptisch op het volk van Israël en op de schrijver is uitgegaan - aanwijsbaar in de Pentateuch! (5)
Er zijn echter ook nog andere tekenen die in dezelfde richting wijzen.
Niemand zal beweren dat b.v, het slot van Deuteronomium, over de dood van Mozes, van Mozes' hand is. Er zijn ook nog wel andere aanvullingen van een bewerker aan te wijzen. Maar dat is de vraag niet.
De vraag is, of Deuteronomium uit Mozes' tijd is, of het al of niet met een medewerker in zijn tijd geschreven is, of dat het, zoals de Schriftkritici menen, pas uit Josia's tijd stamt, of, zoals drs. De Jong stelt, in elk geval veel later ontstaan is - in Mozes' geest!
Van belang is daarbij wat de Psalmen ons te zien geven. Dat nl. in verscheidene Psalmen op dichterlijke wijze weergegeven is wat in de Pentateuch was verhaald.
Veel van wat de boeken van Mozes vermelden, is door de Psalmdichters bezongen. M.a.w.: de Pentateuch was er eerder! Ze was er al vóór de Psalmen.
Wat de boeken van Mozes vermeIden over de schepping, de zondvloed, de beloften aan Abraham, de ondergang van Sodom en Gomorra, de bevestiging van de verbondsbelofte aan Isaäk en Jakob, Jozefs verblijf in Egypte, de verdrukking van Israël, de plagen ... alles is te vinden in de Psalmen.
Tot de uittocht uit Egypte en de laatste woorden van Mozes toe - ook zijn liederen, aan de Rode Zee en bij het afscheid in Moab - meestal in dezelfde woorden als in de Pentateuch. Ps. 29, 105, 11,78,95,106,18, 50,81.
Dr. W.H. Gispen heeft er een proefschrift aan gewijd: 'Indirecte gegevens voor het bestaan van den Pentateuch in de Psalmen’ (6)
Hij vond daarbij vanuit deze Psalmen zelfs onweerlegbare bewijzen dat de Pentateuch bestond vóór de jeugd van David. Wat toch wat anders is dan dat in Deuteronomium de invloeden van de latere koningstijd en van Jeremia merkbaar zouden zijn!
Ook al zijn niet alle Psalmen in dezelfde tijd ontstaan - zo waarschijnlijk Ps. 78 in het begin van Salomo's regeringen Ps. 106 pas na de ballingschap - David kende de Pentateuch reeds! Er is in de oudste, Davidische, Ps. 105 en 78, duidelijk afhankelijkheid, zelfs van Deuteronomium.
De reden dat men Leviticus en Deuteronomium in Schriftkritische kringen liever naar latere tijd verwijst, is vaak gelegen in de gedachte, dat het niet aannemelijk is dat waarschuwende woorden als in Lev. 26 en Deut. 27, 28 neergeschreven, zo lang van tevoren gegeven en dan zo letterlijk vervuld kunnen zijn.
Maar die richting moeten we niet uit.
Om het echter nog verder aan te scherpen: Wat te denken van de mededeling in Deuteronomium' 31:24? Daar, lezen we: "Toen Mozes gereed was met de woorden dezer wet volledig in een boek op te schrijven, gebood hij de Levieten, die de ark van het verbond des HEREN droegen: Neemt dit wetboek en legt het naast de ark des verbonds van de HERE, uw God, opdat het daar tot getuige tegen u zij."
De twee verbondstafels lagen in de ark (Ex. 25:16; 40:20). Dit wetboek ernaast.
Om het te kunnen raadplegen. En er later een copie van te kunnen laten maken, voor de koning - "de wet die bij de Levitische priesters berust" (Deut. 17:18).
De koning, die ongetwijfeld toch ook de koningswet uit Deuteronomium 17 heeft moeten kunnen lezen.
Dit alles op Mozes' bevel.
Welk wetboek? Toch dát wat Mozes zelf, blijkens deze mededeling, kort voor zijn dood, volledig opgeschreven heeft.
Dat kan niet enkel de wet van Exodus 20 of kunnen niet alleen de wetten van Leviticus en Numeri zijn. Die van Deuteronomium moeten daar ook bij geweest· zijn. Zijn daarin niet juist die wetten gegeven, - meer nog dan die in Leviticus - die voor de rechtspraak en het landsbestuur voor de koning van belang waren, om er "heel zijn leven in te lezen en te leren de HERE, zijn God, te vrezen ..." (Deut. 17:19).
Naast de ark laten ze - met de mogelijkheid van verloren raken – en weer gevonden worden ... (2 Kron. 34:14,15).
(wordt vervolgd)
(1) M.J. Paul, diss. Boekencentrum, 's-Gravenhage,, 2e dr. 1988
(2) B. Holwerda, ...Begonnen hebbende van Mozes ..., Terneuzen 1953, p. 7 v.v.
(3) H. de Jong, Studiemap Theol, Studiebeg. F-9, pag. 1.
(4) ibidem, pag. 6
(5) A.S. Yahuda, DleSprache des Pentateuch in ihren Beziehungen zum Aegyptischen. Erstes Buch, Berlin u, Leipzig, 1929. Oirn, geciteerd bij M.H.A. van der Valk. Mozes' boeken in Egyptisch licht, Kampen 1930. , (6) W.H. Gispen, Indirecte gegevens voor het bestaan van den Pentateuch in de Psalmen, diss. V.U., Zutphen 19,28.