Gnostiek (2)

1987-01-23
  • Jaargang 31
  • nummer 3
1: De leugen van de satan in het paradijs heeft het in mensenpaar verlokt de geschapen grens van zijn denken als schepsel van de hoge Schepper te overschrijden. De mens wilde de majesteit van Gods Naam onderwerpen aan zijn controle: "Stond God zijn ontplooiing niet in de weg?"

2. Daarmee sneed hij meteen de navelstreng door van heel de schepping met haar Oorsprong: Deze dodelijke theoria is die' van de' gnostiek. Zij neemt haar aanvang in het paradijs en bezwaddert vanuit een vermeende Lichtwereld waaruit de mens zou zijn weggeroofd, de gelukzaligheid van Gods eigen kunstwerk, uit de handen van Zijn gunst; motto: "Simson malend in de gevangenis". 3. De gnostiek wil de kosmos stopzetten in de dynamische ontwikkeling van zijn levende vlees, in het liefdeleven van de mens en zijn vrouw in het huwelijk, in de ontplooiing van het mensengeslacht, mensen naar het beeld Gods, naar zijn gelijkenis. De Schepper dient in het hart getroffen.

4. En' daarom greep Gods Zoon in. Hij openbaarde Zich in het vlees als Schepsel, om Zijn Vader en Zichzelf te rechtvaardigen in de heiligheid en de volmaaktheid van Zijn scheppend werk, in de hoogheid van Zijn beleid. Als de vervangende Adam zette Hij Zijn leven in om de leugen van de gnostiek te ontmaskeren en de mens in zijn oorspronkelijke glorie te herstellen.

5. Gods Geest heeft inde bijbel het verloop geboekstaafd van de strijd tussen Evangelie en gnostiek, die onmiddellijk op volle toeren werd voortgezet, de kinderen Gods en die der mensen, geloof en verzet, het geslacht van Abraham en van Lot, Israëls reis door de woestijn.

6. Een fundamentele afbakening geeft God vanaf de Sinaï aan in het eerste spoor, het tweede gebod. Voorop, Wie Hij is, Die daar in dat verbijsterend natuurgeweld tot Zijn Israël spreekt: hun Verlosser uit het diensthuis naar de pure vrijheid. Zie toch niet om naar andere goden. En dan de scherpst mogelijke waarschuwing voor de denkwerelden de praktijk van de beeldendienst: de gnostiek in al haar verkalkende, versteenende theoria, die met haar dodelijk vergif alle geslachten steriliseert tot spijkerhard, ongeloof in de God, Die uitsluitend het leven in de vrijheid schept,

7. Langzaam aan, maar 'toch in weinige en te tellen eeuwen nadert dan door Gods beleid "de volheid des tijds", het hoogtepunt van de frontale botsing in de strijd van Schepper-Schepsel en satan: God geopenbaard in het vlees.

8. De gnostische geschriften van de Ie en 2e eeuw n.C. tot welke de naam "gnostiek" in de regel beperkt wordt, geven op hun beurt beschrijving en verantwoording van gevoelen. De gnostiek, zegt R. van den Broek (De taal van de Gnosis, Ambo'1986, Baarn) "is van onmiskenbaar joodse oorsprong: Joden, die teleurgesteld waren in de beloften van de ene God van het Oude Testament en Hem haatten.

9. Feitelijk is deze mededeling overbodig voor wie de bijbel met hart en ziel, integraal en radicaal gelovend in het Woord, zich zoekt eigen. te maken en zijn levenspraktijk daarnaar te richten. Maar voor wie wil blijven toeven in de Westers culturele .droomwereld van de theoria kan zij ontmaskerend werk doen. Wie kent niet de zware strijd als gelovig Christen tegen de antichrist? Christus toetst ons daar in de' klem van .Zijn verlossende liefde. Met name nu Zijn wederkomst in het zicht komt.

10. De Ofieten (van ophis = slang) zien hun ideaal verwezenlijkt in de slang, de eerste die zich radicaal verzette tegen de Schepper. En zij zetten de reeks van hun "rechtvaardigen" voort in een grimmige parallel met die uit de bijbel: Kaïn, Lamech met zijn vrouwen, Cham, Ismaël, de zonen van Lots dochter, Ezau, Amalek, Gorach, Dathan en Abiram, Achan etc. Men zou hen het en fant terrible van de antichrist kunnen noemen.

11. Valentinus snoeft uit zijn heimwee:

Wat ons vrijmaakt is de kennis,
van wie wij waren en wat wij geworden zijn,
waar wij waren en waarin wij geworpen werden,
waarheen wij ons spoeden
en waarvan wij verlost werden,
wat geboorte is en wat wedergeboorte."

We bevinden ons hier in het werkklimaat van Descartes: in de denkslaap van de metafysica, de boventijdelijkheid van de gnostiek, geraakt de creatuurlijke werkelijkheid, waar de mens thuis is, buiten het zicht. Heidegger heeft, helaas op verkeerd spoor, met zijn enorme denkkracht deze waan zoeken te doorbreken, heroïsch, radicaal en integraal; tastend naar de Waarheid als de a- lètheia - de onverborgenheid van het Zijn.

12. Van den Broek zegt, dat “de gnostiek zich slechts in mythe kan uiten". Terecht. Maar de autarkie van de mens, die deze mythe moeizaam heeft opgebouwd, spreekt van beschadigen", als een tegenspreker hem herinnert aan zijn taak van schepsel-naaste in de levenspraktijk: "Hij laat niet over zich heen lopen", zegt hij. Gaat die tegenspreker verder met te zeggen dat Christus dat wel heeft gedaan aan het kruis, dan ontstaat er een grimmige kortsluiting in de tevoren goede verstandhouding. Men trekt zich' terug in zichzelf of in een kring van gelijkgestemden, zich bedreigd gevoelend in deze aardse wereld, waar hun diepste kern, hun ware zelf zich niet uitdrukken.

13. Marcion krijgt in den regel in de handboeken een voorkeurstem. "Die Berührung Marcion mit dem Gnosticismus ist Berührung in den Spitzen, nicht in den Grundlagen." (Heussi). Als vakgenoot in de theoria?
Vandaar, dat hij aparte behandeling verdientin een volgend artikel.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief