Vreemdelingen binnen onze poorten
1987-01-23
Handelingen 4 : 10-12 geeft een eigen betekenis aan de exclusiviteit van Jezus en het Christelijk geloof dat zich op Hem beroept. De christelijke geloofsovertuiging bestaat alleen bij de gratie van de naam van Jezus Christus, waarin God zichzelf ten volle heeft geopenbaard. Hiermee is niet gezegd, dat Gods genade en liefde in Jezus Christus niet openbaar kunnen zijn onder een andere naam, in andere godsdienstige overtuigingen. Wanneer in deze tijd, waar dan ook, mensen worden geheeld, volkeren tot eenheid worden gebracht, verlossing wordt ervaren; heeft dat alles dan niets van doen met 'gered worden in de naam van Jezus'? Verderop, in Handelingen 10 en 11, wordt duidelijk dat Petrus de 'naam van Jezus Christus van Nazareth' beslist niet reserveerde voor het volk van het Verbond alleen.- Jaargang 31
- nummer 3
Anders Geloven, Samen Leven, P, 36.
De orthodox-bijbelgetrouwe scribenten die ik in vorig artikel citeerde hebben, naar mijn mening althans, hun sterke en zwakke punten. Sterk zijn ze in het stellen van de uniciteit van Christus, de Enige Naam. ons ter verlossing geschonken, Aanmerkelijk zwakker acht ik hen in hun feitelijke kennis van de Islam als geloofssysteem en hoe het van binnenuit voelt om moslim te zijn.
Als ik deze keef de meer "oecumenisch getinte" literatuur probeer te beoordelen, meen ik dat precies het omgekeerde gezegd moet worden. Bijna zonder uitzondering gaat het om werk van mensen' die de Islam goed tot zéér goed kennen! Een keur aan gedegen informatie ontvangt men, als men. hun boeken leest. Maar de knagende twijfel die ik diverse malen heb gevoeld is:"hoe staat men ten diepste tegenover de uniciteit van Christus? Is Hij de enige weg ter zaligheid? Moeten moslims zich tot Hem bekeren of niet? Zoals ik de vorige keer uitsprak in het persoonlijke vlak hoge achting te hebben voor schrijvers uit de "rechtervleugel", zeg ik datzelfde van een aantal deskundige en betrokken mensen uit de kring van de Raad van Kerken. Voor een aantal die ik persoonlijk ken voel ik grote achting. Maar de vraag die hier aan de orde is: hebben ze in hun standpunt gelijk? En natuurlijk ook: kan iemand die vraag in een (relatief) kort artikel overtuigend en gedegen beantwoorden? Ik heb derhalve veelal voor de vraagvorm gekozen.
Een exclusief verbond?
Het is in de praktijk heel goed mogelijk mensen "monddood" te maken met uitgekiende citaten, liefst uit hun verband gerukt. Het is steeds' mijn streven geweest dat soort praktijk te vermijden. De hier volgende' stukken lijken me wel een eerlijk en representatief ·beeld van de “oecumenische visie" te geven. Ik citeer daarvoor uit het al eerder aangehaalde boekje Anders Geloven, Samen Leven:. Na allerhande voortreffelijke informatie te hebben geboden presenteert dat in hoofdstuk IV een aantal "Bijbelstudies". Het eerste kopje daarvan is "verantwoordelijk verbond". Het stuk begint met verbond tussen God en “de mens", die "leefde in Israël" en "door de vroege kerk is overgenomen" en "nog steeds centraal staat in het christelijk geloof.” (p. 33). Iets verderop lees ik: "Het verbond van God met Abraham staat niet los van het verbond dat Hij in Noach met de gehele mensheid sloot ... De gehele schepping is geroepen, tot een samenzijn met hem. De redding van Noach betekent, dat Hij in trouw aan zijn schepping een nieuw en altijddurend verbond aangaat met alle levende wezens, alles wat leven heeft. Hoezeer men ook zondig is, God zal het van. zijn kant gegeven woord van trouw aan zijn schepping gestand doen tegenover heel zijn schepping. Hij bracht de Filistijnen uit Kaf tor en Aram uit Kir (Amos, 9 : 7), zoals Hij Israël uit Egypte heeft geleid.
Gods verbond geldt direct alle mensen. Door heel de geschiedenis van de mensheid heen heeft God zich als "een God van iedereen" waar gemaakt. Zijn oproepen tot bekering, om mens te zijn 'naar Zijn beeld: en gelijkenis" richten zich. tot alle volken. Niemand mag Gods verbonden voor zichzelf reserveren." (pp. 33, 34)
Datzelfde thema wordt aangeslagen in het boven dit. artikel geciteerde gedeelte. Bij een bespreking van hei verhaal van Cornelius, dat we in Handelingen 10 en 11 vinden, komt datzelfde gegeven opnieuw naar voren: "Zij die overeenkomstig de Torah, de Wet, leven mogen gerekend worden tot het volk van God, ook al leven zij buiten de grenzen van het Verbond... Petrus had heel wat overtuigingskracht nodig om de gemeente van Jeruzalem genist te stellen. (Hand. 11: 18). Zij hadden er moeite mee te' aanvaarden dat God geen' voorkeur heeft voor één volk boven alle anderen. Is' dat nog steeds niet een probleem voor veel kerken en christenen?" (37) Bij het verhaal uit Handelingen 17, over de onbekende God lees ik: "Spreekt hier niet uit, dat buiten christendom en kerk . niet alles als duisternis mag worden beschouwd? Van belang in de toespraak van Paulus is dat hij aangeeft hoe onder 'de mannen van Athene' enig zicht bestond in de Waarheid omtrent God en in de manier waarop Hij met de mensen was. Houdt deze opvatting mogelijk ook vandaag nog een bruikbaar uitgangspunt in voor een ontmoeting met de andersgelovigen van nu?" 37, 38). De vraag die bij dit consequent aangehouden thema gesteld moet worden is de vraag naar de toepassing ervan. Blijkt uit de Bijbel niet steeds opnieuw dat met erkenning van het feit van Gods verbond met "alle levende 'wezens" (Genesis 9), door profeten en apostelen, deze "levende wezens" worden opgeroepen tot bekering? In Handelingen 14, dat in het boekje ook genoemd wordt, staat niet alleen te lezen dat "God zich niet onbetuigd heeft gelaten door (alle volken) wel te doen" (vs. 17). Paulus zegt óók tegen de mannen van Lystra, en wel nog éérder: "Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen u dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die hemel en aarde, en de zee, en al wat daarin is gemaakt heeft." (vs. 15) Komt het exclusieve van Gods relatie met Israël en later met de' gemeente, die Hij beide gekozen heeft, in de oecumenische visie wel voldoende tot uitdrukking? Gaat deze visie niet veel verder dan de Schrift zelf?
Bekering tot, de levende God
Er is een tweede aspect dat me feitelijk in de "oecumenische visie nogal verontrust. Als ik in een gesprek een vertegenwoordiger van deze visie hoor zeggen dat voor hem "een moslim zich al tot de levende God bekeerd heeft, dan schrééuwt voor mij zo'n opmerking om nadere toelichting. Evenzo als ik hoor dat ‘m een dialoogsituatie zowel christenen als moslims zich moeten bekeren, Dat vind ik om diverse redenen een ondoorzichtige uitspraak.
Akkoord, de Kerk dienen zich van zeer veel dingen te bekeren, die m Gods oog niet welgevallig zijn; daarvan ben ik, overtuigd. Maar is deze bekering van de Kerk, naar Gods bedoeling toe, van precies dezelfde aard als de noodzaak voor een niet-christen om zich tot de Vader te begeven via de Zoon? Is het begrip "bekering" hier identiek? Zo niet, maken we ons dan niet schuldig aan begripsverwarring, waarbij het woord "bekering" als zodanig een scharnier wordt om zaken van genuanceerd andere aard bij elkaar te brengen? Een uitspraak als “een moslim heeft zich al tot de levende God bekeerd" roept bij mij tenminste twee vragen op. Ten eerste: is Allah dan ontwijfelbaar dezelfde als de God der Schriften? En ten tweede: in hoeverre kan meri, na Gods zelfopenbaring in Christus, de "levende God" kennen buiten de Zoon om? In beide vragen draait het om het exclusieve of niet-exclusieve van Gods Woord in de Zoon. Het' 'ligt "in mijn bedoeling de volgende keer beide kwesties aan te snijden. Het gevoel dat me bekruipt – ik kan het niet helpen - is dat in deze, op Zich uiterst achtenswaardige, poging om het christelijk geloof ook naar andersgelovigen herkenbaar te verwoorden te weinig blijkt van de tinteling, die een oprechte en existentiële relatie met God teweegbrengt.
Waar is het vuur, waar de gedrevenheid om Gods grootheid over te dragen? Waar is het verlangen te laten delen in het kostbare geheimenis van Jezus Christus en die gekruisigd? Natuurlijk erken Ik onmiddellijk dat WIJ als christenen heel gemakkelijk op verkeerde gronden aanstoot kunnen geven aan niet-christenen. Maar als we die onjuiste aanstoot 'vermijden, blijft er dan toch geen aanstoot over? Moeten wij, als we de weg der navolging gaan, niet bereid zijn dingen te zeggen die ook hàrd kunnen overkomen? Omdat Christus zelf ze ons heeft voorgezegd? Moeten we niet méér - en meer herkenbaar "in vuur en vlam staan" voor Christus? Hoe zijn we, leesbare brieven" van onze Zender?
Mag ik er met klem op wijzen dat het hier voor mij niet om theoretische vragen gaat. Het gaat - integendeel - om de vraag of wij, na inderdaad véle eeuwen vijandschap ten opzichte van de islam in slagen, op liefdevolle en duidelijke wijze te spreken over onze God.
Is het nu zo?
Ter afsluiting van dit artikel citeer ik nog wat ditmaal uit. Op elkaar aangewezen, een' al eerder aangehaalde publicatie van de 'Werkgroep Pluriforme Samenleving' van voornoemde' Raad. Binnen 'een mijns inziens terecht gesignaleerd - kader van moeite en onderdrukking waarbinnen onze moslimse medelanders soms zijn terecht gekomen, staat een aantal uitspraken waarvoor ik uw aandacht vraag: "En als zij in die situatie in aanraking, komen met christenen die zich inspannen om hen zo spoedig mogelijk te bekeren, dan krijgen zij het gevoel dat er van hun minderheidspositie misbruik wordt gemaakt.
Voor een ontmoeting op het niveau van de religie is het dan ook nodig om te komen tot een gelijkwaardige dialoog. De dialoog zal er niet op gericht mogen zijn het van de ander te winnen en hem klein te krijgen... In zo'n dialoog zal wel eens aan het licht kunnen komen dat het , christendom niet vrij is van synktristische 'relaties met de vereerders van de godheid Mammon ... Het zal er om moeten gaan dat verschillend gelovigen allen tot hun recht komen en de' volle gelegenheid hebben om vanuit hun eigen religie een bijdrage te geven aan een leefbare samenleving." (p. 21). ' "De ene godsdienst hoeft de andere haar vrijheid en haar invloed in de samenleving niet te ontnemen. Macht kan gedeeld worden ... We kunnen in' gesprek komen over ons geloof (of over het ontbreken daarvan) en juist daardoor de onopgeefbare betekenis ervan bij elkaar ontdekken ... Het gaat in deze wereld niet aan om hindoes, moslims, atheïsten en anderen te dwingen zich te houden aan de 'normen en de regels van Christus, laat , staan van hen te eisen dat zij Hem als de bevrijder van de wereld en van hun leven aanvaarden." (pp. 23, 24).
Ik erken dat zeker een deel van wat hier gezegd wordt aandacht verdient. Ook is de drang naar gerechtigheid om ook degenen die in onze samenleving het moeilijk hebben plaats en ruimte te gunnen mij, sympathiek, Maar Ik denk. daarbij: spreekt het geloof nu zo? Zou menig apostel erop uit zijn gegaan, zou een evangelist of zendeling huis en haard hebben achtergelaten, als dit alles was wat men ervan kan zeggen? Is het geheimenis van Christus ons niet zó kostbaar dat we het wel moèten doorgeven? Geloven we dan niet dat Jezus Zelf het antwoord op de problemen van de wereld is? Net als de vorige Keer valt het me niet licht deze kritiek te uiten. Of men nu naar de ene of naar de andere kant stelling heeft genomen feit is toch maar dat men dan toch maar een opdracht aanvaardt en daarmee wil worstelen. Dat men zich wil inzetten voor een rechtvaardige(r) samenleving. Toch, vrees ik, als de prijs die men daarvoor, betalen moet, en wil de prijs is van het opgeven van de exclusiviteit van de Naam van Christus, dan kan Ik dat niet meemaken! Dan moeten we ons afvragen of die prijs niet tè hoog is. En met name of de Schrift ons misschien ook nog een andere weg te wijzen heeft.