Een helpende hand van synode van Potchefstroom

1988-04-08
  • Jaargang 32
  • nummer 14
Inde gesprekken dit jaar op de synode in Potchefstroom zijn de door de GKV bij ons gesignaleerde afwijkingen in de leer nauwelijks ter sprake geweest.
In 1985 zijn deze klachten al doorgenomen.
Daarbij hebben wij niet ontkend dat deze zaken zich bij ons voordoen, maar dat men van incidenten, die zich heus niet alleen in onze kerken voordoen, geen symptomen moet maken en de voorstelling wekken dat er bij ons leervrijheid is.

Het was niet moeilijk om aan te tonen dat de leer onder ons gehandhaafd wordt, zij het op een andere wijze dan in de GKV. Daarbij moeten de zaken die aan de orde zijn in de juiste proporties worden gezien. Wanneer een predikant in een publicatie er blijk van geeft moeilijkheden te hebben met wat in de Dordtse Leerregels wordt gezegd over de verwerping, zal daar over gesproken moeten worden, maar het gaat te ver deze broeder tot in Afrika en Australië te achtervolgen met de beschuldiging: aanval op de belijdenis.
De broeders in Zuid Afrika hebben aanvaard dat er in onze kerken geen leervrijheid is, maar wel opgemerkt dat er onder ons zich incidenten en onregelmatigheden voordoen.
In het besluit heeft men dank tegenover de Here uitgesproken voor de banden met onze kerken en waardering vooral voor onze bijdrage op het gebied van de zending.
Om onze kerken te dienen is ons Akkoord van kerkelijk samenleven grondig bestudeerd en men kwam tot de conclusie dat daarin openingen zijn naar het independentisme zodat de zuiverheid van de leer niet ten volle beveiligd is.
De synode verklaarde zich bereid een afgevaardigde naar onze landelijke vergadering te sturen om één en ander toe te lichten en ons te helpen.
Het besluit en de overwegingen zijn van een heel andere geest dan de kritiek in de stukken van de GKV en we doen goed de uitgestoken broederhand aan te nemen.
Het is immers ook ons streven om de leer van het evangelie zuiver te bewaren.
In dit verband wijs ik op de verklaring en de uitspraak, die door onze kerken op de Landelijke Vergadering van Utrecht in 1974 zijn aangenomen en doorgaans wordt aangeduid als de de Préambule. Uit de verklaring citeer ik: "Zoals sedert de dagen van de Reformatie in de 16e eeuw de eenheid van de kerken allereerst en ten diepste bestond in hetzelfde geloof, in de gehoorzaamheid aan het Woord van God en in de gemeenschappelijke belijdenis, zo wil-
Ien de Gereformeerde Kerken in Nederland, die in deze vergadering bijeen zijn, elkaar als opnieuw beloven - zich gevend eerst aan de Here en ook aan elkaar - zich aan het Woord van God en aan de belijdenis van de kerk van alle eeuwen te houden. Zij verklaren in dat belijden van de Waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar eenheid en de grond voor haar samengaan te vinden". Het tweede deel van de ambule, de uitspraak is het meest bekend: "De kerken spreken uit, dat het al of niet aanvaarden van het kerkelijk akkoord geen oorzaak van breuk of verwijdering mag zijn tussen gemeenten die één zijn in geloof en belijden".
Na de aanvaarding van het akkoord op de L.V. van Breukelen in 1982 bleek dat een aantal kerken daarin niet kon meegaan, maar met een beroep op de uitspraak in de Préambule toch bij onze kerken wilde behoren en meewerken aan gemeenschappelijke taken en voorzieningen.
Volgens de verklaring en uitspraak kan dit alleen bij eenheid in geloof en belijden.

De beveiliging van leer en belijdenis blijkt ook duidelijk uit art. 17 van het akkoord waarin is overeengekomen dat de ambtsdragers in de kerken de formulieren van Enigheid zullen ondertekenen als blijk van hun instemming met de leer van de kerk en indien iemand dit weigert of niet langer voor zijn rekening kan nemen, zal de uitoefening van zijn ambt worden opgeschort tot hij zich nader zal hebben verklaard ten genoegen van zijn kerkeraad.
De vraag en ook de aarzeling bij deze vreemde verhouding tussen de grote meerderheid van kerken die het akkoord aanvaardden en de anderen die een vrijblijvende houding verkozen was, hoe dit in het kerkelijk leven zich zou ontwikkelen.
Bij mensen die onze geschiedenis niet kennen komt deze constructie maar moeilijk over en niet alleen in Zuid Afrika maar ook in Amerika en Canada wordt de vraag gesteld waar de grens is aan de vrijheid die sommige kerken vragen.
Ligt die grens bij de vrouw in het ambt: of bij de toelating van kinderen aan het avondmaal?
We kunnen stellen dat wij geen verantwoordelijkheid dragen voor de handelingen van de "vrije" kerken.
Het is de vraag of wij dit kunnen volhouden, want wij worden er wel op aangesproken, zoals blijkt uit de voorlichting van de kant van de GKV waarin zaken genoemd worden die we niet kunnen loochenen en dat maakt de taak van vertegenwoordigers van onze kerken er niet makkelijker op.
Het is aan de Landelijke Vergadering van Dronten voorbehouden een antwoord te geven op de vragen en de kritiek van de zusterkerken in Zuid Afrika en niet alleen daar.

Eén ding staat vast: zowel de préambule als het akkoord van samenleven gaan uit van de binding aan de belijdenis.
Ik wens de broeders in Dronten veel wijsheid toe want daar zal de beslissing moeten vallen of we ons gaan bewegen in de richting van de K.O. of niet.

Aan het slot van dit verslag gekomen wil ik nog opmerken dat al hebben wij de correspondentie behouden en is aan de voorwaarde van de GKV niet voldaan, we ons niet moeten gedragen als "overwinnaars in de strijd", want daar is geen reden voor: in het kerkelijk twistgeding in 1988 en in 1967 zijn geen overwinnaars er zijn alleen verliezen.

Wel mogen we dankbaar zijn voor de trouw ons betoond door die Geref. Kerken in Zuid Afrika.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief