Het. Liedboek

1987-01-30
  • Jaargang 31
  • nummer 4
Ook dit Lied zal gelezen (gezongen) moeten worden tegen een bepaalde achtergrond en wel hier van het levensverhaal van Dietrich Bonhoeffer: 1935, leiding predikanten-opleiding in de ontstane kerkstrijd tegen het Nazi-regiem; september 1937 sluiting hiervan door de Gestapo; verblijfsverbod voor Berlijn; 5 april 1943 arrestatie. Na de mislukking van de aanslag op Hitler op 20 juli 1944 werd Bonhoeffer, verdacht van medeplichtigheid in september '44 uit de gevangenis in Berlijn-Tegel, waar hij nog enige kontakten met de buitenwereld kon hebben, vergebracht naar de kelder gevangenis in het beruchte hoofdkwartier van de Gestapo. Door persoonlijke tussenkomst van de Führer werd hij op 9 april 1945 terechtgesteld. Dit lied, geschreven op 28 december 1944 werd vanuit de laatste gevangenis gesmokkeld en was' aan zijn moeder en verloofde gericht, zoals in de eerste strofe duidelijk uitkomt. "Men kan dit lied niet ten volle begrijpen zonder te weten met hoeveel moed en zelfverloochening de dichter jarenlang door de diepten van het lijden is gegaan. Zelf zou hij het niet hebben willen zeggen zo, maar ik heb vertalende, speciaal bij de strofen 2 en 3, de gedachte aan Gethsémané niet van mij af' kunnen zetten. Het herdenken (strofe 4) is hem niet gegeven geweest en hij heeft het weerzien, in strofe 5 verlangd, niet meer mogen beleven", aldus de bewerker van het lied (Comp. p.886-892). Het is duidelijk dat het lied heimwee uitstralend naar een betere tijd, gezien tegen de zojuist beschreven achtergrond een te persoonlijk karakter draagt om zonder meer voor de kerkzang geschikt te zijn. De vraag zou gesteld kunnen worden waarom juist dit lied voor de jaarwisseling is aangegeven, tenzij in een tijd van vervolging. Zo hebben b.v. ook bepaalde psalmen (88, 137) ditzelfde karakter. De melodie past uitstekend bij de tekst. "De ernstige tekst, vol inkeer ,en godsvertrouwen, vroeg om een ingetogen melodie. Zo moet ze ook gezongen worden, Geconcentreerden niet te luid". (Comp. p. 892). Tekst 2; melodie: 3.

Lied 399
Dit Lied, als bewerking. van het waarschijnlijk in de 4e eeuw ontstane "Te Deum" dat een uitermate belangrijke betekenis heeft gehad in het leven van de Christelijke kerk, is, bijzonder geliefd geworden. De zeggingskracht en de nauwgezetheid in het weergeven van de oorspronkelijke Latijnse tekst vallen te bewonderen. In het lied zijn verschillende wijzigingen aangebracht die de tot dusver bekende versie nog belangrijk hebben verbeterd. De melodie is die van Psalm 89. Misschien is' het niet overbodig de volgende opmerking van het Compendium (p. 896) .door te geven; "De grote regellengte verleidt ons meestal tot een ademhaling midden in de zin, waarna we de tweede helft log en geaccentueerd inzetten. Wie licht en in het juiste tempo zingt zal echter merken, dat een zin heel goed onder één adem te krijgen is."
Tekst: 3; melodie: 3.

Lied 400
Als korte aanduiding van de inhoud van' dit Lied, wel' getypeerd als "zonnegezang" zou kunnen worden gesteld dat .' we hier te maken hebben 'met een vorm van "natuur-mystiek". Aan de verschillende hemellichamen zon, maan en sterren en, vervolgens aan de vier elementen, zoals zij toen werden gekend: lucht, water, vuur en aarde, worden menselijke eigenschappen toegedicht, terwijl aan het eind de mens et zelf in wordt betrokken in leven en dood. Strofen 1 en 12. zijn o.i. wel aanvaardbaar, maar de rest met de beschreven' eigenschappen van broeder en zuster lijkt ons niet acceptabel als kerklied. De melodie is mooi, maar het teveel herhaalde "halleluja", werkt vermoeiend en vervlakkend. Tekst: 1; melodie: 2.

Lied 401:
Het algemeen bekende Lutherlied, ook wel aangeduid als Hervormingslied "Een vaste burcht is onze God", heeft in de bewerking van dit Lied belangrijke wijzigingen (c.q. verbeteringen!) ondergaan.
Het heeft vele jaren gefungeerd als een soort martiale strijdzang tegen Rome. Op goede gronden mag worden aangenomen dat Luther, die boven zijn lied schreef "Der 46 Psalm", het geschreven heeft tussen 1526 en 1528. Dat was een tijd vol persoonlijke aanvechting in Luthers leven: woorden en beelden I van het lied, hebben een ,grote mate van overeenkomst met de bewoordingen die in deze periode in enkele. van zijn brieven voorkomen. "Dat de reformator zijn lied, tegen. de Paapsen of Turken zou hebben gedicht, ligt dus' niet zeer voor de hand; waarschijnlijker is, dat het zich richt tegen de duivelen, waardoor hij zich in zijn persoonlijk leven bedreigd voelde". (Comp. p. 907). Daarbij komt nog dat "we heden ten dage niet 'alleen meer weten van de zin van Luthers tekst en haar verhouding tot Psalm 46, maar wij ook weer kennen de oorspronkelijke' vorm .van Luthers.
eigenhandig geschreven melodie met haar originele ritmiek". Dan is daaruit wel met zekerheid af te leiden "dat de hervormer zijn' lied geenszins het karakter. van een strijdlied heeft meegegeven, dat een karikatuur zou zijn van wat het lied in wezen , was en ook' wilde zijn. Het is de moeite waard om dan ook van Luhers strijdlied weer een kerklied te maken". (Comp.: p. 908-911). T.a.v. de in het liedboek aangegeven melodie moet de aandacht worden gevestigd op de foutieve plaatsing van het rustteken aan het, eind van, de 7e regel. Tekst: 3; melodie: 3.

Lied,402
Al is dit Lied in de. persoonlijke "ik-vorm" geschreven, het wordt daardoor niet bepaald. De inhoud is wel degelijk herkenbaar als algemeen geldend en toepasselijk voor allen. Het lied neemt in Luthers hymnen dan ook een heel aparte plaats in. "Al het andere wat de reformator aan liederen heeft geschreven ten gebruikte in de kerkdienst, is objectief van toon. Slechts een enkele maal spreekt zich daarin een "ik" uit. Hier echter is het alsof heel Luthers persoonlijke geloofsworsteling onder woorden komt. (In 't bijzonder strofen 2 en 3.) Maar op dit persoonlijke wordt gepreludeerd in een Ie strofe, die uitnodigt om het aan ons allen geschiede heel vrolijk te bezingen. Het lijkt mij dan ook onjuist, de strofen 2 en 3 alleen maar als uitdrukking van Luthers eigen nood en vertwijfeling in het klooster te Witten berg te verstaan. Mij dunkt 'dat we de ik-stijl van het lied beter hebben begrepen, wanneer we ons realiseren dat van de hier in het geding zijnde (naar Luthers overtuiging ieder van ons uiterst persoonlijk aangaande) dingen eenvoudig niet adequaat in de objectieve wij-vorm te spreken zou zijn geweest". (Comp. p. 911). De melodie past voortreffelijk bij Luthers tekst met zijn 7-regelige strofen. Tekst: 3; melodie: 3.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief