De zegen in geding (Gen. 27)

1987-02-06
  • Jaargang 31
  • nummer 5
.Jacob ontsteelt Ezau den vaderlijken zegen." Bij dit opschrift boven Gen .27 (N. V.) knikken we instemmend' en daarmee hebben we deze geschiedenis teruggebracht tot, een ordinaire familieruzie 'om de, erfenis. De bijbel zet dit gebeuren in een ander kader: "door het geloof ook inzake de toekomende dingen heeft 'Izaäk zijn zonen- Jacob en Ezau (in die volgorde!) gezegend." (Hebr. 11 : 20)

Daarbij frons je dan wel je wenkbrauwen: hoe kan dat nu - door het gelóóf? Maar blijkbaar heeft die schrijver oog voor andere dingen dan wij. Rij ziet de gouden draad van Gods voornemen en handelen door, de heilsgeschiedenis heen lopen. Met dàt wat hieraan beantwoordt: het gelóóf; de enige weg tot, verkrijging van' het heil. Hebr. 11 is daar vol van, maar juist dàt aspect wordt maar, al te vaak over het' hoofd gezien.
Waar let die briefschrijver op? Op de "toekomende dingen", op dat wat God had beloofd m.h.o. op de toekomst.
Te' weten: de belofte van een talrijk nageslacht, de belofte 'van een eigen land en de belofte dat alle volkeren t.z.t. in de zegen zullen delen (Gen. 12 : 1-3; 26 : 4. Die toekomstige goederen zijn de inzet bij wat zich afspeelt in Izaäks en in Rebecca's tent. Op dat punt moet je dus, met Hebr. 11, vaststellen: Izaäk gelóófde God, geloofde in de realiteit van Gods beloften. En als bij Abraham zou je kunnen zeggen: dat werd hem tot gerechtigheid gerekend..!

Ondubbelzinnig geloof
Izaäk gelóófde Gods beloften. Hij zei , dus niet' tegen zijn jongens: wóórden waardeloos - zoek je heil maar' elders, bij een andere god, want, de God van Abraham belooft wel veel, maar je, blijft er koud van '... Nee, ook als Izaäk zó oud is geworden, dat hij zelf het einde voelt naderen (27: 4, vgl. -27 : 41), dan zijn het nog die beloften van God, die de inhoud van zijn zegen 'l:lepalen (27 : 28, 29). Hij is er zelf nog steeds mee bezig en houdt er zijn zonen mee bezig. Zonder dat ook hij in feite iets in handen kreeg (Hebr. 11 : 40).
Evenals Abraham geloofde Izaäk God ondubbelzinnig: .zijn hart was ongedeeld. Eenzelfde getuigenis geeft de Schrift ook van Jacob (25: 27; de N.V. geeft dit helaas, weer met "huiselijk"). Straks zal de lijn zijn aan te wijzen: Abraham (de vader aller gelovigen, dus ook van) Izaäk en Jacob. Jacob heeft fiducie ook inzake het eerstgeboorterecht (25: 31 vv). De vraag is nu alleen: hóe zal de zegen van Izaäk naar Jacob gaan? Op dit punt is niet in geding het ongedeeld vertrouwen, maar wèl hoe Gods voornemen gerealiseerd gaat worden. Had God zèlf niet uitdrukkelijk gezegd: je oudste zal den jongste dienen - de eerste zal de laatste zijn? God zelf had dat voornemen, nog vóór de geboorte van de tweeling, uitdrukkelijk bekend gemaakt.. Maar hoe dat zou gebeuren, dat had God tot nu toe verborgen, achter de 'hand gehouden.

Verborgen of verberging
Prof. B. Holwerda schreef destijds: "God bleef hem verbergen op welke wijze Hij dit besluit zou uitvoeren".
Een fijnzinnige notitie voor iets dat zich in de heilsgeschiedenis steeds weer herhaalt. Terecht ook heel actief geformuleerd: ook de (tijdelijke) verberging is een welbewuste dáád van God. Een daad om het geloof, het gelovig uitzien .en werkzaam zijn, te activeren en actief te houden: Gods openbaring zet immers de menselijke activiteit niet op dood spoor. We' spreken dus niet van een verborgen God (want God openbaart zich, ook aan Izaäk), maar over God die soeverein het ene verbergt en het andere openbaart (vgl. bijv. Ef. 3: 1-13; 1 Petrus 1 : 10 vv). Soeverein: niet door, een mens ter verantwoording te roepen. De hoeveelheid (het quanturn) van de openbaring bepaalt God zelf en zij hangt dan samen met .het tijdstip en de, ontwikkeling van de heilsgeschiedenis. De openbaring is gedoseerd, zou je kunnen zeggen.

Voorliefde contra voornemen
Terug naar Izaäk. De jaren verstrijken - tot Izaäk ouderdomsstaar heeft gekregen en meent dat zijn einde nadert: het wordt tijd om zijn zonen te zegenen. Dan gaan allerlei dingen spelen en' meespelen. Dingen die er al lang waren. Zoals: "en Izaäk had Ezau lief, want wildbraad was naar zijn smaak; maar Rebecca had Jacob lief (25 : 28). Hielden deze ouders elk maar van één van hun beide kinderen? Nee - "liefhebben" wil zeggen:' op de eerste plaats laten komen, een voorkeur,. een voorliefde hebben voor.
Nu komt, bij alle omstreden geloof in Gods beloften, iets anders aan de orde: het conflict tussen eigen voorkeur en Gods' voornemen. Een voornemen waarvan Izaäk uiteraard weet heeft gehad, maar waar hij zich ook op zijn oude dag tegen verzette. Waarbij de vraag rijst: wie schrijft nu eigenlijk de heilsgeschiedenis?

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief