Christelijke Vrijheid

1988-04-15
  • Jaargang 32
  • nummer 15
Aan de L. V. te Enschede is indertijd door de kerk van Amsterdam-C een uitspraak gevraagd betreffende het diakenambt. Het roepen van een zuster daartoe is daarin genoemd een zaak van" Christelijke vrijheid".
Bij de bespreking van het voorstel maakte een broeder-afgevaardigde vragende de opmerking dat die Christelijke vrijheid het cruciale punt was, maar hoe dan?

Inderdaad. "Christelijke vrijheid". We zeggen het zo gemakkelijk. Als iets vanzelfsprekends.
De vraag van die broeder kwam toentertijd bij mij over alsvoor hemzelf - eigenlijk een retorische vraag. Ten onrechte, zoals ik dezer dagen van hem vernam: hij wachtte nog op een antwoord.

Actualiteit
De term "Christelijke vrijheid" in het Amsterdamse voorstel verdient thans een meer algemene bespreking, nu in onze kerken de discussie over zusters als ambtsdragers opnieuw actueel is.
Daarbij wil ik op het gebruik van deze term in de context van dit voorstel graag afzonderlijk kort ingaan.
Tenslotte wil ik ervoor pleiten, om bij verwijzing naar ons art. 34 Akkoord Kerkelijk Samenleven (A.K.S.) in dezen, dit toch vooral correct te doen.

Schriftgegevens'
1. Een belangrijke tekst voor ons onderwerp is Gal. 5 : 1: "Opdat wij waarlijk vrij zouden zijn, heeft Christus ons vrijgemaakt. Houdt dus stand en laat u niet weder een slavenjuk opleggen".
De tekst verwijst direkt terug naar het slot van Gal. 4 : Hagar, de slavin en Sara, de vrije. Hagar wordt verbonden met de Sinaï en staat op één lijn met het "tegenwoordige" Jeruzalem, met zijn kinderen in slavernij. Maar - aldus Paulus - onze moeder is het vrije hemelse Jeruzalem; wij zijn kinderen van de belofte, kinderen "van de vrije".
Laat u nu niet wéér een slavenjukopleggen (wetticisme), maar "wandelt door de Geest" (5 : 16).
2. Johannes 8. Tegenover de pretentie van de Joden: "Wij zijn Abrahams nageslacht en zijn nooit iemands slaven geweest" (vs. 33), stelt Jezus dat ze in' feite slaven der zonde zijn. "Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn" (vers 36).
Vrijheid dus, maar door de Zoon en aan Hem verbonden.
3. 1 Petrus 2: 15-17: "Want zó is het de wil van God, dat gij door goed te doen de mond snoert aan de onwetendheid van de onverstandige mensen, als vrijen en niet als mannen, die de vrijheid misbruiken tot dekmantel voor hun kwaadwilligheid, maar als dienaren Gods. Eert allen, hebt de broederschap lief, vreest God, eert de keizer". Als vrijen dus de vrijheid gebruiken, maar dan wel als dienaren van God.
4. Romeinen 8 : 1-17. De wet van de Geest tegenover de wet der zonde, wandelen naar de Geest tegenover wandelen naar het vlees, de gezindheid van de Geest tegenover de gezindheid van het vlees.
. Karakteristiek dus voor de Christelijke vrijheid, te vinden bij, èn te zoeken door hen, "die naar de Geest zijn": zij "hebben de gezindheid van de Geest ... : leven en vrede" (vers 5 en 6).

Eenvoudige voorstelling
Voor mijzelf maak ik vaak gebruik van een simpele omschrijving, waarmee natuurlijk niet alles is gezegd. Op ons hele levensterrein, niet alleen kerkelijk en geestelijk, maar ook in wat we tegenkomen in ons dagelijks leven is ethisch te onderscheiden als volgt: Ia. wat Gods Woord ons verbiedt, b. wat Gods Woord ons gebiedt, c. het overige daartussen in: dat wat in de Schrift van Godswege ons niet is verboden en ook niet is geboden, of anders gezegd: datgene waarover de Schrift ons niets duidelijk voorschrijft.
Dit is dan het "terrein", waar God ons, in onze tijd en situatie, Christelijke vrijheid geeft. Je kunt dan samenvattend formuleren, dat voor alles op dat terrein geldt: - het màg wel, maar het moet niet, - en ook: het is niet geboden, maar het is wel geoorloofd. Een beslissende keuze zal dan vaak afhangen van omstandigheden, of ook van "omstanders".
Onttrekt zich dan die keuze feitelijk aan het beslag van Gods Woord? Volstrekt niet. Christelijke vrijheid is iets totaal anders dan de zogenaamde vrijheid van de autonome mens. Naar een woord van Kuyper is er zelfs geen duimbreed op heel ons levenserf waarvan Christus niet zegt: dat is Mijn.
De vrijheid van de autonome mens maakt hem tot slaaf van de zonde en voert hem naar verderf en dood. De Christelijke vrijheid is vrijheid in gebondenheid aan Christus: de door Christus vrijgemaakte mens laat zich leiden door Zijn Woord en Zijn Heilige Geest, het is een vrijheid die gedijt in een leven met Hem.
Onze Christelijke vrijheid vindt een beeld in de vis in het water. Buiten het water sterft de vis; het water is voor hem levensvoorwaarde "levend water", om zo te zeggen, en het geeft een "natuurlijke" vrijheid.
Christelijke vrijheid is vrijheid, beheerst door de liefde tot onze Heer, bepaald door de gezindheid van de Geest.

Ja maar .....
Eenvoud is kenmerk van het ware, maar het ware is niet altijd één-voudig.
Want binnen een gemeenschap, die erkent dat bij voorbeeld een nieuwe ontwikkeling behoort tot terrein c, de Christelijke vrijheid, zal toch de ene misschien zeggen: ,ja, het mag, we doen het dus", en de ander: "maar het hoeft niet en ik ben er tegen". Wie krijgt dan gelijk? Maar hééft hij ook gelijk? Ik denk, dat ons onderwerp nog gecompliceerder is. Want de "grenslijnen"
tussen c "in het midden" en a en b aan weerskanten daarvan zijn niet altijd voor aller ogen scherp aangegeven. Van die grenslijnen zal onderkend worden, dat ze verschillend liggen - en ook kunnen liggen - in de opeenvolgende tijdperken, of ook bij de onderscheidene volken en culturen, en zelfs binnen kleine geloofsgemeenschappen tot binnen onze gezinnen toe. De grenslijnen zijn eigenlijk grensgebieden, zal iemand opmerken.
Van twee mensen, of ook van twee kerken of andere gemeenschappen, die allebei heel dicht leven bij de Here en Zijn woord, zal de ene van oordeel zijn dat een concreet voorstel behoort tot onze Christelijke vrijheid en de andere, dat uitvoering daarvan is verboden. Om welke reden dan ook. Misschien zal een derde kunnen oordelen, dat beiden gelijk hebben: ook al is het voorstel inderdaad een zaak van Christelijke vrijheid, dan nog kunnen er omstandigheden zijn, die uitvoering verbieden of althans minstens doen opschorten. Juist vanwege die Christelijke vrijheid: iets wat mag, is nog geen uitdrukkelijk gebod van de Heer.
Van die twee kerken zal de ene wellicht het voorstel uitvoeren, maar de andere zal dat niet mógen doen, beide in hun Christelijke vrijheid. En naar een bekend woord zullen die twee kerken daarbij "geduld met elkaar hebben" en in liefde tot de broederschap van elkaar aannemen, dat de Here hen beide een verschillende weg kan gunnen. En van die twee mensen in één gemeenschap zal de ene de ander geen aanstoot geven en de andere die ene evenmin. Zij kunnen ook samen de tijd van God verwachten, waarin Hij hen de weg duidelijk zal maken. Samen in actieve verwachting.
En voor allen geldt Paulus' waarschuwing in Rom. 14 : 23: Al wat niet uit geloof is, is zonde. Dat vergt biddend zelfonderzoek (naar Psalm 139): is misschien niet bij de ander, maar mogelijk bij mijzelf "een heilloze weg"?
Wellicht liggen dan in de praktijk de problemen, die met deze verschillen meekomen wel eenvoudiger dan we "uit onszelf' vermoeden. Als we dit alles nu eens vergelijken met Rom. 14. Ik geef een bloemlezing uit de eerste 12 verzen: De een gelooft, dat hij alles eten mag, maar de zwakke eet plantaardig voedsel.
Wie wèl eet, rninachte hem niet, die niet eet, en wie niet eet, oordele hem niet, die wèl eet, want God heeft hem aanvaard. Deze stelt de ene dag boven de andere, gene stelt ze alle gelijk. Wie aan een bepaalde dag hecht, doet het om de Here, want hij dankt God; en wie niet eet, laat het na om de Here en ook hij dankt God. Want niemand leeft voor zichzelf, wij zijn des Heren. Zo zal een ieder voor zichzelf rekenschap geven aan God. Als God dan "beiden" aanvaardt, zullen zij elkaar dan niet aanvaarden?

Onze zuster-ambtsdrager
Ik citeer de toespitsing van het Amsterdamse voorstel aan de L.V. Enschede.
"Zij (bedoeld waren de N.G. Kerken, in L.V. bijeen) zijn van oordeel dat alleen in de plaatselijke situatie is te overwegen of ook een zuster der gemeente van Godswege geroepen kan zijn tot het ambt van diaken; zij spreken daarom uit dat het een zaak van Christelijke vrijheid is, als een plaatselijke kerk onder biddend opzien tot de Heer een zuster tot het diaken ambt roept". (Akta, blz. 125). Zoals bekend heeft de L.V. deze "uitspraak" toen niet kunnen honoreren en besloot zij tot nadere studie. Het "oordeel" dat hier voorgesteld werd, houdt in dat niet regionaal of landelijk maar uitsluitend plaatselijk overwogen kan worden, of broeder X of zuster Y van Godswege tot het ambt geroepen kan zijn: heeft hij of zij het geloof, de gaven, de mogelijkheden daarvoor?
'oe "uitspraak' in het voorstel maakte kenbaar dat het voor Amsterdam-C duidelijk was, dat deze roeping
van zusters onder de Christelijke vrijheid valt: niet van God geboden noch verboden.
De kerk van Amsterdam vroeg om dit ook landelijk uit te spreken. Het is óók een landelijke zaak. Zaak van Christelijke vrijheid: vrijheid in gebondenheid aan Christus. Vandaar de zinsnede "onder biddend opzien tot de Heer".
Dit maakt als complementair vereiste een wezenlijk deel uit bij een plaatselijke procedure. Wij vragen de Here, of Hij inderdaad broeder X of zuster Y tot het ambt wil roepen. Of Hij ons daarvoor als 't ware het groene licht wil geven.
Ambtsdragers zullen plaatselijk "wettig van Gods gemeente en mitsdien van God zèlf tot deze heilige dienst beroepen zijn", zegt ons bevestigingsformulier terecht.

Tenslotte art. 34 A.K.S.
Er is wel gezegd (ook ter L.V. Enschede), dat de Christelijke vrijheid waar Amsterdam van sprak, helemaal niet kon; het zou een kwalijk misbruik zijn van de woorden uit art. 34: "om redenen die het welzijn van de gemeente betreffen".
Een mooi woord voor vermeende plaatselijke vrijheid. Tegenover de competentie van de landelijke gemeenschap.
De klacht was reeds feitelijk misplaatst; de kerk van Amsterdam had zelfs op velerlei wijze de zusterkerken geraadpleegd.
En de Christelijke vrijheid heeft niet alleen een diepe betekenis voor haarzelf, maar evenzo voor de meerdere vergaderingen. Ook de kerk van Amsterdam-C zal beslissingen van deze vergaderingen als zodanig accepteren.
Zoals afgesproken in het Akkoord, art. 34.
Maar binnen die Christelijke vrijheid is er tegelijk een Christelijke verantwoordelijkheid.
En de verantwoordelijkheid voor God en de kerken is van een L.V. een geheel andere als die van een plaatselijke kerkeraad.
Overigens spreekt art. 34 helemaal niet over besluiten van een kerkeraad, maar alleen over besluiten van regionale en landelijke vergaderingen en over wat de afzonderlijke kerken met zulke besluiten zullen doen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief