Heel de kerk
1987-03-06
De vorige keer zagen wè, dat Hoedemaker de vaderlandse K~rk zag als een natuurlijk en organisch geheel van plaatselijke kerken en beslist niet als een confederatie van autonome kerken. Alle kerken in een district of in een land vormen sámen de openbaring van Christus' lichaam. En daarom is het onmogelijk, dat men zich individueel van deze kerk zou, losmaken. Wel acht het mogelijk; dat gemeenten zich in hun geheel van de Synodale Organisatie losmaken, mits men de band met de andere gemeenten- blijft vasthouden. Als Enige grond voor uittreden' mocht slechts gelden de overtuiging dat de organisatie van 1816 tegen Gods Woord was. Bovendien zou het altijd moeten gaan om verlossing van héél de Kerk en niet alleen van de Gereformeerden daarin. Daarom had Hoedemaker er ook de grootste moeite mee, dat Kuyper c.s. eerst de Gereformeerden binnen de Kerk organiseerden op grondslag van de belijdenis als statuut om daarna ALS PARTIJ de strijd tegen de Synodale Organisatie aan te binden. Daardoor moesten z. i. de Gereformeerden als partij wel in het isolement komen, wat de' strijd danig vertroebelde. Want werden zo de niet-gereformeerde orthodoxen niet ten onrechte buiten spel gezet?- Jaargang 31
- nummer 9
Taxatie van de nood der Kerk
Hoedemaker meende, dat de Dolerenden de nood van de Kerk niet diep genoeg peilden. Als bron van alle kerkelijke ellende zag Hoedemaker de Synodale Organisatie, die in '1816 aan de Kerk is opgelegd en die zij zich had láten opleggen. Hoedemaker typeerde deze organisatie als onwettig, in haar oorsprong, omdat ze aan de Kerk is opgedrongen; als onbijbels in haar wezen, omdat onder haai de ambten niet schriftuurlijk kunnen' functioneren; als verderfelijk in haar strekking, omdat ze de door Hoedemaker zozeer verfoeide zonde van de partijschap in de hand werkte. "
Er woedde immers, constant een felle strijd om in kerkenraden en synodalebesturen de eigen mannetjes te krijgen. Maar Hoedemaker heeft nooit van harte mee' kunnen juichen, wanneer een ' classics "om' was, d.w.z. wanneer de, orthodoxen de meerderheid hadden behaald.
En ooit verzuchtte hij 'eens: "God beware ons voor een orthodoxe Synode!" Tenminste binnen de bestaande organisatie. Want het wezenlijke kwaad zat niet in de bemanning van de besturen, maar in de organisatie zelf. De wijze waarop de' Kerk georganiseerd was met haar binding aan de Regelementen van.1816 maakte per definitie elke' geestelijke en broederlijke tucht onmogelijk.
Schuld van de orthdoxie
Tegelijk zag Hoedemaker in, de bestaande situatie in de Hervormde Kerk duidelijk de' schuld van de orthodoxie. Zij hadden' in 1816 hun roeping niet verstàan. Zij hadden nauwelijks of helemaal niet geprotesteerd. En dus waren zij mede oorzaak van de nood van de Kerk. En daarom zag Hoedemaker bekering als het eerst noodzakelijke. Ons christenvolk staat schuldig aan hetgeen in 1816 is geschied en kan niet verlost worden verlost worden zonder dit te erkennen": 1) Het is het principe van: samen ziek, samen ook weer gezond.,Als 1868 strijd ontstaat over de verbindende kracht van dé Doopformule, schrijft Hoedemaker in verband daarmee een brochure: "Wat staat ons te' doen?". Daarin zegt hij o.a.: "Toen wij vroegen: Wat staat ons te doen? was dat de vraag der verlegenheid. Wij vrágen het aan de gemeente, niet omdat we van deze of gene een antwoord verwachten dat tot hiertoe verzwegen is, maar omdat dit VRAGEN het enigste is, dat ons op dit ogenblik te doen staat". 2)
Het Doleantiejaar
Ondanks het feit, dat er nogal wat verschil in opvatting was tussen, Hoedemaker en Kuyper c.s., brachten de gebeurtenissen in het jaar 1886 hen bijzonder dicht tot elkaar. Het kerkelijk conflict in Amsterdam rondom de attestenkwestie riep bij Hoedemaker felle verontwaardiging 'op. ,En in zijn weekbladartikelen wekte hij op tot steun aan de gemeente van Amsterdam. Als op 11 december 1886 de Algemene Synode de geschorste kerkenraadsleden afzet, spreekt hij in zijn brochure "Machtsvertoon of wettig gezag?" hierover een scherpe veroordeling uit. Hij juicht het toe, dat door de standvastigheid van de Amsterdamse kerkeraad de Hervormde Kerk onontwijkbaar voor de vraag is gesteld of ze al of niet een belijdende Kerk wil zijn. En hij hoopt vurig, dat men, ondanks de kerkrechtelijke maatregelen, de band met andere plaatselijke kerken. zal weten vast te houden. Ja, dat het eindelijk tot het doorbreken van een nieuwe reformatie zal mogen komen. Van harte' stemt hij ermee in, dat de kerkeraad van Amsterdam dam verklaart te willen komen tot verlossing 'van héél de gemeente.
December 1886
In de maand december van 'het jaar 1886 gaat Hoedemaker op reis naar Friesland. Hij spreekt daar op een bijeenkomst in Sneek. En hij roept de.
aanwezigen met geestdrift op om het Kerkelijk Congres te bezoeken, dat op 11 januari 1887 te Amsterdam bijeen zal komen. Het is een Congres van kerkeraads- en gemeenteleden, die tegenover de tyrannieke Algemene Synode een daad willen stellen. Hoedemaker dringt er bij de Friezen in Sneek op aan toch vooral afgevaardigen naar dit Congres te sturen. Het is de hoogste tijd om de strop, die de Synode de kerken om de hals beeft gelegd, eindelijk af te werpen, lEn om duidelijk uit te spreken, dat men niet langer wenst deel te nemen aan de gruwelen, die onder het synodale juk gepleegd worden. Hoezeer Hoedemaker echter ook opriep om dat juk nu dan toch eindelijk eens af te werpen, toch ·heeft hij hierbij geen moment gedacht aan individuele alrtiesof aan het optreden van groepen van gemeenteleden. Voortdurend bad bij voor ogen, dat kerkereden met ambtelijk gezag hele gemeenten onder de Synodale Organisatie weg zou leiden.
Maar omdat hij na de boven vermelde verklaring van de Amsterdamse kerkenraad meende, dat Kuyper en Rutgers e.a, ook op deze lijn zaten, veronderstelde hij waarschijnlijk bekend, dat dit ook nu zijn standpunt nog was.
Het Congres en de breuk
Groot was daarom Hoedemakers teleurstetling, toen hem bleek dat op het Congres van 11 januari 1887 toch een andere koers gevaren 'werd. Op 1 januari ontving Hoedemaker het verzoek om zelf op het Congres het woord te voeren. Hoedemaker vroeg of hij de vrijheid had om dat te doen volgens de overtuiging, die. de kerkenraad bekend was. De kerkeraad antwoordde, dat het te kort dag was om hierover nog een diskussie aan te gaan. En uit bezorgdheid, dat bet optreden van Hoedemaker wel eens verwarrend zou kunnen werken, tot de kerkenraad zijn uitnodiging maar weer in. Hoedemaker neemt nu het besluit het Congres dan maar helemaal niet meer' te bezoeken. Op de morgen van 11 januari ontvangt hij echter van Kuyper een briefje met het verzoek om toch nog enkele prae-adviezen voor het Congres door te nemen. Dus begeeft hij zich vals nog naar het gebouw "Frascati'''.
waar het Congres gehouden wordt Bij de ingang krijgt. hij de ondertekeningsformule onder ogen, die aan iedere bezoeker wordt' voorgelegd.
Deze luidt als volgt: "Ondergetekende lid der Ned. Herv.(Geref.) Kerk te ...
verklaart, dat hij de afwerping van het juk der Syn. Hiërarchie voor plichtmatig houdt :voor een ieder; die het Koningschap van Jezus in Zijne Kerk wil eren". Hierover raakt hij in een korte, felle discussie met Rutgers. Daarin I .
verwijt Hoedemaker ten overvloede de dolerenden, dat zij op deze wijze veel te individualistisch optraden, terwijl z.i. alleen kerkereden het recht hadden om het juk der hiërarchie' af te werpen.
Zonder Kuyper, die nog niet aanwezig was, verder gesproken te hebben, verlaat Hoedemaker het gebouw, waarbij hij gezegd moet hebben; "God ontferme zich over dit arme volk". En daarmee is de breuk tussen Hoedemaker en de dolerende een feit.
Reformatie door reorganisatie
Het zou interessant zijn om na te gaan, boe Hoedemaker na' zijn definitieve breuk 'met de dolerenden. zélf en verder vorm gegeven beeft aan zijn streven naar he'rstelvan de vervallen Herv. Kerk. Zijn pogingen daartoe zijn uitgebreid beschreven in het boek van dhr. W. Bale, Gunning en Hoedemaker - Samen op weg ('S Gravenhage, 1985).
Uit dit boek blijkt, hoe de ethische Gunning en de gereformeerde Hoedemaker elkaar hierbij een stuk nader zijn gekomen. Maar op bun gemeenschappelijke pogingen hebben zij maar weinig resultaat gezien. Hoedemaker heeft geprobeerd verder te komen op de weg van reformatie door reorganisatie. immers, pas in een gereorganiseerde Kerk zou de Gereformeerde belijdenis weer kunnen functioneren. In december '86 had hij in zijn rede te Sneek de wens uitgesproken om via een volks petitionnement de Koning W verzoeken de Kerk van de opgelegde organisatie te verlossen. In'88 geeft hij de Classes in overweging de Synode te verzoeken een plan tot reorganisatie te ontwerpen.
Maar in welke richting denkt hij dan? Zijn biograaf Scheers merkt op: "We doen Hoedemaker echter zeker geen recht, wanneer we in zijn geschriften al te nauwkeurige aanduidingen zouden willen zoeken' omtrent het 'hoe' van de reorganisatie: Die zijn niet te vinden. En voor zover hij ze geeft; spreekt hij zichzelf op een andere plaats weer min of meer tegen". 3) .
Hoedemaker in Nijland
We laten dit verder rusten. Maar toch is het nog wel de moeite waard om te zien, hoe Hoedemaker zelf optrad in een soortgelijk conflict als er in Amsterdam was ontstaan. Zoals in zijn levensschets al is vermeid, beeft Hoedemaker in 1887 zijn professoraat aan de V.U. net neergelegd en keerde terug de pastorie en wel in het Friese Nijland. Daar kreeg hij al gauw te maken met geestverwanten van Kuyper, die aan de kerkeraad het verzoek richtten om in de doleantie te gaan. De kerkeraad antwoordde toen, dat dit slechts kon geschiedden ten koste van scheuring van de gemeente. Pit offer achtte men te groot. Tegelijk schreef men echter aan de Synode, dat de gemeente van Nijland '"niet langer wenschte geacht te worden vrijwillig tot onze organisatie mee te werken, maar verlangde terug te keeren tot de Presbyteriale kerkorde". 4) Vervolgens deed zicb dezelfde attesten kwestie voor als in Amsterdam. Enkele jongenlui vroegen een attest aan om bij de moderne predikanten van het naburige Bolsward belijdenis te kunnen doen. De kerkeraad weigerde dit attest te geven. En mocht de openbare belijdenis desondanks plaats vinden, dan zouden de betrokkenen niet ais' leden van de gemeente" van Nijland worden ingeschreven! De openbare belijdenis ging wel door. Maar men liet zich niet inschrijven. Men zou dit uit achting voor de persoon van Hoedemaker niet, gedaan hebben, als we een mededeling van een dochter van Hoedemaker mogen geloven. Wat zou er echter gebeurd zijn, als men' erop had gestaan toch te worden ingeschreven in
zijn geschrift "De roeping der Gereformeerden in de Hervormde Kerk" uit 1888 schreef Hoedemaker, dat men geen duimbreed heeft af te wijken, wat ook de, gevolgen mogen zijn. Dan kan zelfs afscheiding het laatste redmiddel zijn, maar ,,niet als uitleiding van de Kerk, niet als stichting van een nieuwe Kerk, veel minder van een nieuw genootschap, maar als een tijdelijk uitwonen van de historische Kerk opgevat, tot zelfbehoud en zolang eenige hoop bestaat, dat God zich nog zal ontfermen over de Kerk, die wij genoodzaakt waren, hetzij gedwongen, hetzij vrijwillig te verlaten?” 5) Je vraagt je dan wel af, hoeveel conflicten er in concrete zijn geweest inde verdere geschiedenis van de Herv. Kerk tot op vandaag, waarin in de geest van Hoedemaker. een dergelijke afscheiding als laatste. redmiddel is aangegrepen.
Noten
1) G. Ph. Scheen, Philippus Jacobus Hoedemaker, Wageningen, 1939, blz. 223.
2) A. Janse, Uit de geschiedenis der Kerft, Enschede 1952, blz. 227.
3) Scheen, a.w. blz. 219.
4) J.Scholdrlng e.a., Dr. Ph. J. Hoedemaker 1868-1908. Gedenkboek ter gelegenheid van zijn 40-jarige ambtsbediening, Leiden, 1908, blz. 141.
5) Scheers, a.w. bla. 215.