Het eigene van Christus' opstanding

1989-09-15
  • Jaargang 33
  • nummer 19
In de theologische wereld is op het ogenblik een nieuwe diskussie gaande over de lichamelijke opstanding van onze Heer Jezus Christus.
Een zekere heer Jenkins, bisschop van Durham in de Kerk van Engeland, heeft gemeend zijn paaspreek van dit jaar te kunnen gebruiken om de feestelijk samengestroomde gemeente van zijn ongeloof in de lichamelijke opstandig van onze Zaligmaker deelgenoot te maken. Ten onzent is professor F.O. van Gennep, kerkelijk hoogleraar voor de ambtelijke vakken te Leiden (die de jongelui dus het preken moet Ieren!), hem bijgevallen.
Hij acht de prediking dat Jezus Christus 'lichamelijk' uit de dood zou zijn opgestaan exegetisch onjuist, hermeneutisch onverdraagbaar en in theologisch opzicht aanvechtbaar.
'Hervormd Nederland' van 19 augustus jl. publiceerde naar aanleiding van deze uitlatingen de recente mening van tien theologen over dit punt, onder de titel 'Opstanding of Hocus Pocus?'. Onder hen was ook professor Joh. Verkuyl. Het verwonderde, mij niet da deze broeder als bijbel-gelovige, ja als belijder, onmiddellijk herkenbaar was.
Dat kan ik helaas van de anderen niet zeggen. Het opmerkelijke in dit nieuw opgelaaide debat is dat men de Schrift zelf te hulp meent te kunnen roepen voor de stelling dat we niet gehouden zijn in een lichamelijke opstanding van Christus te geloven.
Grote nadruk legt men daartoe op het woord van Paulus uit 1 Korinthiërs 5: 50 dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet kunnen beërven. Velen zijn bereid op grond van dit woord de heren Jenkins en Van Gennep verregaand tegemoet te komen. Zou iemand daartegenover dan op de boodschap van het ledige graf willen wijzen, dan kan hij te horen krijgen dat dit inde bijbel een late, sekundaire en dus weinig gezaghebbende traditie is. Opstanding - ja, lichamelijke opstanding - nou ja, zo valt de mening van de meeste reagerende theologen samen te vatten.

Geen vermenging!

Wat mij in dit gesprek nu zo opvalt is dat men de schriftgegevens over de opstanding van Jezus Christus én die over onze zalige opstanding dooreenmengt en dat men wat de apostel Paulus in het grote opstandingshoofdstuk 1 Korinthiërs 15 over de algemene opstanding schrijft zonder meer toepast op de verrijzenis van onze Here. En zeker, het gáát in die twee opstandingen ten diepste ook om hetzelfde. Maar toch zie ik een belangrijk verschil. De opstanding van onze Heiland heeft van godswege een 'pedagogisch plus' meegekregen dat voor ons nodig was omdat Christus' opwekking ván de doden in déze tijd en in onze wereld heeft plaatsgevonden.
Was namelijk de Here opgewekt precies zoals eenmaal gestorven gelovigen zullen worden opgewekt: in enkel een geestelijk lichaam dus dat inderdaad niet door serx maar door doxa, niet door vlees maar door gland of luister gekarakteriseerd is, - dan zou dit centrale heilsfeit ons totaal zijn ontgaan, eenvoudig omdat ons bestaan van nu de antenne mist om de signalen daarvan op te vangen. De opstanding van Christus moest derhalve in het vlees geschieden omdat wijzelf in het vlees zijn. Het is merkwaardig: de moderne kritische theologen willen de opstanding van Christus vasthouden met weglating van het lichamelijke karakter daarvan. Maar de vooronderstelling van dit opstandingsgeloof is nu juist het oude dogma van Christus' lichamelijke opstanding, want we zouden helemaal van geen opstanding van Christus weten ware het niet dat ze in het lichaam heeft plaatsgevonden.
Wéér is hier waar het woord dat ik al eens bij een eerdere gelegenheid van de oude professor Jan Woltjers aanhaalde, waarin hij kort en knap formuleerde: de vooronderstelling van de kritiek is de betrouwbaarheid van de traditie.

Het 'pedagogische plus'

Christus' opstanding had vanwege het plaatsvinden in onze wereld en in deze tijd iets geheel eigens dat zo niet van de opstanding ten laatsten dage geldt. Laat ik proberen dat eigene onder woorden te brengen.
Wij weten dat de Schrift in Oude en Nieuwe Testament ons van dodenopwekking vertelt. Denk maar aan de zoon van de weduwe van Sarfath die door Elia van de doden werd teruggebracht of aan Lazarus die door de Here Jezus aan zijn geliefden werd teruggeven. Opzettelijk gebruik ik nu twee woorden die het element 'terug-' bevatten. Want inderdaad werden deze doden teruggehaald, aan déze kant en op 6nze oever omhooggebracht: Zij gingen niet door de dood heen om op de overzijde omhoog te klauteren. 20 zal dat wél zijn bij de opstanding ten laatste dage, maar bij deze bijbelse vooroefeningen bleef het allemaal nog 'diesseitig'. Het eigene·nu van Christus' opstanding is geweest dat het een kombinatie was van dit 'terug' en dit 'doorheen'. De Opgestane droeg van beide de tekenen.
enerzijds at de Here voor de ogen van zijn jongeren enige toespijs, toonde Hij hun de lidtekens van de opgelopen verwondingen, legde hij tegenover Maria van Magdala het bekende klank-timbre in zijn stem: Maria!, en was Hij herkenbaar aan, een Hem zo eigen gebaar als het broodbreken met de ogen dankend ten hemel opgeslagen, Dat zijn allemaal dingen waarmee de Here Jezus herinneringen opriep aan hoe het eerder geweest was. En het Nieuwe Testament kan dan ook de zestiende psalm letterlijk op de opgestane Christus toepassen: Gij zult uw heilige geen ontbinding laten zien (Handelingen 2:31 en ,13:35).
Heelhuids is Jezus door de dood heengekomen. Geen been van Hem is gebroken en geen cel van Hem is afgebroken.
Aan de andere kant echter was de Opgestane duidelijk van een andere bestaansorde, zodat Hij kon binnenkomen terwijl de deuren gesloten waren. De opgestane Here was dus terug uit de doden en door de dood heen. Zo heeft de Here God in de opstanding van zijn Zoon een zichtbare oeververbinding willen leggen tussen hier en daar, nu en straks.
Zonder die zichtbare oeververbinding zou immers de identiteit van de Verrezene niet vaststaan, Het heerlijke 'Hij is Hij', Hij-hier én Hij-daar zijn dezelfde! Op deze wijze heeft God de opstanding van Christus ook tot een pand van onze zalige opstanding gemaakt. Want nu vast staat: Hij-voor-de-dood is dezelfde als Hij-nà-de-dood, nu troost ons zijn belofte: waar Ik ben daar zal ook mijn dienaar zijn.

Onze zalige opstanding

Dit eigene van Christus' opstanding brengt nu evenwel mee dat wij uit de verschijningen van de opstane Here geen konklusies kunnen trekken ten aanzien van de hoedanigheid van ons opstandingslichaam. Wij kunnen bijvoorbeeld niet zeggen dat omdat Christus na zijn opstanding gegeten heeft, wij in het toekomende leven ook voedsel tot ons zullen nemen.
Dat wat tot het pedagogische plus van Christus' opstanding behoort is immers van tijdelijke aard geweest en heeft bij de opstanding ten laatsten dage zijn funktie ook verloren, omdat alsdan onze identiteit ondervindelijk vast zal staan. Daarom kan Paulus van 6nze zalige opstanding (zalige, omdat er ook een onzalige' zal zijn!) dan ook zeggen dat vlees en bloed het koninkrijk Gods niet zullen beërven noch de vergankelijkheid de onvergankelijkheid. Hij iser zich van bewust dat hij van hieruit geen invulling van het opstandingsleven kan geven. Het zal lichamelijk zijn, maar gééstelijk-lichamelijk. Als een goede katechiseermeester houdt de apostel een graankorrel op zijn..hand en vraagt: jongens, wat is dat? Tarwe, zeggen de jongelui. Dan houdt hij een tarweplant omhoog en vraagt: en dit dan, wat is dat? 0ok, tarwe, zeggen de kinderen: Precies, legt Paulus uit, jullie zullen straks dezelfde zijn maar niet hetzelfde.
Echter, Paulus kàn zo spreken omdat Christus die identiteit in zijn opstanding zo vleselijk-duidelijk heeft gemaakt. Hij kàn zo spreken vanwege het lege graf dat tesamen met de verschijningen het schriftuurlijke bewijs is van de lichamelijke verrijzenis van onze Here.

Ten derden dage

Ook het 'ten derden dage' van Christus' opstanding, waar alle vier de evangelies het over hebben', is wel verre van een later toevoeging te ' zijn (wat de kritiek ook hiervan zonder goede gronden beweert) een aanwijzing van het eigene van 's Heren verrijzenis. Want dit ten derden dage verkondigt in de taal van de Schrift enerzijds het onomstotelijke van Christus' dood: drie is het getal van de definitiviteit, zoals in onze uitdrukking 'ik tel tot drie',maar het duidt van de andere kant aan dat Jezus' lichaam nog niet zichtbaar tot ontbinding was overgegaan, zoals wél bij Lazarus het geval was over wiens dood reeds de vierde dag was aangebroken (Johannes 11: 39). Zo veraanschouwelijkt het 'ten derden dage' dat "Hij, dien God heeft opgewekt, geen ontbinding heeft gezien" (Handelingen 13:37). Tegenover een kerkelijk blad dat onder de frivole kop 'Opstanding of Hocus-Pocus?' de lichamelijke.
verrijzenis van onze Here ter diskussie stelt, willen wij daarom aan juist de lichamelijkheid van dit grote heilsfeit vasthouden. Zonder die lichamelijkheid is namelijk het hele woord 'opstanding' voor wat met Christus op de paasmorgen gebeurd is een slag in de lucht. Wij kunnen niet de tak van Christus' lichamelijke verrijzenis' doorzagen en dan toch menen triomfantelijk in de boom van het opstandingsgeloof te blijven zitten.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief