Over het schortje van de nederigheid
1989-09-15
- Jaargang 33
- nummer 19
Wederkerigheid of groepsgebeuren?
Zojuist heb ik in mijn studeerkamer Schmoller bovenop Trommius gelegd.
Natuurlijk zijn dat geen mensen.
Het is niet mijn gewoonte op een dergelijke manier met mensen om te springen. Ooit waren het wel mensen. Maar tegenwoordig zijn het boeken. Ze liggen nu, opengeslagen en wel, op mijn bureau op elkaar.
Uiteraard is dat op zich een weinig interessante mededeling. Maar bij wie het artikel van prof. dr. D. Holwerda 'Elkander onderdanig' (in Opbouw van 4-8-'89 e.v.) gelezen heeft, brengt ze wellicht een belletje aan het rinkelen. In een bespreking van mijn uitleg van Ef. 5:21 v.v. voert hij Schmoller en Trommius ten tonele om aan te tonen, dat 'elkaar' niet altijd naar wederkerigheid verwijst, maar ook vaak alleen maar aanduiding is van een groepsgebeuren.
Om de posities even kort samen te vatten: in mijn uitleg stel ik, dat de opdracht elkaar onderdanig te zijn het karakter van wederkerigheid draagt voor alle groepen gemeenteleden die Paulus in deze verzen noemt: vrouwen, mannen, kinderen, ouders, slaven en heren. Volgens Holwerda is dat niet te handhaven, omdat zo de gezagsverhoudingen die daar ook aan de orde zijn, weggemoffeld worden. De oproep tot onderdanigheid geldt nl. alleen voor de (gehuwde) vrouwen, de kinderen en de slaven.
In zijn artikel wijst hij uitvoerig aan dat het wederkerig voornaamwoord 'elkaar' in een levende taal heus niet altijd wederkerigheid impliceert. De voorbeelden die hij noemt (o.a. dat van Trommius en Schrnoller) laten dat onomstotelijk zien. En het kost me dan ook geen enkele moeite hem op dit punt bij te vallen. Hij heeft gelijk: 'elkaar' verwijst niet per definitie naar wederkerigheid.
Geen logicistische benadering
Anderzijds is het natuurlijk ook waar, dat 'elkaar' evenmin per definitie wederkerigheid uitsluit. Of er al dan niet van wederkerigheid sprake is, moet blijken uit het verband. En het is op dit punt dat ik ook na weging van Holwerda's argumenten, met hem van mening blijf verschillen.
M.L wijzen het tekstverband en ook, in bredere, zin, de lijn die ik in de Schrift meen te zien, uit dat 'elkaar' hier wel degelijk een wederkerige betekenis heeft. Blijkbaar lees ik dit Schriftgedeelte dan toch met enigszins andere ogen dan prof. Holwerda. Ik wil graag een poging wagen uit te leggen hoe ik tot mijn verklaring gekomen ben.
Graag sluit ik mij van harte aan bij wat prof. Holwerda aan het slot van zijn artikel schrijft inzake het elkaar opscherpen in het recht verstaan van wat de Schrift zegt. Het zou een groot goed zijn, als we samen daaraan iets mogen bijdragen.
Het verband zal moeten uitmaken of 'elkaar' al dan niet wederkerig moet worden opgevat, schreef ik al. Dat betekent dat ik het helemaal met Holwerda eens ben, als hij waarschuwt tegen een logicistische taalbenadering. Nu kun je, ook als je het gevaar van een dergelijke manier van lezen kent, natuurlijk in concreto toch wel eens in die valkuil terechtkomen.
Ik hoop in het volgende duidelijk te maken, dat mijn verklaring van Ef. 5:21 v.v. althans niet aan dat manco laboreert.
Gelijkwaardigheid
Vrijwel alle voorbeelden die prof. Holwerda noemt om aan te tonen, dat 'elkaar' niet per definitie een wederkerige betekenis heeft, zijn zonder meer duidelijk. Het enige dat m.i. ook een andere interpretatie toelaat, is dat van 1 Cor. 11:33. Hoewel de verklaring van Holwerda het meest voor de hand ligt, kan ik met toch ook voorstellen dat er iets van wederkerigheid kan meeklinken, wanneer we ons. nl. voorstellen dat het 'voedsel dat door de rijken én de armen werd meegenomen naar de samenkomsten, daar werd samengevoegd en vervolgens tijdens de maaltijd gelijkelijk verdeeld. Maar goed, dat is niet meer dan een detailmoqelijkheid die verder niet van invloed is op de centrale vraag: hoe moeten we Ef. 5:21 v.v. lezen?
Om mijn verklaring van dit bijbelgedeelte in een wat breder kader te plaatsen, lijkt het me goed eerst aandacht te geven aan Gen. 1-3. In Gen. 1:27 wordt gesproken over de schepping van de mens. God schiep hen mannelijk. en vrouwelijk, d.w.z. als tweeërlei geslacht. Niet alleen de man maar ook de vrouw wordt door God adam (mens) genoemd (Gen. 5:1). Anders gezegd: mannelijk en vrouwelijk zijn voor God gelijkwaardig (wat overigens niet hetzelfde' is als gelijk).
Dat komt ook tot uitdrukking in Gen: 1:28. God zegende hen en God zei , tot hen: weest vruchtbaar en wordt talrijk, vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen, enz. Dit vers wordt vaak getypeerd als de cultuuropdracht. Die kwalificatie is niet juist. Er is hier geen sprake van een gebod maar van een zegen, precies zoals bij de dieren (vs. 22). Door Gods zegenende scheppingswoord krijgt de mens niet de opdracht maar de aanleg tot vruchtbaarheid en tot heersen over de schepping.
Dat geldt blijkens de tekst ook voor de vrouwen. Ook zij hebben van God de aanleg gekregen om de aarde te onderwerpen en over de schepping te heersen. Het veelgehoorde argument dat het een scheppingsordinantie is, dat de vrouw geen leiding mag geven, is dus niet in overeenstemming met de letterlijke tekst van Gen. 1:28. Volgens Gen. 1 zijn man en vrouw door God volkomen gelijkwaardig bedoeld. Natuurlijk is er wel verschil (mannelijk en vrouwelijk).
Maar dat leidt in Gods ogen niet tot ongelijkwaardigheid. Voor mijn besef is dit een uiterst belangrijk gegeven, waar in het verleden veel te weinig oog voor is geweest.
Elkaar in de ogen kijken
Het is eveneens van belang, dat in Gen. 1 het huwelijk nog niet aan de orde komt. Dat gebeurt pas in Gen. 2. In Gen. 1 gaat het over de plaats en'de aanleg van man en vrouw in de totaliteit van de schepping. In dat kader is de verhouding tussen man en vrouw een andere dan in het huwelijk.
Die huwelijksrelatie komt ter sprake in Gen. 2: de mens en zijn vrouw (vs. 25). Er wordt daar verteld dat Adams vrouw geschapen wordt als een hulp die bij hem past (vs. 18). De Statenvertaling zegt: een hulp als die tegenover hem zij. Dat is dichterbij de grondtekst. Letterlijk staat er een hulp als zijn tegenover. Gispen vertaalt: een hulp als zijn wederhelft, Voor mijn besef geeft dat de bedoeling iets duidelijker weer dan: een hulp die bij hem past. Dat is te gemakkelijk te associëren met een geschikte hulp in de huishouding die bv. schoenen poetst. Uiteraard mag een vrouw dat wel doen, maar dat is niet iets dat uit deze tekst voortvloeit.
'Tegenover hem' drukt uit: man en vrouw staan in het huwelijk oog in oog met elkaar. Ze staan niet naast elkaar, zodat de een de ander niet ziet. Ze staan ook niet boven of onder elkaar, zodat de een op de ander neerkijkt. Maar ze staan tegenover elkaar, met het gezicht naar elkaar toe, zodat ze elkaar in de ogen kijken.
Wanneer man en vrouw in het huwelijk elkaar niet meer in de ogen kunnen kijken, is er iets grondig mis met dat huwelijk.
Zo is de vrouw door God bedoeld: als een hulp die haar man recht in de ogen kan kijken en zo zijn eenzaamheid opheft. Uit heel het verband blijkt dat het 'hulp zijn' bestaat in het teniet doen van de eenzaamheid van haar man.
Het is zeer opvallend, dat in Gen. 2 nergens gezegd wordt dat de man het hoofd is van zijn vrouw. Trouwens, we komen die uitdrukking in het hele Oude Testament nergens tegen. In het Nieuwe Testament stuiten we er wel op, en wel uitsluitend bij Paulus; in.1 .Cor. 11 en in Ef. 5. Wanneer je Gen. 2 zorgvuldig doorleest, vind je ook niets dat in de richting van die uitdrukking wijst. Er valt in dat hoofdstuk nergens een spoor van onderschikking van de vrouw te signaleren. Het elkaar in de ogen kijken wijst juist een andere kant op.
Indammen
Dat heeft alles te maken met het feit, . dat in Gen. 2 de zondeval nog niet heeft plaatsgevonden. Daarover krijgen we iets te horen in Gen. 3. De zonde heeft de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk ernstig aangetast en op een gruwelijke manier verwrongen. Eén van de gevolgen van de zondeval was nl.: uw man zal over u heersen (vs. 16).
Men is die woorden van God gaan lezen als een gebod. In het oude huwelijksformulier wordt onomwonden gezegd, dat het een ordinantie (d.w.z. een bevel, gebod) van God is, dat de man over zijn vrouw heerschappij zal hebben. En de vrouw -wordt voorgehouden, dat ze deze ordinantie van God niet mag weerstaan.
Helaas werd dat een volkomen verkeerde interpretatie van Gen. 3:16 v.v. Er worden daar verschillende dingen genoemd: met smart kinderen baren, het heersen van de man over zijn vrouw, dorens en distels, in zweet brood eten en tot stof weerkeren.
Uit het verband blijkt overduidelijk, dat we in dat alles niet met geboden te maken hebben, maar met een straf.
Ten aanzien van de dorens en distels heeft men dat altijd wel begrepen.
Er is nooit een synode of kerkelijke instantie geweest die het bestrijden van dorens en distels verbood.
Toch zou een dergelijk verbod nodig geweest zijn, als er in Gen. 3:16 v.v. sprake was van ordinanties van God. Maar iedereen besefte: we hebben niet met een gebod maar met een straf van God te maken. En je mag proberen de gevolgen van die straf in te perken. Als een boer de dorens en distels bestrijdt, verzet hij zich niet tegen Gods ordinantie, maar dan probeert hij alleen maar de doorwerking van de straf zoveel mogelijk te beperken. Dat mag. Het is geoorloofd de gevolgen van de straf zoveel mogelijk in te dammen, hoewel het nooit helemaal zal lukken.
Gen. 3:16 als leesbril
Maar als dat ten aanzien van de dorens en distels geldt, dan geldt dat ook ten aanzien van het heersen van de man over zijn vrouw. Het is geoorloofd de gevolgen van die verwringing in te perken. In een christelijk huwelijk mogen de dorens en distels van het heerschappij voeren van de man zoveel mogelijk uitgeroeid worden, al geldt ook hier dat het nooit volledig lukt.
Helaas gebeurde het tegenovergestelde.
Men ging Gen. 3:16 als een gebod zien, d.w.z. als iets dat het leven beschermt, in plaats van als een verwringing. En vanuit dit ‘gebod' verklaarde men alles wat men in de bijbel over de verhouding tussen man en vrouw in het huwelijk tegenkwam. Dit als een gebod opgevatte strafwoord werd de bril waardoor men andere bijbelgedeelten ging lezen en interpreteren, met alle kwalijke gevolgen van dien.
Maar daar bleef het niet bij. Men ging die verkeerde interpretatie van Gen. 3:16 niet alleen toepassen op de huwelijksverhouding, maar ook op de verhouding tussen man en vrouw in het algemeen. Daardoor werd de straf van God door de mens zelf nog eens verduizendvoudigd.
Dynamiet
Wat kunnen we nu in het Nieuwe Testament over dit alles vinden? Wat de verhouding tussen man en vrouw in het algemeen betreft grijpt het Nieuwe Testament terug op de situatie zoals die was in den beginne (Gen. 1). In Christus, zegt Paulus in Gal. 3:28, is geen sprake van mannelijk en vrouwelijk. Dat betekent meer dan dat mannen en vrouwen gelijkelijk deel hebben aan het heil in Christus. Als er niet meer bedoeld was, zou er in vergelijking met de tijd van het oude verbond op dit punt niets uitgebouwd zijn. Ook in het Oude Testament deelden de vrouwen immers al in Gods heil. Wat Paulus in Gal. 3:28 schrijft, heeft wel degelijk consequenties voor de positie van de vrouw in de samenleving, een positie die zowel bij Israël als in de volkerenwereld ver beneden het peil van Gods oorspronkelijke opzet gezakt was.
Paulus' opmerking legde dan ook dynamiet onder de opvattingen van de rabbijnen en onder de gangbare praktijk in de joodse samenleving.
De vrouw verkeerde daar in een positie van onmondigheid. Aan vrouwen onderricht in de Thora geven werd door de rabbijnen als verspilde moeite beschouwd. Bekend is de uitspraak van een rabbi die zei: je kunt de Thora beter verbranden dan haar onderwijzen aan een vrouw. In de synagogale samenkomsten telden vrouwen niet mee. Om een wettige samenkomst te hebben was de aanwezigheid van tien mannen vereist.
Wanneer er slechts negen mannen waren, kon de samenkomst niet doorgaan, ook al waren er meer dan vijftig vrouwen aanwezig. Tijdens die samenkomsten zaten de vrouwen apart in een afgescheiden ruimte, van waaruit ze niet actief aan de dienst konden deelnemen. Bovendien hadden getuigenverklaringen van vrouwen in rechtszaken geen enkele rechtskracht.
Het Nieuwe Testament maakt ondubbelzinnig duidelijk, dat de opmerking van Paulus in Gal. 3:28 veel meer wil zeggen dan dat ook de vrouw mag delen in de vergeving der zonden.
Dat er in Christus geen sprake meer is van mannelijk en vrouwelijk gaat op allerlei manieren blijken en doorbreekt het hele joodse samenlevingspatroon.
Praktische consequenties
Zo zijn vrouwen de eerste getuigen van Christus' opstanding en ze moeten dat bericht overbrengen (zie Matth. 28:7 v.v.). Als Paulus en Silas in Filippi zijn, vinden ze op de sabbat op de gebedsplaats alleen maar vrouwen. Kennelijk zijn er geen mannen om een wettige synagogedienst te kunnen houden. Maar dat is voor Paulus en Silas geen reden om onverrichter zake weer te vertrekken.
Integendeel, ze spreken daar tot die vrouwen. Dat ging dwars tegen het joodse patroon in en was zonder meer ongehoord.
Dat laat zien dat Paulus' opmerking in Gal. 3:28 wel degelijk praktische consequenties had ten aanzien van de positie van de vrouw. Dat geldt, zo mogelijk in nog sterkere mate, eveneens van het feit dat vrouwen in de samenkomsten van de nieuwtestamentische gemeente een actieve rol speelden en daar bijv. voorgingen in gebed en profeteerden. Paulus vindt dat prima, mits ze het niet blootshoofds doen als teken van een streven naar autonomie (zie 1 Cor. 11:5). In de synagoge was dat ondenkbaar.
Voor Paulus is het geen punt, want het is een praktische consequentie van zijn uitspraak in Gal. 3:28.
Eveneens als een uitvloeisel daarvan maakte Paulus voor de prediking van het evangelie evenzeer van vrouwelijke als van mannelijke medewerkers gebruik. Timotheüs was zo'n medewerker (Rom. 16:21), maar ook Prisca met haar man (Rom. 16:3). En Euodia en Syntyche hebben samen met Paulus, naast Clemens en Paulus' overige medewerkers, gestreden in de prediking van het evangelie (Fil. 4:3). Paulus gebruikt zowel voor vrouwen als voor mannen hetzelfde woord medewerker.
Alweer: bij de rabbijnen en in de joodse samenleving was dat ondenkbaar.
Maar Paulus kan van mannelijke én vrouwelijke medewerkers gebruik maken, omdat er in Christus geen sprake meer is van mannelijk en vrouwelijk.
Dat is een enorme doorbraak geweest.
Wie beweert dat Paulus een vrouwenhater was - en dat wordt nogal eens beweerd - heeft hem nog nooit echt geproefd. In Christus wordt de verhouding tussen man en vrouw in de samenleving dus weer georiënteerd op Gen. 1:27,28. Mannen en vrouwen krijgen een gelijkwaardige plaats.
Correctie in plaats van bevestiging
Evenals bij de verhouding tussen heren en slaven werden alle praktische consequenties daarvan echter niet in één keer getrokken. Er kwam zelfs al vrij snel (na 200, Tertullianus) weer een tegenbeweging op gang, waardoor de winst die het Nieuwe Testament gebracht had, weer teloorging. Wat de slavernij betreft duurde het tot ver in de vorige eeuw voordat eindelijk de volle consequentie getrokken werd uit de nieuwtestamentische regel: in Christus is geen sprake van slaaf of vrije.
Wat de verhouding tussen man en vrouw betreft, beleven we het misschien deze eeuw nog. Ten aanzien van het 'in Christus is geen sprake van Jood of Griek' zijn we nog lang niet zover. Zolang God nog voor nationalistische karretjes gespannen wordt, er nog nationale vlaggen in kerken opgehangen worden, volksliederen nog in kerkelijke liedboeken opgenomen worden en wij ons nog nederlands gereformeerde kerken noemen, zijn de consequenties uit deze woorden van Paulus nog niet getrokken.
Het maximaal haalbare
Wat de huwelijksverhouding betreft spreekt Paulus over de man als het hoofd van zijn vrouwen in Ef. 5 verwijst hij daarbij naar de verhouding tussen Christus en de gemeente.
Zoals Christus het Hoofd is van Zijn gemeente, is de man het hoofd van zijn vrouw (Ef. 5:23). Ook dat is bedoeld als een correctie op de verwringing van Gen. 3:16 en niet als een bevestiging daarvan. Het wordt wel vaak als een bevestiging van Gen. 3:16 opgevat, omdat men die woorden als normatief ziet. Maar dat is toch een misvatting.
Nu is het niet zo vreemd dat men in Paulus' vergelijking geen correctie op maar een consolidering van Gen. 3:16 ziet. Dat hangt samen met het feit dat er in de verhouding hoofdlichaam onmiskenbaar sprake is van een onderschikking. Het lichaam is ondergeschikt aan het hoofd. Dat kan gemakkelijk tot de gedachte leiden, dat de man over zijn vrouw moet heersen.
We hebben al gezien, dat deze onderschikking niet te vinden is in Gen. 2. Maar ten gevolge van het oordeelswoord van Gen. 3:16 is een volledige terugkeer naar de situatie van Gen. 2 niet haalbaar in deze gebroken wereld. Precies zoals de dorens en distels zover mogelijk teruggedrongen mogen worden maar nooit helemaal uit te roeien zijn, zo mag ook het heerschappij voeren van de man over zijn vrouw zover mogelijk teruggeschroefd worden, maar het zal nooit helemaal lukken. Het maximaal haalbare is dat de man weliswaar hoofd van zijn vrouw is, maar dat dan invult op de manier waarop Christus dat deed.
Niet Gen. 3:16 maar Christus staat bij Paulus model voor de houding van de man in het huwelijk.
Christus als Hoofd
Wat moeten we ons daarbij voorstellen?
Als Paulus het beeld van hoofd en lichaam gebruikt voor de verhouding van Christus tot zijn gemeente, ligt er in het woord 'hoofd' in de context van Ef. 1:10,22 en Ef. 4:15 heel duidelijk een verwijzing naar Christus' majesteit en koningschap over heel de schepping (zie bijv. Ef. 1:20-22; 4:10; Col. 1:15-18; 2:9,10).
Die majesteitelijke Christus die zijn koningsmacht uitoefent gezeten aan de rechterhand van God (Ef. 1:20; Col 3:1), is aan de gemeente gegeven als haar Hoofd. Dat garandeert dat de gemeente niet de prooi zal worden van de machten die op haar ondergang uit zijn; maar dat ze tot goddelijke worden van de machten die op haar ondergang uit zijn, maar dat ze tot goddelijke wasdom zal komen (Ef. 4:16; Col. 2:19) en dat ook zij uiteindelijk met Hem zal verschijnen in koninklijke luister (Col. 3:4).
Overigens deelt de gemeente reeds nu in die luister (Ef. 2:6), al is dat nu nog verborgen (Col. 3:3).
Dat deze majesteitelijke Christus het Hoofd van zijn gemeente is, kan heel gemakkelijk uitgelegd worden in de richting van het heerschappij voeren over de gemeente. Dat is ook niet onbijbels gedacht. Maar het is opvallend dat Paulus dat niet doet, als hij in Ef. 5 de verhouding tussen Christus en de gemeente als model hanteert voor de huwelijksverhouding.
Het Hoofd zijn van Christus betekent daar wel dat de gemeente door Hem beschermd, bewaard, opgebouwd en in stand gehouden wordt (zie Ef. 5:23), maar van heerschappij voeren over de gemeente is in dat verband geen sprake. Integendeel. In Ef. 5 wijst Paulus op iets heel anders.
Christus heeft zijn gemeente liefgehad en zich voor haar overgegeven (vs. 25). Hij voedt en koestert haar (vs. 29). In heel het gedeelte van Ef. 5:23-33 kan ik dan ook nergens iets vinden dat verwijst naar het heerschappij voeren van Christus' dienstbaarheid. Daarbij heeft hij ongetwijfeld gedacht aan Schriftplaatsen als Joh. 13:13,14. Hoewel Christus hun Heer en Meester is, laat Hij zich de voeten niet wassen door zijn discipelen, maar wast Hijzelf hun voeten. Hij kwam immers niet om zich te laten dienen, maar om te dienen (Matth. 20:28; vgl. Marc. 10:45; Luc. 22:26,27).
Dienstbaarheid gaat niet ten koste van hoogheid
Christus heerst over alle overheid, macht, kracht en heerschappij. Maar in zijn verhouding tot zijn gemeente wijst Paulus in Ef. 5 op een ander aksent: daar komt het dienen, het zich ten dienste stellen van, om de hoek kijken, ondanks het feit dat de gemeente wel degelijk aan Hem als aan haar Hoofd ondergeschikt is.
Doe ik daarmee tekort aan de hoogheid van Christus? Dat is zeker niet mijn bedoeling. En ik ben van mening dat ik het ook niet onbedoeld doe. Voor mijn besef geef ik weer wat Paulus met het beeld van hoofd en lichaam wil zeggen over de verhouding tussen Christus en de gemeente.
Dat Paulus het Hoofd zijn van Christus in dit gedeelte van Ef. 5 duidt als een zich overgeven ten behoeve van en als een zorgen voor, is richtinggevend voor de manier waarop de man als hoofd van Zijn vrouw zich te gedragen heeft. Anders gezegd: dat de man het hoofd is, moet niet geïnterpreteerd worden vanuit Gen. 3:16, maar vanuit het dienstbaar zijn van Christus. Alleen in de oriëntatie op Christus kan de doorwerking van de straf van Gen. 3:16 werkelijk teruggedrongen worden, zonder dat man en vrouw daarbij in onderlinge rivaliteit en in een strijd om de macht verwikkeld raken.
En precies zoals het dienstbaar zijn van Christus niets afdoet aan zijn Hoofd zijn, zo doet ook het onderdanig zijn van de man geen afbreuk aan zijn hoofd zijn. Met andere woorden: de manier waarop Paulus in Ef. 5 invulling geeft aan de wijze waarop de man zich tegenover zijn vrouw behoort te gedragen, sluit de wederkerigheid van het elkaar onderdanig zijn (vs. 21) niet uit, maar onderstreept die m.i. juist.
Het schortje van de nederigheid
Dat die wederkerigheid in Ef. 5:21 niet per definitie onmogelijk is, moge ook nog blijken uit vergelijking met 1 Petr. 5:1-5. Ook daar is sprake van verschillende groepen in de gemeente: oudsten en jongeren. Tot de jongeren wordt gezegd: onderwerpt u aan de oudsten (vs.5). De oudsten krijgen o.m. te horen, dat ze geen heerschappij mogen voeren over wat hun ten deel gevallen is; maar dat ze voorbeelden moeten zijn. En generaliserend zegt Paulus dan: omgordt u allen jegens elkaar met nederigheid.
Omgorden verwijst naar het ombinden van de voorschoot van een slaaf, het symbool van zijn ondergeschiktheid.
Bij ons was tot aan de 2e wereldoorlog toe de witte dienstboden-schort ook zo'n symbool van ondergeschiktheid. Alle gemeenteleden moeten zich jegens elkaar onderschikken door de schort van de nederigheid om te binden.
Nederigheid verwijst ook weer naar de onderworpenheid van een slaaf aan zijn heer. Met die nederigheid moeten alle gemeenteleden zich jegens elkander omgorden. Het gebruik van het woord 'allen' impliceert dat 'elkander' hier niet in de betekenis van sommigen gebruikt" is maar in die wederkerigheid.
Nadat Petrus eerst gezegd heeft dat een bepaalde groep (de jongeren) zich aan de oudsten moet onderwerpen, vervolgt hij dus met te zeggen dat allen zich jegens elkaar met nederheid moeten omgorden (dus ook de oudsten jegens de jongeren).
We vinden hier een mooie parallel met Ef. 5:21, die me bevestigt in mijn opvatting, dat ook daar van wederkerigheid sprake is. Die wederkerigheid doet geen afbreuk aan gezagsverhoudingen, evenmin als het feit dat Jezus zich omgordde met de doek van de staatse nederigheid (Joh. 13:4) afbreuk deed aan zijn Heer en Meester zijn (Joh. 13:14).
In vrijheid
Overigens worden de gezagsverhoudingen in het Nieuwe Testament fundamenteel gerelativeerd, omdat voor een christen slechts één gezag absoluut is: dat van Christus. En Hij is in alle onderlinge verhoudingen, ook in gezagsverhoudingen, het grote voorbeeld in wiens voetstappen zowel ondergeschikten als gezagsdragers behoren te treden.
Dat het element van vrijwilligheid niet per definitie in het zich onderschikken besloten ligt, erken ik graag. Dat ik die vrijwilligheid toch noemde, hangt samen met het feit dat het Nieuwe Testament geen weet heeft van kadaver-gehoorzaamheid.
Zich onderschikken en gehoorzamen dragen daar nooit een wettisch karakter, maar vinden plaats binnen het raam van de vrijheid in Christus.
Prof. Holwerda noemt het een vreemde exegetische manoeuvre wanneer ik beweer, dat zich onderschikken wil zeggen: zich ter beschikking stellen van.
Volgens hem is dat een drastische, afzwakking van dit begrip. Misschien schiet mijn taalgevoel hier tekort, maar dit kan ik niet volgen. Als Jezus de voeten van zijn discipelen wast, wat is dat anders dan dat Hij zich ter beschikking van hen stelt?
Wat wil de onderworpenheid van een slaaf aan zijn meester anders zeggen dan dat hij tot diens beschikking staat?
Conclusie
Concluderend zou ik willen zeggen, dat er in Ef. 5:21 wel degelijk sprake is van wederkerigheid en dat dit geen afbreuk doet aan gezagsverhoudingen.
Holwerda's argumenten met betrekking tot een gezagsverhouding binnen het huwelijk heb ik hier grotendeels laten rusten. Die wil ik graag nog wat meer op me laten inwerken. Mijn eerste indruk is, dat ze veel van hun gewicht verliezen vanwege de wederkerigheid in vs. 21. Maar zelfs als ze hun volle gewicht zouden behouden, is dat nog niet van invloed op bovenstaande conclusie.