Prio wordt deel predikantenopleiding
2011-02-18
Het zal nog even duren, maar als het aan de Landelijke Vergadering ligt, levert de Nederlands Gereformeerde Predikantenopleiding in de toekomst beter toegeruste voorgangers af. Zij zullen zich in de gemeente vooral concentreren op de Woordverkondiging, krijgen tijdens hun studie werkbegeleiding, stages en een assessment en overbruggen de tweejarige periode tussen studie en ambtsaanvaarding als ‘predikant in opleiding’ (prio). Of hun opleiding dan nog in Apeldoorn zit, is de vraag.- Jaargang 55
- nummer 4
Na twee forse besprekingen op twee vergaderdagen hakte de LV 11 februari vooral de ‘prio-knoop’ door, want dat bleek het grootste geschilpunt in de aanbevelingen van de Commissie Toekomstig Predikantsprofiel.
Er kwamen feitelijk niet veel nieuwe tegenargumenten op tafel. Bij de eerste bespreking was al gewezen op het feit dat het prioschap de studie twee jaar verlengt en dat het lastig is om - vaak met een gezin – twee jaar lang ergens anders te werken. H. Lakerveld sprak van een ‘verwaterd’ voorstel. ‘Dit was bedoeld voor afgestudeerden, die in de eerste twee jaar bewezen dat ze geschikt zijn. We zijn kennelijk niet overtuigd van de kwaliteit van de opleiding en de studenten. Je kunt dit beter predikant in eerste fase (pief) noemen.’ Gegrinnik in de zaal.
Namens de commissie bestreed Marieke Jellema die stelling. ‘Ons eerste voorstel liet onduidelijkheid over de plek van de student na het afstuderen. Ofwel, is de prio nu een deel van de studie of van de loopbaan? In de PKN kennen ze de juniorpredikant, maar hebben ze ook een instantie, die predikanten een plaats wijst. Wij hebben dat niet. Aan het einde van het prioschap is er ook geen extra toetsing, maar word je bevestigd in het ambt.’
Ze trok een parallel met de medische opleiding, waarna enkele jaren van specialisatie volgen. Dat leidde weer tot een onvermoede vraag: Specialisten worden opgeleid in hoogwaardige ziekenhuizen, kan het dus zijn dat bepaalde gemeenten niet geschikt zijn om een prio op te leiden? Jellema schoof het antwoord voor zich uit. ‘De omvang van een gemeente lijkt me geen criterium, maar laat de NGP daar de komende jaren maar iets verstandigs over zeggen.’
Geen garantie
Op de herhaalde vraag naar de garantie van prioplekken bleek commissievoorzitter Wattèl nu wat voorzichtiger. Hij sprak niet meer van een garantie, maar van een ‘serieuze inspanningsverplichting’. ‘Plaatsing kan een probleem zijn, maar als kerken ben je samen verantwoordelijk. Bovendien zie je ruim tevoren aankomen hoeveel plaatsen nodig zijn. Dus het zal wel meevallen, al is ook dat geen garantie.’
Kanon en mug
Ds. K. Smouter vroeg naar de resultaten van de verbeteringen die zijn aangebracht in de opleiding, zoals theologische studiebegeleiding, stages en werkbegeleiding. ‘Dit zet een aanzienlijke extra druk op de student. Schieten we na al die maatregelen niet met een kanon op een mug?’
Jellema gaf toe, dat die maatregelen niet op hun nut zijn beoordeeld. Wattèl verdedigde dat, door te zeggen dat ze in 2005 zijn ingevoerd en hun effect pas op langere termijn merkbaar zal zijn. ‘Maar het prioschap is wezenlijk iets anders dan het aanleren van vaardigheden. Er moet gewoon iets zijn tussen de opleiding en het werkelijke predikantschap. Als alternatief zou je de werkbegeleiding kunnen intensiveren, maar ik betwijfel of je over zes jaar dit prioschap nog eens over kunt doen.’
Eenheidsworst
Ds. J. van ‘t Hof bleek beducht voor verlies van diversiteit als het nieuwe profiel te stringent wordt toegepast en vond de organisatie van de gemeente ook een geestelijke taak, die je niet te scherp moet scheiden van de Woordverkondiging. ‘De lokale gemeente moet een eigen profiel schetsen en daar een passende predikant bij zoeken.’
Hoewel het gewijzigde voorstel al niet meer sprak van de regio als ‘toezichthouder’, bleef Van ’t Hof huiverig voor ‘lange vragenlijsten als die van de kerkvisitatie’. Ds. K. Muller vond daarentegen, dat je ‘niet te allergisch’ moet reageren op het als zusterkerken acht slaan op elkaar.
Jellema noemde de prio ‘één antwoord op een set van ontwikkelingen. Je geeft de student de kans werkervaring op te doen nu we de route via kerkelijk werker afsluiten en dat geeft meer zelfvertrouwen. We wijken af van wat van CGK en GKV doen en misschien is dat slim en de moeite waard. Het is een uitdaging en welke rampen riskeren we als we misgrijpen? We willen gewoon minder achteraf repareren door te bouwen aan de voorkant.’
De angst voor ‘eenheidsworst’ deelde ze niet met Van ’t Hof. ‘Niemand noemt percentages voor missionair of pastoraal werk, dus dit laat voldoende ruimte voor predikant en kerkenraad om er samen uit te komen. De liturgische verantwoordelijkheid ligt bij de predikant en dat is goed, want de diensten in sommige gemeenten lijken wel een markt, waar iedereen wat wil zeggen en daardoor dingen niet meer op elkaar aansluiten. En de kerkelijk werker met een HBO-opleiding theologie mag wat ons betreft best enkele keren per jaar preken en kan dat natuurlijk ook bij de buren doen. Maar dat is iets anders dan preekconsent.’
Zij-instromers
Bleef nog de vraag van onder anderen ds. P. Kleingeld en ds. H. Scheffer naar de gevolgen van de prio voor zij-instromers. Kleingeld: ‘Ik was 28 en als je dan nog tien jaar moet met een gezin... Hier in de zaal zie ik zo al drie of vier later ingestroomden. Wat is het gevolg voor hen?’
Scheffer leek in zijn vraag aan te sturen op een speciale behandeling van latere instromers. ‘Het is een verplichte zaak, dus lastiger voor zij-instromers.’ Maar Jellema week geen duimbreed. ‘Het is verplicht, omdat je het nuttig vindt. En laten we nou niet te veel nadruk leggen op dat extra in de opleiding, want dit is een normale zaak. Bovendien hebben ouderen net zo goed toerusting nodig. Ze zijn misschien wijzer dan jongeren, maar vaak ook eigenwijzer.’
Wattèl verwachtte bovendien, dat het kabinetsbeleid rond het studiegeld het voor zij-instromers minder aantrekkelijk maakt om een studie theologie op te pakken.
Zo werd na vier bespreekrondes het predikantsprofiel vrijwel ongewijzigd aanvaard. Het voorstel voor de prio haalde het met 26 stemmen voor en elf tegen.
Over instelling van een commissie voor een visie op de ambten in onze kerken beslist de LV later.
Onderwijsland
Door de snelle veranderingen in onderwijsland is het volgens NGP-voorzitter Wattèl ‘onontkoombaar’ dat de volgende LV gaat praten over een nieuwe vorm van de NGP. ‘Dit voorjaar is een onderzoek naar de toekomst van de Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA, CGK) gereed. De TUA is bovendien in gesprek met de Theologische Universiteit Kampen (GKV) en er zijn signalen dat de faculteit godgeleerdheid van de Vrije Universiteit in Amsterdam met ons wil samenwerken’, meldde hij.
In eerste instantie gaven afgevaardigden aan, dat in de nabije toekomst allereerst de contacten met huidig onderwijspartner TUA van belang zijn. Vervolgens valt te kijken naar samenwerking van TUA en TUK. ‘Alleen als die twee het samen, gezien de overheidseisen aan het onderwijs, niet redden, dan valt te denken aan samenwerking met de VU’, opperde Ad de Boer.
In de volgende Opbouw meer over de LV-zittingen van 11 en 12 februari.