De koster

1989-09-29
  • Jaargang 33
  • nummer 20
Hoe vaak hebben we nu over de organist gesproken? Eigenlijk veel te vaak - al blijft de dichter zeggen: wo du nicht bist. Herr Organist, da schweigen alle Pfeiffen. Maar als de koster eens verstek zou laten gaan?
Het zou een koude boel worden en waarschijnlijk een nog groter wanorde dan toch al. Daarom vandaag een woordeke gewijd aan de custos, zoals de latijnse taal zijn wachter noemt.

Dat doet me denken aan een oud verhaal over de dominé, de koster en de organist. U kent het? Sla deze alinea dan over. U kent het niet?
Lees dan verder. Een organist was op Zondagmorgen al erg vroeg in de kerk, omdat hij iets wilde doornemen waarvoor hij nog geen tijd had gehad. De koster was aanwezig, monsterde de organist en zei vrolijk: nu nu, waarde heer, u hebt ook al vroeg een paar glaasjes op! Wat scheelt je? vroeg de organist, ik heb geen druppel gedronken - Bedaar, suste de koster, ik bedoel uw brilleglaasjes ... Maandagmorgen ontmoette de organist zijn predikant, die naar goede gewoonte zijn rustdag genoot.
Hij probeerde het ook eens: wel wel, dominé, u hebt ook al vroeg een paar glaasjes op! De reaktie - was ontzettend: kunt u het ruiken? vroeg de dominé.

Maar nu serieus
Tot de eerste en laatste aanwezigen bij een kerkdienst behoren toch zeker de koster en de organist. Vandaar dat die elkaar door en door kennen, voor en na groeten en met wederzijds begrip elkaar waar mogelijk vooruithelpen. De koster, althans wanneer hij naast het kerkgebouw woont, moet veel studie-uren van de organist verduren en toch vriendelijk blijven. De organist moet, wanneer hij wekelijks studeert, veel gerommel met stoelen aanhoren, veel kerkelijk stof inademen en vaak op de tocht zitten wanneer het gebouw gelucht wordt. Maar dit alles is all in, het hoort erbij.
Met genoegen denk ik terug aan onze vroegere koster Evert. Hij was nog dooplid en minderjarig - telde voor wet en kerkwet nauwelijks mee - maar deed zijn werk met liefde en toewijding. Bij een gemeentevergadering op een doordeweekse dag was hij mede aanwezig, ik denk ambtshalve. Bij de begroting werd vrij algemeen gevonden dat de koster met zijn schamele zakcentje er bekaaid af kwam: daar moest wat aan gedaan worden. De discussie liep op een eind, alleen hét bedrag moest nog worden ingevuld. Toen vroeg koster Evert het woord. De praeses vroeg: is er bezwaar tegen ons minderjarig dooplid even het woord te geven? Geen der aanwezigen had bezwaar. Dan - zei koster Evert - is mijn mening: wat u betaalt is best genoeg, want ik doe het werk erg graag!
Zo iets is toch het onthouden waard, niet? Wie geen liefde tot de eredienst heeft, kan niet geld niet gekocht worden. En wie wel liefde heeft moet maar niet misbruikt worden.
Overigens is organist noch koster een kerkelijk ambtsdrager ten hoogste een factotum, en die heeft geen gezag.

De dorpelbewaarder
Nee, dan de oudtestamentische dorpel bewaarder, of de 'dorpelwachter' uit psalm 84. Die was Leviet, zoon van Levi. Hij hoorde met de tempelzangers en –speellieden tot de geestelijke stand. Die was er niet voor het waterdragen en vuurstoken (dat deden de nethinim, de tempelslaven) maar hij had een voorname functie. Toen het tweestammen-rijk werd afgebroken namen de Chaldeeën de hogepriester, zijn plaatsvervanger en de 3 dorpelwachters gevangen mee naar Babel, samen met 1 generaal, en 5 hofjonkers; daar ziet u de maatschappelijke hoogte van de dorpelbewaarder.
Jeremia vertelt het nog eens. Ook zegt Jeremia dat het vertrek van de dorpelwachter bij het vorstenvertrek Iag.
Wat was dan zijn functie wel? Van hem "die uitgekozen was tot poortwachter bij de dorpel"? Dat blijkt o.m. uit 2 Kron. 23:4, "Dit moet gij doen: een derde deel van u dat op de sabbath dienst moet doen, zowel priesters als Levieten, moet als dorpelwachters optreden". Ze moesten waken voor de heiligheid van Gods huis: de onreinen weren, de vreemdelingen en vrouwen slechts tot de voorhoven der heidenen, resp van vrouwen, toelaten; en de besneden mannen slechts tot het voorhof der Israëlieten toelaten; en op de trappen naar de voorhof der priesters mochten alleen die Israëlieten naderen, die een offer hadden te brengen.
Tot de voorhof der priesters was het voor iedereen verboden toegang, op doodstraf!
Als kwajongen kreeg ik eens een vage indruk van die gezagsdrager.
Het was toen ik met een vriendje de zijdeur van een Sint Gregoriuskerk was binnengeschuifeld, om eens rond te neuzen en de wierook te ruiken. Ademloos en met misschien geveinsde devotie tuurden wij naar het altaar en eeuwige lamp, toen een machtige figuur met hellebaard ons plechtig naderde. Weglopen zou schuldbekennen zijn geweest. Dies bleven wij met kloppend herte afwachten.
De custos naderde tot een voet afstand, keek ons doordringend aan en schreed verder. Niet zonder een levenslange indruk na te laten.
Weer u wat een hellebaard is? Een lans, waarvan het lemmet met baarden is voorzien: om onverlaten ter plaatse ter helle te doen varen.

De koster van Nunspeet
Naar de plaatselijk bladen meldden is de koster der G.K. met pensioen gegaan. Na 43 trouwe dienstjaren, en op 70 jarige leeftijd. Met afscheids receptie. en een rit per open landauer (daar reed vroeger het bestuur van de Oranjevereniging in!) is hij uitgeluid. Hij heeft zijn werk altijd met veel liefde gedaan; hij is een van die weinigen, die vanaf zijn kinderjaren al droomde ooit eens koster te zijn, zo bericht zijn interviewer.
De ambtsdragers waren, toen de post destijds vrij kwam, nogal sceptisch geweest: zo gauw hij een vrouw zou ontmoeten zou hij de kerk de rug toedraaien, voorspelde een der Wijzen. Daarom keek de koster uit naar een goede vrouw, die tevens organiste werd!
Net als wijlen ds. H.A. Algra eens verklapte, moest de kolenkachel in de nacht van Zaterdag op Zondag nog wel eens worden bijgevuld. En de kerkeraadsvergaderingen moesten behoedzaam van tabak naar koffie overgeschakeld. Dat deed hij door in de open deur, door de mist van rook heen, te roepen: is hier nog iemand aanwezig?
Maar de kerkdiensten waren voor hem de hoogtepunten van de week en van zijn beroep, zegt hij. Hij probeerde het kostersvak "weer mooi te maken". Ik hield van stijlvolle diensten -bekent hij: dat betekent dat er ook van mijn optreden iets moest uitstralen. Je moet als koster nooit haast hebben. Het is heel belangrijk om altijd voor iedereen klaar te staan en daarbij vriendelijk te blijven.
Een goede kerkdienst kan alleen plaats hebben als alle aanwezigen, dus ook de koster daar aan meewerken".

Herinneringen
Dat haalt oude herinneringen bloot, die allang met klimop waren begroeid. Deze koster kwam in 1946 in dienst, lezen wij: dat was een jaar nadat wij (drie belijdende leden en 2 gedoopte kinderkens) de Gereformeerde Kerk voorwaardelijk hadden verlaten. Ik was zes jaar organist geweest in de G.K. en de conditie waarop wij uittraden was: dat de kerk zou terugkomen van haar aandeel in het uitwerpen van de kerken te Wezep en Hattem. Dat heeft de G.K. nooit gedaan en mitsdien, behoren wij niet tot de kudde der G.K.
Niettemin kruisten onze wegen die van de G.K. nog wel eens: voor een rouwdienst, voor een gehandicaptendienst of een interkerkelijke samenkomst.
Dan was mijn taak weer aan het bekende orgel en dan waren er de goede contacten met de thans afgetreden koster. De tijden van wederzijdse onuitgesproken verwijten is gelukkig voorbij. Wat weet deze generatie van Vrijmaking en/of Wederkeer? Als ik hem zou vertellen dat in 1945 de sleutels van kerk en orgel bij mij werden opgehaald (onder een dubbeldoorschijnende smoes van zoekgeraakte kopieën) dan zou hij mij niet geloven; wat wist zo'n jongen nu van wereldlijke processen over de kerkelijke goederen?
(Als ik me daartoe zou lenen ...) Maar we hebben het mooi gehouden, die koster en ik; zoals ik het met (vrijwel) alle kosters wist mooi te houden. Want "een goede kerkdienst kan alleen plaats hebben als alle aanwezigen daar aan meewerken".
We zijn tenslotte niet in een kroeg, niet op de markt, maar in het huis des gebedsgasten in het huis van Onze Vader. Dat weet een koster beter dan een van ons.

Zetfouten
Helaas 'slopen in mijn vorig artikel (Een oud boek - maar springlevend) enkele storende zetfouten. De voornaamste zijn, dat de titel van James Hogg's boek niet is 'Bekentenissen van een gerechtigvaardigd zondaar', maar ... 'gerechtvaardigd zondaar', Erger is dat het Schotse heldendom gewijzigd werd in een Schots heidendom.
In mijn voorlaatste artikel 'Liturgisch contrapunt' slopen niet minder dan negen zetfouten, Voor wie ze alle vindt en inzendt ligt een aardige attentie klaar.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief