Om de vrijheld en verbondenheid in Christus

1987-03-13
  • Jaargang 31
  • nummer 10
Het is al weer een paar maanden geleden dat ik in ons blad een karakteristiek schetste van het vrijgemaakt kerkelijk leven, zoals ik dit van 1945 tot 1970 heb ervaren. Daarbij trok ik een vergelijking met de Chr. Geref. Kerken.
Het artikel is voor een deel in de landelijke pers overgenomen en zo onder ogen gekomen van ds J. M. Goedhart, die er twee lange artikelen in zijn Kerkbode aan heeft gewijd.

Ds G. was zo vriendelijk mij zijn betoog toe te zenden en neemt, zodoende, een uitzonderingspositie in binnen zijn kerken.
Uit waardering voor de toezending wil ik nu proberen een antwoord te geven op de vele vragen die mij worden gesteld. Dit is geen eenvoudige zaak omdat ds. G. er zo diep van overtuigd is dat zijn kerken waarheid en recht aan hun zijde hebben in alle handelingen sedert de Vrijmaking, dat hij zich niet kan voorstellen dat anderen, die evenals hij de belijdenis aanvaarden en bij het Woord van God willen leven, andere inzichten en ervaringen hebben b.v. in zaken als: kerk, samenspreking en doorgaande reformatie. Ds Goedhart is niet de enige die hier moeite heeft, want het komt zelfs voor dat een ander inzicht en verstaan van de dingen die onder ons geschied zijn als laster van de hand wordt gewezen.
Nu had ik geschreven over de schrik, die over .mij kwam in de eerste gemeente vanwege het feit dat voor sommigen en later voor velen het eerste en grote gebod was de Vrijmaking en het tweede daaraan gelijk de doorgaande reformatie..Hoe vaak heb ik het gehoord: Al wie de wil Gods doet, die is mijn broeder en zuster en .moeder zegt Jezus. (Marc. 3:34) De wil van God was de vrijmaking en in dat spoor de doorgaande reformatie. Hiermee heb ik geen erecode geschonden of vertrouwelijke zaken in de openbaarheid gebracht, daar moet ds. G. geen misbaar over maken.
Van verschillende kanten hoorde ik dat het door mij geschetste beeld is herkend, want het vrijgemaakt kerkelijk leven werd al spoedig niet meer beheerst door dogmatische en kerkrechtelijke vragen van 1944/45', maar door opkomende en later "gangbare" meningen over kerk en samenwerking.
Voordat ik predikant was kende ik deze mening uit de soms verhitte debatten op de mannenvereniging over kerk en gemeenschap der heiligen. Als ambtsdrager leert een mens het kerkelijk en geestelijk leven beter en .Bevindelijk" kennen en zo ontdekte ik dat het streven naar doorgaande reformatie het gevaar van een veruitwendiging van het geestelijk leven en van een zekere hoogmoed met zich meebracht.

Dit is geen beschuldiging aan het adres van de vrijgemaakte broeders en zusters, want ik weet dat daar vruchten van oprecht geloof en dankbaarheid zijn, maar bij de goede werken lag een veel te zwaar accent op het lid zijn van de ware kerk, waaruit het gereformeerde leven opnieuw tot bloei kwam in allerlei organisaties van onderwijs en politieke en maatschappelijke activiteiten .
Van meet af waren er broeders en' zusters in de kerken die moeiten hadden met deze gangbare meningen en met deze vormgeving van het gereformeerde leven Ds G. schrijft dat hij nooit heeft meegemaakt dat meelevende leden van de kerk als "randfiguren" werden beschouwd.
Dit is mogelijk; maar het is de vraag of ds G. hier oog voor zou hebben gehad.
Een feit is dat in de loop der jaren zeer veel kerkleden door overgang naar andere kerken of door handelingen van synoden buiten de vrijgemaakte kerken kwamen te staan: daaronder waren zo'n honderddertig predikanten: Was dit alleen maar ontrouw? Uit zijn schrijven blijkt dat ds G. er toch wel iets van heeft opgemerkt. Want hij zegt: Iemand die zich duidelijk opstelde tegen het gereformeerde onderwijs; zijn kinderen, hoewel gereformeerde scholen (gemakkelijk) bereikbaar waren, naar (algemeen) christelijke scholen stuurde kon geen ambtsdrager zijn, die was geen goed voorbeeld voor dë gemeente. Zo was het ook met betrekking tot andere sectoren van het leven. Hier geeft ds G. een verklarende toelichting op wat ik schreef.
Opvallend is steeds hoe exclusief wordt gesproken over gereformeerd, Er wordt mij gevraagd of ik wel weet van het "semper reformanda".
Het is mij bekend dat bij het gereformeerde leven de doorgaande bekering, zo u wil, reformatie behoort. Hieronder versta ik allereerst de besnijding van ons hart in een voortdurend zelfonderzoek om in liefde en enigheid naar Gods geboden met onze naasten en in het bijzonder met onze broeders en zusters te leven. Het is een zoeken van verzoening en vrede waar verhoudingen, ook kerkelijke verhoudingen zijn geschonden, of verbroken; een dienen met wat ons uit genade geschonken is in het openstaan voor anderen. .
Doorgaande reformatie is een doorgaande levensheiliging in huwelijk en gezin waarin duidelijk wordt dat we anders zijn, van Christus zijn; waarbij we het licht niet onder een korenmaat zetten, zodat anderen ons geloof en onze goede -werken zien en onze Vader in de hemel verheerlijken.
Het is een beleven en doorleven van ons belijden.
Wat zou het mooi zijn, wanneer anderen van ons zeiden: dat is de ware kerk, zie hoe lief zij elkander hebben! In deze levensheiliging is, zo mogelijk, ook plaats voor organisaties voor onderwijs en andere doelen op gereformeerde, eventueel christelijke grondslag.
In mijn jeugd heb ik gereformeerd onderwijs gehad en daar ben ik dankbaar voor en altijd voorstander van geweest. Van "gereformeerden" geldt dat ze staan voor hun belijden, maar gelijk een breed hart hebben voor de broederschap in Christus, ook al is er geen kerkelijke eenheid of enig verschil in belijden, want de hoofdstukken van de ware leer zijn niet alle van één gestalte.
Het vrijgemaakte onderwijs is alleen toegankelijk voor kinderen van de eigen kerk en als regel gesloten voor leerlingen van syn. of ned. geref. huize.

Ik twijfel niet aan het gereformeerd karakter van de scholen, maar vraag is dit gesloten zijn voor andere christenen, dit exclusieve, karakter' ook van de andere organisaties, voluil gereformeerd? ' Men ziet dit als vrucht van doorgaande reformatie en als een correctie op het werk van Kuyper c.s. na de Doleantie. ' Zijn gelovigen die bezwaar hebben tegen deze beslotenheid niet gereformeerd?
Was je ontrouw aan het belijden wanneer je moeite had met specifiek vrijgemaakte organisaties? Zijn er buiten de Vrijgemaakte kerken dan nog wel gereformeerde belijders?
In de eerste jaren na de vrijmaking was het christelijk onderwijs niet zo in verval als in onze dagen.
Bij de, oprichting van eigen scholen ging het niet in de eerste plaats om het verval, maar de (kerkelijke) kwestie werd op de schoolvereniging aan de orde gesteld, want kerk en school behoorden één te zijn in:de onderwijzing van het werk des Heren, in de vrijmaking. Was de avondmaalsgemeenschap verbroken dan was samenwerking op andere terreinen niet langer mogelijk.
Ik maak me geen illusie dat het me nu zal lukken ds G. en anderen er van te overtuigen dat OQS verzet tegen de doorgaande" reformatie in vrijgemaakte zin, dat uitliep op de Open Brief, niet een kwestie van louter ontrouwen afval was. In onze dagen heeft het I.K.V. voor velen het monopolie van het streven naar vrede; wie niet mee doet is "tegen".
Het lijkt wel of de vrijgemaakte kerken het monopolie van trouw van het gereformeerde leven hebben.
Maar zou ds G. zich kunnen voorstellen dat er bij ons een diepe overtuiging was dat de broederschap veel verder reikt dan de vrijgemaakte kerken en dat men uit moet zijn op herstel van gebroken kerkelijke verhoudingen en op samenwerking, waar dit mogelijk is. Kan men begrijpen dat wij ,het benauwd kregen en de voortdurende strijd moe werden en snakten naar openheid in' de ware christelijke vrijheid. Wat is het mooi en vertroostend de geloofsverbondenheid te ervaren met christenen van allerlei huize b.v. in ziekenhuizen of aan boord van schepen, waar zeelieden bij je wilden biechten… Die ervaringen hebben mij niet losgemaakt van het belijden, integendeel, ik ben me te meer bewust geworden van de geestelijke inhoud er van. Er zou nog veel te zeggen zijn; ik heb maar iets kunnen aanstippen". Is de zaak in geding achterhaald? Datware te wensen.

Een vorig keer schreef ik dat geen van ons in 1987 een pleidooi zal houden voor éénwording met de Geref. Kerken (syn) al leven we mee met onze broeders en zusters aldaar die de belijdenis liefhebben. Het verval heeft doorgewerkt in alle organisaties. Het G.P.V. roept in de Kamer niet op tot Vrijmaking, maar de afgevaardigde houdt zich bij zijn leest en doet voortreffelijk werk. Er zijn dus, veranderingen in onze kerken, die een zware tol hebben te betalen aan de 'verschraling van het geestelijk leven in de niet aflatende strijd van 1945 tot 1970 wordt hier en daar een vrijheid t.a;v. kerkverband en belijdenis voorgestaan die veel zorgen geeft voor de toekomst. Wat zou het een goede zaak, zijn wanneer de vrijgemaakte kerken, in plaats van het nauwkeurig bijhouden van al wat verkeerd, is in onze kerken, ons (allen) de helpende hand reikten.
Evenwel: we willen een gereformeerde kerk en niet een ghetto; een kerk waarin onze christennaam veilig is, die in openheid anderen wil dienen met wat ons in Christus is geschonken ) in zijn vrijheid, die bij Gods beloften en geboden is, maar toch wel vrijheid!

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief