Hoedemaker en de Doleantie (5)
1987-03-13
In dit laatste artikel wil ik proberen te komen tot een beoordeling van de figuur van Hoedemaker. Hoe moeten we zijn optreden waarderen? Wat moet ons oordeel zijn over de motieven, die hem hebben gedreven?- Jaargang 31
- nummer 10
Mystieke inslag
Allereerst zou ik nog eens willen wijzen op zijn mystieke inslag, die hij van zijn moeder erfde. De invloed van zijn moeder op zijn denken en zijn gevoelsleven is onmiskenbaar. Meer dan eens heeft hij zelf daar ook met zoveel woorden over gesproken. De belofte; die zij al voor zijn geboorte deed om hem te wijden aan "Neerlandsch Kerk"; bleek op beslissende momenten te functioneren als een bovenschriftuurlijke binding, die hem telkens toch maar weer doet blijven onder het zo fel verfoeide juk van de Synodale Organisatie. De gevoelsmens Hoedemaker voelde het als verraad aan de 'kennelijke leiding' van God, die, hem toch duidelijk zijn plaats binnen de Herv. Kerk gewezen had, wanneer hij haar, zou verlaten.
Kerkbeschouwing
Vervolgens heeft Hoedemakers kerkbeschouwing een grote rol gespeeld. We zagen al eerder dat hij de Herv. Kerk beschouwde als een organische onverbrekelijke eenheid, de dienstknechtsgestalte van Christus in de geschiedenis van ons volk. En hij achtte het ongeoorloofd te breken met wat in de geschiedenis onder het bestuur van God gegroeid is. Hij kon zelfs zeggen, dat de leden van de kerk niet door de belijdenis, maar door de geschiedenis bijeen gebracht en onverbrekelijk één zijn. En een Gereformeerde mag nooit zijn geschiedenis prijsgeven.
Terecht zegt Kamphuis hiervan, dat zodoende Hoedemaker het "Er is geschied" benadrukt ten koste van het "Er staat geschreven". I) Maar zo wordt de geschiedenis een openbaringsbron naast de Schrift.' Dat blijkt zowel in de persoonlijke geschiedenis, als in de kerkgeschiedenis het geval te zijn.
Schuldbesef
Ongetwijfeld is Hoedemakers denken en handelen ook bepaald' door een zeer sterk verantwoordelijkheidsbesef en een daarmee nauw samenhangend schuldbesef. Hij voelde zich verantwoordelijk voor héél de kerk en niet alleen, zoals al vaker is gezegd, voor het Gereformeerde deel, daarvan.' Bovendien zag hij inde bestaande situatie in de Herv. Kerk duidelijk ook de schuld van met name de orthodoxie. "Ons christenvolk staat schuldig aan hetgeen in 1816 geschied is en kan niet verlost worden zonder dit te erkennen". Hoedemaker was van mening dat dit besef van schuld en van medeverantwoordelijkheid voor het bederf in de kerk bij de dolerenden te weinig aanwezig was. En nog vandaag kan men van de zijde van de Geref. Bond aan het adres van Kuyper c.s. het verwijt horen, dat men zich wel gebonden wist aan de belijdenis van de kerk, maar niet aan haar geschiedenis. En dat men daarom geen raad wist met de schuld der kerk.
Ik meen dat dit verwijt beslist niet terecht is. Dan zou men nog eens het schrijven moeten lezen, dat de kerkenraad van Voorthuizen voegde bij de uitnodiging tot het bijwonen van het Synodaal Convent van de dolerende kerken op 28 juni 1887. Het is een brief die in Rullman's boek over de Doleantie ruim zes bladzijden beslaat. Het is verleidelijk om breed uit deze brief te citeren, maai" dat laat de ruimte niet toe. Ik beperk me daarom tot één zin. Nadat God dank gezegd is voor Zijn uitleiding vanonder het synodale juk, schrijft de kerkenraad: "Maar maakt deze (d.w.z. Gods weldadigheid, JCS) juist onze schuld niet te zwaarder, ja, moest niet menigeen belijden, dat juist ná de 'vrijmaking' zijner Kerk eerst' gevoeld 'werd, hoe diep onzer kerken gezonken, hoe schuldig wij voor de HEERE staan? Ongetwijfeld zijn deze, woorden gevloeid uit de pen van de Voorthuizense predikant, Willem van den Bergh, die wel het geweten van de Doleantie genoemd is. Het is een ontroerende schuldbelijdenis, niet alleen over het kerkelijk verval, maar ook over het diepe bederf in de samenleving, dat in onmiddellijke samenhang daarmee gezien werd.
Het in deze brief verwoorde schuldbesef is zeker niet minder, dan wat Hoedemaker bezielde. Alleen zochten de dolerenden' andere wegen en middelen om ·inet die schuld klaar te komen en haar niet nog te vergroten. Want werd de schuld niet alleen maar groter als men maar lijdelijk bleef afwachten, totdat, de Synodale Organisatie zichzelf beliefde op te heffen?
Onverget,elijk?
Je kunt de dolerenden m.i. dus niet verwijten, dat zij zich niet medeverantwoordelijk wisten voor de wantoestanden in de Herv. Kerk. Wel zou de vraag gesteld kunnen, worden of dat besef van medeverantwoordelijkheid toch niet al te gauw is weggeëbd.
Een psalm die in de Doleantietijd graag en veel gezongen werd, was Ps. 126 met de regel uit vs. 2: Breng HEER al uw gevang'nen weder. En dan dacht men daarbij aan al die broeders en zusters, die nog onder het synodale juk waren achtergebleven.
Maar bleken zij, die toch onvergetelijk behoorden te zijn, in de praktijk van het kerkelijk leven niet al te gauw wel vergeten'? Is dat niet de werkelijkheid na elke breuk? De pijn is vaak zo snel vergeten. En in plaats daarvan kijkt men veelal wantrouwig over de scheidslijnen heen om verontwaardigd en geschokt te wijzen naar de afval of de bekrompenheid, die men daar ontdekt, zonder zich medeschuldig te weten aan een geschiedenis waaruit dat is voort gekomen. En klein is ook vaak het besef van schuld, dat we niet bij machte blijken om de eenheid met allen, die Christus van harte belijden en liefhebben te bewaren of te herstellen.
Handhaving van de belijdenis
( We zagen hoe ook op dit punt tussen Hoedemaker en de dolerenden een verschil van denken en van gevoelen bestond. De dolerenden maakten zich sterk voor de herwaardering van de Gereformeerde belijdenisgeschriften. Deze moesten weer in ere worden hersteld als het akkoord van kerkelijk samenleven. Dat was zonder meer een lofwaardig streven. Maar waarschuwde Hoedemaker niet terecht, dat een hernieuwde verplichting tot ondertekening van de drie Formulieren van Enigheid op zichzelf nog niet voldoende kon zijn?
Ja, dat dit zelfs kon leiden tot het maken van huichelaars en dienaars van de vorm? Grepen de dolerenden niet te gemakkelijk terug naar de praktijk van de 17e eeuw, nadat daar zolang , de hand mee was gelicht? Als op dit punt aan de dolerenden het verwijt wordt gemaakt, dat zij de geschiedenis te weinig in rekening hebben gebracht, ben ik geneigd dat bij te vallen.
Op deze wijze werd m.i. de scheiding der geesten te formalistisch en te rigoureus bevorderd. En je kunt toch moeilijk stellen, dat zij die moeite hadden met het opnieuw verplicht stellen van de ondertekening van de belijdenisgeschriften, per definitie confessioneel èn Schriftuurlijk onbetrouwbaar waren. Ook Calvijn heeft ooit eens' geweigerd de drie bekende oudkerkelijke belijdenissen te ondertekenen. Zijn argument hiervoor was, dat hij geen tyrannie in de kerk wilde invoeren, "zodat iemand, die .niet zou hebben gesproken naar het voorbeeld van een ander, voor een ketter zou worden gehouden". En niemand zal toch durven beweren, dat Calvijn de zin en betekenis van het rechte belijden niet zou hebben begrepen. Maar hij heeft ook het gevaar onderkend, waarvoor ook Hoedemaker zo beducht is geweest, dat n.l. het levende belijden zou verstarren in het hanteren van gestolde woorden, en termen. Tevens zullen we de ogen open moeten houden, voor de waarheid die Bavinck ooit eens onder woorden bracht. In zijn boekje "De offerande des Lofs, schrèef'hij, dat een op schrift gestelde confessie zich meestal beperkt tot uiteenzetting van de verschillen tussen de diverse kerkelijke denominaties en groepen. Maar "in de ongeschreven artikelen, in de gebeden, in de vruchten des geloofs, in de werken der barmhartigheid komt eene treffende overeenstemming aan het licht. De onvolkomen belijdenis der lippen laat menigmaal aan het geloof des harten een recht wedervaren". 5) Met de ondertekening van belijdenisgeschriften is dus beslist niet alles gezegd over iemands 'staat en stand' voor God, noch over zijn recht om al of niet lid van Christus' kerk te zijn. Hebben de dolerenden er niet te weinig oog voor gehad, dat zij met hun ijveren voor het eerherstel van de drie Formulieren van Eenigheid als akkoord van kerkelijk samenleven oprechte christenen als Hoedemaker en ook Gunning uitrangeerden?
Kerk en Staat
Het zou tenslotte bijzonder interessant zijn om nog aandacht te besteden aan Hoedernakers opvattingen over de verhouding tussen Kerk en 'Staat. Met name zijn verschil van mening met Kuyper over art. 36 N.G.B. is de moeite van het bestuderen waard. Al was het alleen al om het feit, dat uitgerekend hier Hoedemaker de belijdenis tegenover Kuyper onverkort, wilde handhaven. Maar dat voert binnen het bestek van deze artikelen te ver.
Je zou echter met recht kunnen zeggen, dat heel de 'strijd van Hoedemaker 'om de 'belijdende kerk' een strijd is geweest voor het behoud van de natie. Denk ook aan de titel van één van zijn meest bekende geschriften: "Heel de Kerk en heel het Volk".
"Daarom verzet ik mij tegen de verscheuring van onze Kerk, omdat ik vastelijk, geloof, dat zij het teken zal zijn tot de ontkerstening van ons volk".6) Zijn leerling Haitjema typeerde, Hoedernakers theologie als "corpus christianum"theologie. "Inderdaad, diep' was Hoedernakers heimwee naar een organische cultuur, waarin de Kerk des Woords als de ziel van heel het publieke, leven hare functie vervult. Op het kerkstaat-ideaal loopt bij Hoedemaker alles uit". 7) , Hoedemaker streefde naar een Staat met de Bijbel. En voor zo'n staat achtte hij een onverdeelde volkskerk onmisbaar. Maar greep hij hier niet teveel vooruit naar het komende Vrederijk?
Je zou het in elk geval de tragiek van zijn leven kunnen noemen, dat hij het bereiken van dit ideaal binnen de grenzen van deze bedeling zag doorkruist, door het optreden van Kuiper en de zijnen.
Noten
1) J, Kamphuis, Op zoek naar de belijdende volle kerk, Groningen, 1967, blz. 53
2) G. Ph. Scheers, Philippus Jacobus Hoedemaker, Wageningen, 1939, blz. 223.
3) J. C. Rullmann, De Doleantie in de Nederlandsch Hervormde Kerk der XIXe eeuw, Kampen, 1929, blz. 278.
4) W. F. Dankbaar, Calvijn, zijn weg en werk, Nijkerk, 1957, blz.51.
5) H. Bavinck, De offerande des Lofs, 's Gravenhage, z.j. blz. 66.
6) J. Schokking e.a., Dr Ph. J. Hoedemaker 1868-1908. Gedenkboek ter gelegenheid van zijn 40-jarige ambtsbediening, Leiden, 1908, blz. 217.
7) Th. L. Haitjema, De richtingen in de Nederlands Hervormde Kerk, Wageningen, 1953, blz. 148.