Lokale cultus gewettigd (4, slot)

1989-10-13
  • Jaargang 33
  • nummer 21

Slotgegevens
Wat betreft het argument van prof. B. Holwerda in de besproken verhandeling over Deuteronomium 12, 'De plaats die de HERE verkiezen zal', dat er 'plaatsen' gelezen moet worden, o.a. omdat de Levieten het te druk zouden gehad nebben. wanneer de dorpelingen allemaal naar Jeruzalem moesten trekken en niet bij een lokale cultusplaats terecht konden - dat argument is niet overtuigend.

We kunnen ten eerste bedenken dat er vele Levieten waren - zie de geslachtsregisters - en dat die eigen steden bewoonden. Wat betekent, dat die ook niet bij elke cultusplaats bij de hand waren.
Ten tweede: In tijden van gehoorzaamheid kwam niet elke week of elke maand moord of diefstal voor waarvoor men een offer schuldig was. Evenmin als in onze gemeenten.
Bovendien werd voor de dagelijkse zonden van het volk elke dag in de tempel een morgen- en avondoffer gebracht.
Ten derde bewijst zowel de tijd van Salomo, als die van Hiskia, alsook de praktijk na de ballingschap, dat de dienst van de verzoening op een centraal punt, te Jeruzalem, mogelijk was: En tenslotte: de taak van de priesters en Levieten was in de eerste plaats onderwijzen (Deut. 33:10; Mal. 2:6). Ongetwijfeld heeft dat in steden en dorpen plaats gehad. Je kunt daar de oorsprong van de synagogen na de ballingschap in zien.

Uit het feit echter" dat het volk, zelfs in reformatorische tijden, het offeren op de hoogten niet of nauwelijks opgaf, kun je merken hoe taai eigenwillige godsdienstigheid is, hoe er altijd weer de neiging is om méér en 'anders' te doen dan de HERE heeft voorgeschreven.
Het moet dan ook voor Hiskia een daad van moed en geloof geweest zijn om de hoogten werkelijk op te ruimen. Hiskia's boden, die daarvoor ook naar het voormalige tienstammenrijk trokken, werden er in Efraïm en Manasse om weggehoond (2 Kron. 30:10).
En dat het althans in Juda niet om offerplaatsen van een afgodische cultus ging, maar om offerhoogten voor Jahweh, blijkt uit wat de onderkoning of hofmaarschalk van Sanherib zei toen hij voor Jeruzalems muur lag.
Hij speculeerde op de ontevredenheid van het volk, toen hij uitriep: "Heeft Hiskia niet de hoogten en altaren van Jahweh verwijderd?", (zodat deze God nu wel vertoornd zal zijn en u niet zal helpen) (2 Kron. 32:12). En hij zei erbij - en daaruit blijkt wel zonneklaar; dat alleen de dienst in het centrale heiligdom gewettigd was! en tot Juda en Jeruzalem gezegd heeft: voor één altaar zult gij u neerbuigen en daarop offers ontsteken?"
M.a.w. ver voor een zg. centralisatiegedachte die in de dagen van Josia zou zijn ontstaan, was de regel van het centrale heiligdom aan deze heidense maarschalk bekend.
Het gaat niet aan, daarom, om, zoals dr. M.J. Paul in zijn eerder genoemde proefschrift doet, de reformaties van Hiskia en Josia te beschouwen als een opruimen van 'kwalijke praktijken op de lokale offerplaatsen'. Er was meer aan de hand dan wat misbruik (8). Het hele gebruik van de offerhoogten deugde niet.
AI met al bewijst dit ook, dat als Hiskia het offeren op de hoogten hoewel dat voor Jahweh bedoeld was, verbiedt, ook de exegese van prof. Holwerda, als zou Deut. 12 een veelheid van cultusplaatsen toegestaan hebben, onmogelijk juist kan zijn. Wanneer dan ook gezegd wordt, dat het volk geestelijk honger zou hebben geleden als het in een omgeving met een veelheid van altaren 'aan een centraal heiligdom overgeleverd was' en dat God Zelf door centralisatiewetgeving, die hongerdood veroorzaakt zou hebben (9), dan kunnen we daartegenover stellen, dat Israël in zijn goede dagen dat zeker niet zo heeft opgevat. We denken nl. aan 2 Kron. 11:13 v.v., waar vermeld wordt, dat de priesters en de Levieten uit heel Israël zich in Juda en Jeruzalem vestigden. De Levieten verlieten hun weidegronden, omdat Jerobeam en zijn zonen het hun onmogelijk maakten voor de HERE het priesterambt te bekleden.
En vele godvrezenden uit de stammen van Israël, zo vermeldt dat hoofdstuk, zijn naar Jeruzalem gekomen, om den HERE de God van hun vaderen te offeren. Alleen zijn ook zij blijkbaar later de verkeerde weg op gegaan, want vs. 17 zegt: .....zij bewandelden drie jaren de weg van David en Salomo." ,;Toen Rehabeam sterk geworden was, verliet hij de weg des HEREN, en geheel Israël] met hem." (2 Kron. 12:1).
Blijkbaar waren zij toch gewend geweest in het centrale heiligdom te offeren. Toen hen verhinderd werd als vanouds uit hun woonplaatsen naar Jeruzalem te trekken, "verlieten zij hun huis en haard en vestigden zich in Juda.
Als dan ook gezegd wordt, dat, bij een gecentraliseerde cultus - met één altaar, in Jeruzalem - de bediening der genademiddelen van Gods zijde veel te schaars zou zijn geweest tegenover de rijkdom en de veelvuldigheid van het altaar der duivelen, dan ontkennen we dat ten stelligste (10) Gods weg in de verzoening in Christus is volmaakt.
Bovendien is het niet goed te zeggen dat God die geestelijke hongerdood zou hebben veroorzaakt - we denken eerder aan Jak. 1:13 v.: ..Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht ... Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking van zijn eigen begeerte. Dat is ook op het gebied van het godsdienstige zo.
Israël heeft hierin de HERE verlaten en Zijn wet vergeten.
Zelfs het wetboek was 'onder 't stof geraakt'.
Ook in Davids tijd waren er echter dingen in het vergeetboek geraakt.
David erkende het zelf, na het geval met Uzza en de ark. Hij zei er later van: .....wij hebben Hem niet geraadpleegd, zoals het behoorde" (niet gezocht naar het recht, St. vert.) (1 Kron. 15:13).
Zo kan het ook nog wel, verklaard worden, dat David Absalom naar Hebron liet gaan om een gelofteoffer te brengen. Ongetwijfeld is met dit alles een belangrijke kwestie aan de orde ook van belang voor het leven in het verbond van vandaag.
Het betreft nl. de vraag of de hang naar allerlei eigen godsdienstige 'inbreng' door Ex. 20 en/of Deut. 12 gelegitimeerd wordt, of dat de HERE, juist door het zo duidelijk centraal stellen van het 'bloed der verzoening' bij de ark, in het centrale heiligdom, heenwijzend naar Christus, Zijn volk leerde en leert, dat Hij het 'goed maakt' en van Zijn volk niet anders vraagt dan geloof en gehoorzaamheid als leven in het verbond.
Samuel zei reeds tot Saul, die in eigengereide godsdienstigheid een offer bracht: "Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffers ..." (1 Sam. 15:22).
Juist bij onze opvatting van Deut. 12 krijgt de klacht uit de boeken Koningen en Kronieken: "de hoogten alleen verdwenen niet" diepte. En de heerlijkheid van de tempeldienst met het verzoendeksel komt zo pas goed uit.
Holwerda kwam, naar hij zelf erkende, tot onoplosbare problemen: B.V. hoe is de eredienst aan die locale heiligdommen ingericht geweest?
Wat was de verhouding tussen centraal en regionaal heiligdom?
Wat is de eigen betekenis van de tempel voor Israëls leven geweest (11)?
Het zijn vragen die in feite niet zo gesteld behoeven te worden - omdat er voor deze problematiek, zoals we menen aangetoond te hebben, een andere oplossing is.
Laten we verder ook niet vergeten, dat de brief aan de Hebreeën op ,geen enkele plaats naar een veelheid van cultusplaatsen terugverwijst, maar slechts naar die ene centrale plaats, als afschaduwing van de ware dienst van de verzoening.
Buiten deze heeft geen enkele ' offerande' zin.
Tegenover alle eigenwillige hoogtendienst met extra godsdienstigheid in misoffers of vroomheidscultus, steekt deze ene verzoening onder Oud en Nieuw verbond scherp af.
Wandel in het verbond.

Conclusie
Het is niet nodig om een veelheid van cultusplaatsen aan te nemen, omdat anders de centralisatiegedachte de Pentat-kritiek een 'archimedisch punt' zou leveren om te verklaren dat Deuteronomium pas in Josia's dagen geschreven is.
De 'centralisatiegedachte' was voor Israëls volksbestaan essentieel en vanaf het begin genoegzaam bekend.
Maar het is evenmin nodig en geoorloofd om Deuteronomium, wat zijn ontstaan betreft, naar 'late tijden' te verwijzen - alsof de HERE de specifieke onderwijzing terzake van 'het ene altaar' aan Zijn volk vele eeuwen onthouden had.

Ermelo, 26 mei 1989 J.C. Janse

8) M.J. Paul, a.w. pag. 324.
9) 8. Holwerda, a.w. pag. 25.
10) 8. Holwerda, a.w. pag. 25.
11) ibidem pag. 28

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief