Wat hebt u met 'Oort' van doen?
1989-10-13
Zoals wellicht ook de meeste Opbouw-lezers zullen weten, is in de loop van dit jaar (nog net voor de val van het kabinet Lubbers-II) een omvangrijke herziening van onze belastingwetgeving tot stand gekomen; het leeuwedeel van de nieuwe bepalingen, die bekend zijn geworden onder de benaming 'Oortwetgeving', zal vanaf 1 januari 1990 gaan gelden. ' In het onderstaande wil ik een aantal onderdelen van de belastingherziening kort bespreken; het gaat dan ' met name om die elementen die naar mijn mening voor predikanten en/of commissies van beheert ' kerkeraden van belang zijn. De behandeling is, gelet op zowel de omvangrijkheid en de ingewikkeldheid van de materie als de aard van het lezerspubliek van Opbouw, noch uitputtend noch diepgaand; het is slechts mijn bedoeling enkele signalen af te geven en hier en daar wat wegwijzers te plaatsen waarmee de doelgroep (hopelijk) haar voordeel kan doen. - Jaargang 33
- nummer 21
Integratie inkomstenbelasting en premies
volksverzekeringen
Onder de huidige wetgeving zijn de meeste Nederlanders (afgezien van de 65-plussers) over hun inkomen zowel loon- of inkomstenbelasting als premies AOW/AWW verschuldigd, Vanaf 1 januari a.s. worden deze beide heffingen met elkaar verbonden en in één percentage uitgedrukt. Deze zogenoemde integratie betekent een aanzienlijkevereenvoudiging, vooral als daarbij ook nog in aanmerking wordt genomen dat de huidige nogal ingewikkelde belastingtariefstructuur voor de meeste belastingplichtigen wordt teruggebracht tot slechts drie van toepassing zijnde heffingspercentages (ca 35%,50% en 60%).
Behalve premies AOW en AWW kennen we ook nog premies AAW en AWBZ (ik laat de afkortingen maar voor wat ze zijn). Deze laatste premies (de zogenoemde opslagpremies) zijn verschuldigd door de werkgever indien er sprake is van een dienstbetrekking en door de man of vrouw zelf indien deze niet in dienstbetrekking werkzaam is. Vanaf 1 januari 1990 worden ook deze premies in de integratie betrokken en vormen ze een onderdeel van de bovenstaande percentages, De werknemer gaat er dus op achteruit; nu betaalt de werkgever immers de opslagpremies terwijl in de toekomst ze (zij het netto) in zijn geïntegreerd heffingtarief terugvindt. Om deze teruggang te voorkomen, moet vanaf 1januari 1990 door de werkgever aan de werknemers een vergoeding worden betaald, de zogenoemde overhevelingstoeslag. Bij degenen die niet in dienstbetrekking zijn, doet deze teruggang zich niet voor, omdat zij de opslagpremies nu ook zelf betalen.
Predikanten zijn niet in dienstbetrekking en krijgen dus als zodanig met de verschuiving van de opslagpremies en met de overhevelingstoeslag niet te maken, Toch is daarmee niet alles gezegd. In de gevallen namelijk waarin bij de vaststelling van de hoogte van het traktement rekening wordt gehouden met de door de predikant verschuldigde premies volksverzekeringen (hetzij allemaal, hetzij alleen de opslagpremies) of waarin de aanslag premieheffing volksverzekeringen van de predikant door de gemeente wordt betaald of vergoed (in deze situaties draagt de predikant de premies dus in feite niet zelf), zal een nieuwe regeling moeten worden getroffen die inspeelt op de vanaf 1 januari 1990 geldende wetgeving. Het verdient uiteraard aanbeveling om dit tijdig te doen; het is vervelend indien op een later tijdstip nog allerlei correcties en aanpassingen zouden moeten plaatsvinden.
Beperking kostenaftrek
Naast de vereenvoudiging van de tariefstructuur geldt vanaf 1 januari a.s. ook een verlaging van de belastingtarieven; over het algemeen zullen de burgers er door de belastingherziening dan ook iets op vooruit gaan. Toch geldt dat niet zonder meer voor iedereen. De tariefverlaging wordt namelijk voor een gedeelte gefinancierd uit het schrappen of beperken van een aantal aftrekposten. Het spreekt voor zich dat dit voordelig is voor mensen met geen of weinig aftrekposten, maar dat deze aanpak mensen met een groot aantal aftrekposten wat minder' zal aanspreken.
Met de beperking of uitsluiting van de kostenaftrek zullen ook de predikanten te maken krijgen. Ik geef een paar voorbeelden:
a) De kosten van een telefoonabonnement zijn niet meer aftrekbaar; alleen de zakelijke gesprekskosten komen voor aftrek in aanmerking.
b) De kosten van algemene literatuur (geen vakliteratuur zijnde) zijn niet meer aftrekbaar. De uitgaven voor vakliteratuur blijven in het algemeen wel aftrekbaar.
Ik wens onze predikanten bij de komende discussies met de fiscus veel sterkte.
c) De kosten van kleding, niet zijnde werkkleding, zijn niet langer aftrekbaar.
Voor de goede orde: het preekpak is géén werkkleding.
Dus toch maar een toga over de vrijetijdskleding?
d) De kosten van representatie zijn niet meer aftrekbaar; hetzelfde geldt voor de kosten van voedsel, drank en genotmiddelen (het kopje koffie met de sigaar voor het bezoek op de studeerkamer).
e) Voor de kosten van de voor het werk gebruikte auto is aftrekbaar een bedrag van f 0,44 per kilometer (minder hoeft niet, meer mag niet). Alle andere kosten (stalling, afschrijving etc.) blijven voor eigen rekening.
f) Aannemende dat de predikant zijn traktement voor meer dan 50% in of vanuit zijn werkruimte aan huis verwerft, is aftrekbaar 15% van de huur dan wel van het huurwaardeforfait (in het geval de predikant een eigen woning bezit), alsmede 15% van de totale energiekosten.
In dit forfait worden ook de inrichtingskosten begrepen; afzonderlijke aftrek van stoffering, schoonmaakkosten etc. is uitgesloten.
g) De kosten van tekstverwerker!'), typemachines etc. (met inbegrip van software, papier etc.) zijn aftrekbaar voor het bedrag dat uitgaat boven f 800,- per jaar; wel moet daarbij rekening worden gehouden met de afschrijvingen.
Zoals opgemerkt, geldt de beperking, C.q. uitsluiting van de kostenaftrek met ingang van 1 januari 1990.
Voor aanschaffingen v66r die datum geldt nog het huidige (ruimere) regime.
"Het recht is geschreven voor hen die waken", zeiden de oude Romeinen reeds.
Kostenvergoedingen
Ook na 1 januari 1990 blijft als uitgangspunt gelden dat onbelast mogen worden vergoed die kosten, welke als aftrekbare kosten worden aangemerkt. Voorbeeld: de vergoeding voor de kosten van vakliteratuur (aftrekbare kosten) is onbelast.
Na 1 januari 1990 kan het evenwel ook voorkomen dat kosten die ten behoeve van de beroepsuitoefening worden gemaakt, niet aftrekbaar zijn, terwijl daarentegen, als ter dekking van die kosten een vergoeding wordt ontvangen, die vergoeding niet belast is. Een voorbeeld hiervan vormen de kosten van voedsel, drank en genotmiddelen. Draagt de werknemer, deze kosten zelf, dan zijn ze niet aftrekbaar (zie boven), worden ze door de werkgever vergoed, dan is de vergoeding onbelast.
Hetzelfde geldt voor de kosten van literatuur, geen vakliteratuur zijnde. De achtergrond is dat het feit dat de werkgever bereid is aan de werknemer bepaalde kosten te vergoeden, een vermoeden van zakelijkheid met zich meebrengt.
Het bovenstaande geldt in beginsel ook voor de predikanten; er zit evenwel een adder onder het gras. Als het niet gaat om inkomsten uit dienstbetrekking maar om zogenaamde "andere inkomsten uit arbeid" (en dit is bij predikanten het geval), dan mogen kostenvergoedingen slechts op declaratiebasis worden verstrekt; algemene kostenvergoedingen zijn alsdan niet mogelijk.
Dit betekent dus dat bijvoorbeeld de algemene boekenvergoeding die een predikant ontvangt, bij hem belast is (en de kosten – mits het om vakliteratuur gaat - aftrekbaar zijn), maar de vergoeding die hij ontvangt op grond van het indienen van bonnetjes (ook indien het om niet vakliteratuur gaat!) niet belast is.
Hetzelfde geldt voor de vergoeding van autokosten (f 0,44 per kilometer).
Deze bepalingen leiden ertoe dat, tenzij op het systeem van vergoeding op declaratiebasis wordt overgestapt, het voor de belastingheffing niet meer uitmaakt of iets wordt aangemerkt als een algemene kostenvergoeding of onderdeel van het traktement vormt. Wel heeft het gevolgen voor de hoogte van de emeritaatsuitkeringsgrondslag (behoudens in het geval van boekenvergoedingen omdat deze nu ook al worden meegenomen). Overigens moet worden afgewacht hoe dit verbod van het verstrekken van alqemene kostenvergoedingen in de praktijk gaat uitwerken; ik sluit niet uit dat ook hier leer en leven wat uit elkaar zullen gaan lopen.
Bruto of netto?
Het is niet ongebruikelijk dat predikanten een autokostenvergoeding genieten welke hoger is dan f 0,44 per kilometer. Na 1 januari 1990 mag niet meer belastingvrij worden vergoed of op het inkomen in mindering worden gebracht dan dit bedrag. De vraag is: wie betaalt dit nadeel?
Anders geformuleerd: is met de predikant een bruto- of een nettoafspraak gemaakt?
Het risico om van partijdigheid beschuldigd te worden trotserend, geef ik als mijn opvatting dat met de predikant in het algemeen op dit punt een netto-afspraak. zal zijn gemaakt; naar redelijkheid en billijkheid zal het de bedoeling van de 'partijen' zijn geweest de werkelijke kosten van de autokilometers te vergoeden.
Het argument dat de predikant toch ook de voordelen van de belastingverlaging geniet, acht ik niet valide.
Deze opvatting brengt met zich mee dat het meerdere boven f 0,44 moet worden gebruteerd. Op basis van bijvoorbeeld een reële vergoeding van f 0,55 en een geïntegreerd belastingtarief van bijvoorbeeld 50% betekent dit een bruto-vergoeding van f 0,66 per kilometer.
Ook hiervoor is mijn advies: s.v.p. tijdig bespreken en regelen!
Tenslotte
Tot slot nog een tweetal opmerkingen (in de hoop dat u er nog steeds bij bent).
1. Als ik het goed zie, is er in onze gemeenten een toenemend gevoel van onzekerheid (misschien wel van onbehagelijkheid) over de honorering van onze predikanten.
Ik vind dat ook niet zo vreemd. De vergelijking met andere beroepsgroepen (bijvoorbeeld leraren) is er de laatste jaren bepaald niet gemakkelijker op geworden en de financiële ruimte van de gemeenten vertoont geen stijgende lijn. De L.V. van Dronten heeft uitgesproken dat de minimum-uitkeringsgrondslag van de S.E.V. als uitgangspunt geldt voor de minimum-honorering (géén norm maar een minimum!) en dat de regionale vergaderingen op de honorering dienen toe te zien. Of de kerken en/of de predikanten hiermede werkelijk zijn geholpen, vraag ik mij af. Nog heel veel wordt aan de persoonlijke inzichten van de mensen in de plaatselijke gemeenten overgelaten en de toetsing van de regionale vergaderingen is slechts marginaal.
En het wordt er, gezien het bovenstaande, niet eenvoudiger op.
Zonder te willen pleiten voor een reglementering van bovenaf, zou ik toch een lans willen breken voor de totstandkoming van een commissie of een werkgroep waarbij kerken en predikanten terecht kunnen met hun vragen en die op haar beurt' kan zorgen voor algemene lntorrnatleen voorlichting. Ik denk dat de belangen van zowel de gemeenten als de predikanten hiermee gediend zouden kunnen zijn.
2. Wat hebt u met 'Oort' van doen?
Het antwoord is: veel, heel veel.
Ik hoop dat door het bovenstaande de mist niet dichter is geworden maar dat hier en daar wat helderheid is ontstaan. Meer was ook niet mijn bedoeling.
(*1) Belastingadviseur, lid van het bestuur van de S.E.V. en lid van de Financiële Commissie Nederlands Gereformeerde Kerken.
Het artikel is geheel op persoonlijke titel geschreven.