Persschouw
1989-10-13
- Jaargang 33
- nummer 21
Tot tien tellen
"Ik heb een hand vol klachten", zegt ze. "Zal ik ze eens allemaal opnoemen?"
Ik schuif wat onrustig in mijn stoel.
Ach, heden, daar heb je weer zo'n klaagverhaal!
Ik heb er al wat in mijn teven moeten aanhoren ...
Ik zou een hele "bijbel" vol met klaagliederen kunnen schrijven, neem dat maar van mij aan.
Maar ja, wat doe je als het je werk is? Wat doe je, als je geroepen bent om in Jezus' naam klaagverhalen aan te horen? Als niemand, helemaal niemand meer naar je luisteren wil, dan pas ben je écht eenzaam ...
"Nou, vooruit", zeg ik, al mijn moed bij elkaar rapend, "laat maar horen ..."
En dan begint ze haar litanie: "Eerste vinger: mijn werkloze man.
Tweede vinger: mijn darmklachten.
Derde vinger: mijn oogziekte. Vierde vinger: mijn rumoerige buren. Vijfde vinger: mijn jaloerse familie. Ziet u wel: een hele hand vol!"
Het klinkt bijna triomfantelijk en als ik goed naar haar gezicht kijk, dan lijkt het wel alsof ze zeggen wil: Ziezo, daar heb je niet van terug, hè?
Ik knik.
"Dat is niet mis", zeg ik.
"Dat is inderdaad een hele hand vol.
En die andere hand dan, als ik vragen mag?"
,,0, dat zijn de zegeningen", zegt ze - en nu is het alsof haar gezicht begint te stralen.
"Wilt u die ook horen."
"Nou, als het niet te veel gevraagd is, wel graag, ja", zeg ik, nog stomverbaasd over deze onverwachte wending.
"Nou, daar gaan we dan. Eerste vinger: dat we nog elke dag genoeg te eten hebben. Tweede vinger: dat we zo'n mooi huis hebben. Derde vinger: dat er altijd mensen zijn die me willen helpen. Vierde vinger: dat ik niet nog veel meer ziektes heb.
Vijfde vinger: dat ik aan de andere kant rustige buren heb, Nou, dat is ook precies een hand vol, ziet u wei?"
Ik kan het niet ontkennen.
In stilte kijk ik naar haar beide, naar mij toegestoken handen.
Het zijn twee handen die al heel wat verdriet hebben gedragen. Twee handen die al heel wat tranen hebben weggeveegd. Twee handen die zich vaak tot een vuist gebald hebben.
Twee handen die weten wat "leven" is ...
"En weet u, wat ik nou zo mooi vind?"
"Nou?", vraag ik.
"Wat er gebeurt als je gaat bidden".
"Als je gaat bidden?"
"Ja, als je gaat bidden, dan gebeurt er iets met je handen. Kijk, dan gaat mijn rechterhand, die van de zegeningen, naar de linker, ziet u wel? En dan vouw ik de vingers van mijn rechterhand, die vingers van de zegeningen, tussen de vingers van mijn linkerhand. En dan komen dus eigenlijk al die zegeningen tussen die beroerde dingen in te zitten. Dan houd ik dus eigenlijk die vervelende' dingen tégen met mijn zegeningen, als u begrijpt wat ik bedoel. En zo bid ik dan. Dan zeg ik eerst tegen God waar ik over in zit en wat mij pijn doet. Maar daarna tel ik de zegeningen, begrijpt u wel, die vijf van mijn rechterhand. En dan zeg ik tegen God: Dank u wel, Here God, dat ik die andere hand ook nog heb!
Die houdt de zaak mooi in evenwicht.
vindt u niet? En zo bid ik dan, begrijpt u wel? Ik vouw de zegeningen gewoon tussen de beroerde dingen in. En dan is het net alsof ze niet zo beroerd meer zijn ..."
Ik knik opnieuw. Ik vouw mijn handen.
En in gedachten tel ik - tot tien.
Dit indrukwekkende en vertroostende artikel troffen wij aan in het bekende evangelisatieblad, de "Elisabethbode". Het zal voor velen veel betekenen!