Pastorale notitie

1989-10-27
  • Jaargang 33
  • nummer 22

Rood met een toetsje wit

Dit keer richt ik mij vanuit dit rubriekje vooral tot Margreet Maljers-Kroes, u weet wel: zij van vier bladzijden verder onder dat aardige kopje Tussen Kerk en Keuken.
Ik waag het er op en schrijf gewoon haar voornaam. Ze heeft die in ons blad prijs gegeven en het is niet aardig om dat te negeren. Zodoende krijgen mijn woorden van stonden aan iets vertrouwelijks. Ik wil haar ook helemaal niet bestrijden, maar slechts mijn verwondering uitspreken.
In Opbouw van 13 oktober j.l. schreef zij een stukje over 'Evensongs " een verschijnsel dat hier in het oosten des Ienäs nog niet gesignaleerd is.
Zij vroeg zich daarin af waarom onder ons predikanten niet vaker in toga verschijnen.
Meen je dat nou, Margreet?
En zou je dat leuk vinden? O, ik zie wel voordelen. Zeker in een warme zomer, als die we nu achter ons hebben. Je hoeft onder zo'n wijde tent niet veel aan te hebben, stel ik mij zo voor. Dat kan voorkomen dat je af en toe in hemdsmouwen op de preekstoel staat, waarvan ik een afschuw heb. AI is het niet altijd te vermijden. Zoals op die warme zondagmiddag in augustus toen vlak voor de preek een broeder mij staande verzocht mijn jasje uit te trekken omdat de gemeente het benauwd kreeg alleen al als ze naar mij keek.
Maar een toga?
En dan zeker zoéén, waarvan jij nogal gecharmeerd was: een rode met een toetsje wit? Schattig, lijkt mij, maar ik hoor ze thuis al gillen.
Nee; zover ben ik nog niet.
Maar daarmee is jouw vraag niet beantwoord. Er moet een grondige reden zijn waarom wij in het algemeen geen toga dragen. Je vraag hield mij toch bezig.
Ik ben destijds, geheel naar de trend van die tijd, begonnen in kort zwart, met een jaquet voor avondmaalsdiensten, begrafenissen en trouwdiensten.
Het jaquet hangt nog in de kast. Z.g.a.n., maar wel te krap, vermoed ik.
Maar al heel gauw na de scheuringen van de jaren Zestig heb ik het zwart vervangen door grijs. Zoals dat nu vrij algemeen gedragen wordt, al komt er hier en daar nog wat zwart voor, want dat moet ook op. Of er nog toga's gedragen worden weet ik niet.
Hoe kwamen we destijds tot het afschaffen van het zwart? Dat heeft te maken met het feit dat ons in die turbulente jaren zoveel ontnomen was, waarin we voorheen vertrouwen hadden en waaraan we gehecht waren. Veel kleine gemeenten bIeven volkomen berooid over. Geen gebouw, geen orgel, geen avondmaalstel, nauwelijks een naam. Er ontstond een stemming waarin wij bereid waren ons alles te laten ontnemen om dan tenslotte over te houden het meest elementaire, dat ,werkelijk bij het gemeente-zijn behoort en waaraan beloften verbonden waren.
Wij zochten de gemeente van twee of drie, bijeen in de naam van de Here Jezus, onder de belofte dat Hij daar zou zijn. Dat betekende terug naar af.
In die stemming hebben wij afstand gedaan van het zwarte pak als één van de dingen die niet tot het wezenlijke van het gemeente-zijn behoorde. En waar het zwarte pak werd afgedankt bleef er voor de toga helemaal geen waardering meer over. De dominee behoorde van toen aan tot de netst geklede broeders in de kerk. Minder wilde hij niet zijn en zeker niet meer.
Maar ja, wie wind zaait moet er op rekenen dat hij storm oogst. Er is een tijd geweest dat op onze preekstoelen broeders verschenen in kledij, die meer bij de disco past dan bij de kerk, Ik neem aan dat dat voorbij is.
Zo is het gekomen, denk ik, dat de toga onder ons bijna niet meer voorkomt.
Ik vraag mij af: als de dominee in Alkmaar op een zondag in toga zou verschijnen, hoe Margreet Maljers daarop zou reageren. Misschien zou ze zeggen: staat best aardig maar hier niet. Het past niet meer bij ons.
Wij zijn er uitgegroeid.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief