Ned. Geref. - Chr. Geref.

1989-10-27
  • Jaargang 33
  • nummer 22
Toespraak E. Schuurman, namens Ned. Geref. Kerken op de Synode van de Chr. Geref. Kerken te Groningen op 11 oktober 1989

Broeder praeses, hooggeachte vergadering,

Namens de Commissie voor Contact en Samenspreking van de Ned.Geref. Kerken mag ik - mee in aanwezigheid van Ds. J.C. Schaeffer vanmorgen tot u het woord richten.

Dat we als Nederlands Geref. Kerken hier vertegenwoordigd mogen zijn, stemt ons dankbaar. Uw en onze kerken hebben elkaar in de afgelopen jaren steeds beter leren kennen. Bijna de helft van onze kerken heeft op de één of andere manier contact met uw kerken. Een viertal komt elke zondag samen rondom het Woord en sacrament; meer dan vijfentwintig kerken hebben kansel ruil. Samenwerking is er ook in allerlei andere verbanden. Zij die aan die samenwerking deelnemen zijn daar dankbaar voor.
Voor zover de beide kerken elkaar niet ontmoeten, staat men aan beide zijden gereserveerder tegenover elkaar. Blijkbaar moet men elkaar leren kennen. Verrassend en zegenrijk is in dit verband dat de kerken van Apeldoorn en Arnhem na een lange tijd van aarzeling juist elkaar de laatste tijd beter zijn gaan waarderen en aanvaarden.

Geen vooruitgang
Wanneer we naar de landelijke situatie kijken, kunnen we jammer genoeg niet van vooruitgang spreken.
Op uw synode van Amersfoort 1980 kreeg het voorstel om leden van de NGK zonder stemrecht aan de besprekingen te laten deelnemen net niet de meerderheid van stemmen, de stemmen staakten met 26-26. Een voorstel - oorspronkelijk afkomstig van Prof. Van 't Spijker en overgenomen door de NGK - om de federatie-gedachte te aanvaarden met een toespitsing op wat plaatselijk bereikbaar was, werd verworpen met 26-24. Zover zijn we dus samen geweest.

Na de laatste synode van uw kerken waren de samensprekingen aanvankelijk openhartig en veelbelovend. In een goede gezindheid spraken we 'met elkaar. De moeite kwam bij het verschijnen van het rapport van uw deputaten. Niet dat wat erin staat in alles incorrect zou zijn, neen, maar unaniem waren wij van mening dat het rapport vooral de verschillen benadrukte en niet meer uitging van onze aanvaarding van de Gemeenschappelijke Verklaring over de toeëigening van het heil. Achter die Verklaring willen onze kerken niet terug. Het rapport is in de beoordeling van onze kerken met betrekking tot de toeëigening van het heil ook te massief; immers ook 'bij ons zijn er, op dat punt wel onderlinge verschillen.

Het rapport vermeldde naar ons gevoelen ook veel te weinig over wat we wel samen hadden bereikt.
Immers op het schriftelijke stuk van onze Ds. Van der Dussen over Verbond en Wedergeboorte, werd van de kant van de deputaten geen kritiek gehoord. 'In tegendeel. Typerend voor onze teleurstelling is dat, terwijl het deputatenrapport, - als het gaat over de noodzaak van wedergeboorte en 'bekering en de bijbelse visie op de gemeente, - meer dan eens zegt: "AI stemden de Ned. Geref. broeders dit toe .." (tot drie keer toe zelfs op pag. 19), vervolgens twijfel of zelfs kritiek wordt uitgesproken.
Onze commissie heeft haar mening over het rapport ook aan uw deputaten meegedeeld. Op grond daarvan ontvingen wij een aanvulling op het deputaten rapport, dat uw Synode heeft gekregen. Daarin worden de door ons gevraagde correcties wel doorgegeven, maar tegelijk van hun effect beroofd door de argumenten in de officiële tekst van het rapport ongewijzigd te laten. Dat betreuren wij zeer, want we herkennen ons niet in het rapport. De indruk blijft bestaan dat de openhartige samensprekingen niet tot dichter bij elkaar, komen dienen. In de samensprekingen werd door ons het 'verbondsautomatisme' met nadruk verworpen.
Wij geloven niet 'dat de gedoopten vrij zijn van de zonde'. Wij geloven met de Dordtse Leerregels tenvolle dat de wedergeboorte een werk van de Heilige Geest is en alszodanig een opstaan uit de doden. Bovendien introduceert het rapport een betreurenswaardig misverstand: Wij willen niet spreken van en dulden niet 'een relativering van de belijdenis'.
Vooral dit punt maakt duidelijk hoe gemakkelijk we elkaar misverstaan.
In de samenspreking werd op een gegeven moment van onze kant wel gezegd dat de Belijdenis gerelateerd is en moet zijn aan de Schrift.
Deze relatering aan de Schrift is juist geen relativering.

Ten overvloede wellicht zij met het oog op een onbekrompen en ondubbelzinnige aanvaarding van de belijdenis door onze kerken verwezen naar een gedeelte van de Verklaring die vooraf gaat aan ons Accoord van Kerkelijk Samenleven: "De Ned. Geref. willen - zich eerst gevend aan de HEERE en ook aan elkaar zich aan het Woord van God en aan de belijdenis van de kerk van alle eeuwen houden. Zij verklaren in dat belijden van de Waarheid van de Heilige Schrift, zoals in de drie Formulieren van Enigheid is uitgedrukt, haar eenheid en de grond voor haar samengaan te vinden. Zij beloven ook, elkaar bij te staan in de strijd voor de Naam en de eer van de HEERE, zich voegend naar het Schriftuurlijk onderwijs voor een geordend kerkelijk samenleven, opdat zij ook in de inrichting van het kerkelijk leven de wegen van het verbond van de HEERE mogen houden, niet in tirannieke eenheidsdwang, maar in de vrijheid van Christus, in de eenheid van de Geest, die samenbindt in de gehoorzaamheid aan Zijn gebod, in liefde tot God en de naaste."

Impasse
Nu een impasse in de landelijke samenspreking moet worden geconstateerd, moeten we terug zien hoe is dat zo gekomen? - maar ook vooruit kijken. Waarschijnlijk was het beter geweest wanneer deputaten en commissie een andere werkwijze hadden gekozen en zich hadden gehouden aan de schriftelijke stukken van: Ds. Maris en Ds. Van der Dussen, die ter bespreking op tafel lagen. Op grond daarvan hadden gezamenlijke conclusies moeten worden getrokken, en indien die gezamenlijkheid ontbrak, hadden we dat ook samen moeten constateren.
Uit de bespreking van de stukken resulteerde op de vergadering de dankbare conclusie van een grote mate van overeenstemming. Ook u als synode zult dat na kennisneming van die stukken, die de deputaten op ons verzoek bij hun rapport aan uw synode voegden, kunnen constateren.
De overeenstemming die uit die stukken en de bespreking daarvan bleek vinden we niet in het rapport van de deputaten terug. Gelukkig hebben de deputaten ons inmiddels bericht dat het beslist niet hun bedoeling was de onderlinge verhouding grondig te verstoren. Bij ons leefde wel de vrees, zelfs wel de boosaardige vrees, dat er bij uw deputaten van onwil sprake zou zijn om met elkaar verder op te trekken.
Dankbaar constateren we dat die vrees ongegrond blijkt te zijn. Dat geeft moed en vertrouwen. Wij konden het ons eigenlijk ook niet anders voorstellen.
Het is hier misschien wel de plaats om een tussenopmerking te maken.
Uit de weergave van de gang van zaken in de samensprekingen tot nu toe kan gemakkelijk de indruk worden gewekt, dat u alleen bezwaren hebt tegen onze kerken en dat dit andersom niet het geval is. In de Nederlands Gereformeerde Kerken leven bezwaren tegen de soms sterk subjectivistische geloofsbelevingen in uw kerken, waardoor de volheid en ruimte van het Evangelie als genadeverkondiging minder helder schittert. Bovendien zijn er meer dan eens binnen onze kerken bezorgde geluiden te horen over publicaties uit uw kring waaruit de invloed van moderne theologieën in uw kerken zou blijken. Sommige plaatselijke kerken van ons verband zien daarom weinig heil in samensprekingen, andere kerken verbraken met name om de tweede reden de plaatselijke samensprekingen. Dat wij deze problematiek in de landelijke samenspreking niet aan de orde stelden, heeft te maken met onze voorzichtigheid om ons niet direct in uw onderlinge verschillen en spanningen te begeven. Maar het leek ons; gezien de situatie waarin we nu mat elkaar terecht zijn gekomen, toch wel goed dit punt nadrukkelijk te releveren.

Hoe verder?
Maar hoe moet het nu verder? Er is al gezegd dat wij niet achter de vroegere Gemeenschappelijke Verklaring terug willen gaan. Dat moet u van ons serieus nemen, zoals wij dat ook van u doen. Wij mogen niet met u, en u mag niet met ons oppervlakkig omgaan. Juist in onze tijd zullen we niet in eindeloze discussie moeten blijven steken, maar naar de diepte moeten afsteken. Uw problemen zijn de onze, de onze de uwe.
Wat is er in onze tijd een grote onverschilligheid en geestelijke leegte.
Samen hebben we dezelfde roeping om uit de genadige volheid van de Geest te leven en daartoe steeds weer de gemeenten op te roepen.
Als Ned. Geref. Kerken hopen wij dat u - zoals wij dat ook hopen "te doende plaatselijke samenwerking zult willen blijven bemoedigen en tot de daaraan nog niet deelnemende kerken een schriftuurlijk en confessioneel appèl zult laten uitgaan om ook die weg in geloof, hoop en liefde te gaan. Vooral elkaar erkennen als gemeenten van Christus is nodig.
Dat betekent niet dat alle plaatselijke kerken nu ook maar direct samen zouden moeten gaan; de verscheidenheid is daarvoor soms te groot.
En het is voorts de vraag of die verscheidenheid altijd verkeerd is. Ze kan in de gezindheid van Christus ook blijk geven van een Schriftuurlijke veelkleurigheid. Bij erkenning van de eenheid in Christus hoeven we echt niet krampachtig te streven, naar een directe eenheid in alles.
Tijd is nodig om naar elkaar toe te groeien. Die moeten we elkaar van harte gunnen. Het is de bedoeling van de Nederlands Gereformeerde Kerken in elk geval niet onderlinge vervreemding te bewerken tussen uw kerken die wèl en die niet met onze kerken samenwerken.

Steeds weer blijkt uit de onderlinge contacten dat wij als kerken een verschillende geschiedenis hebben.
Waarschijnlijk is dat ook de reden dat er soms sprake is van een elkaar niet meer bereiken. Maar daar waar de contacten zijn volgehouden en geïntensiveerd, blijkt toch ook hoezeer de onderlinge band diepte heeft of heeft gekregen, soms veel meer dan wel werd gedacht. Nederlands Gereformeerde en Christelijke Gereformeerde Kerken die die contacten niet hebben, zijn daarom misschien sneller bereid te concluderen dat de landelijke samensprekingen te weinig of geen perspectief bieden.

Naast goede plaatselijke contacten zijn er overigens op landelijk niveau ook ontwikkelingen die ons en u dankbaar zullen stemmen, en ons meer hoop voor de toekomst geven.
Wij zijn u veel dank verschuldigd dat zo vele jonge predikanten van onze kerken de laatste twintig jaar uw opleiding tot de Dienst des Woords in Apeldoorn hebben mogen volgen.
Onze kerken hebben duidelijk het vertrouwen in die Opleiding uitgesproken.
Juist omdat u nogal eens bezwaren hebt tegen de prediking in onze kerken, mogen wij en u bidden en verwachten dat het gegeven onderwijs in Apeldoorn de kerken ook inzake de prediking dichter bij elkaar zal brengen.

In onze relaties tot buitenlandse kerken hebben we elkaar steeds op één lijn kunnen vinden. Verschillende buitenlandse kerken zijn uw en onze zusterkerken. Wat zou het verschrikkelijk zijn dat we, terwijl we met betrekking tot de GOS, ook sinds Harare, als sàmen Gereformeerde Kerken, één lijn trokken, straks van uw synode zouden moeten horen dat de verschillen tussen u en ons de grenzen van Schrift en Belijdenis overschrijden, of dat de weg naar eenheid geblokkeerd is. De kerken binnen de GOS zouden daar terecht niets meer van begrijpen. Zo'n uitspraak zou ook ons zeer zwaar vallen, juist omdat wij ons met u één weten in het belijden en gebonden aan de Heilige Schrift. Vanuit de Akte van Afscheiding, die onze gemeenschappelijke historie is, zien wij het als onze roeping' om de eenheid in Christus met u te zoeken, te bewaren en te versterken. Het appèl dat van Reformatie en Afscheiding uitgaat willen wij niet verloochenen.
Door de onderlinge eenheid te weinig te zoeken vrezen wij het Hoofd van uwen onze kerken, Jezus Christus, smaadheid aan te doen. Voor een geloofwaardig getuigenis van de kerk in onze geseculariseerde samenleving en in onze tijd van kerkverlating is het dringend nodig te streven naar kerkelijke eenheid. Die weg met elkaar in overtuiging opgaan zou blijk geven van geestelijke kracht. Wat zou het verrukkelijk zijn, indien we samen in en door de Heilige Geest levende gemeenten van Christus zouden mogen zijn, die de God en Vader van Jezus Christus samen mogen verheerlijken èn zo vele vermoeiden, belasten en verdwaalden warm zouden mogen onthalen.
Die spiritualiteit missen we in onze tijd binnen de kerken veel te veel; al te menselijke overwegingen maken van de geest van Reformatie en Afscheiding een caricatuur. Mogen wij en u - voor zover wij en u aan die zonden deel hebben - ons daarover verootmoedigen en ons daarvan bekeren.

Perspectief
Daarmee is aangegeven hoe we met elkaar verder moeten: door elkaar te accepteren, elkaars lasten te dragen, rekening te houden met elkaars zwakheden en moeiten, elkaars eenzijdigheden aan te vullen en zo elkaar te bemoedigen en te onderwijzen uit de Schriften en overeenkomstig de Gereformeerde Confessie, èn door elkaars sterke kanten niet te vergeten en daarvan te willen leren. En ook om elkaar te zegenen, zoals Paulus deed in zijn brieven aan verschillende Nieuwtestamentische gemeenten, gemeenten waarop heel wat viel aan te merken, maar onderling verbonden door de ongedeeldheid van Christus (1 Cor. 1:12).
Uw - ook in onze kerken - geliefde Prof. Versteeg zei het in 1980 zo: ..Als we ... één ding vandaag nodig hebben dan is het ... dat we met onze eigen identiteit de andere dienen en zo echt oog hebben voor elkaar. Want we moeten niet vergeten dat de rijkdom van het eigene in het kerkelijk leven tegelijk ook de eenzijdigheid is 'in het kerkelijk leven.
Niet genoeg kunt u als Ned. Geref. ons wijzen op de vastheid van de beloften en van het Verbond en daarin op de noodzaak van de beleving van het echte gemeente-zijn.
Niet genoeg kunt u ons wijzen óp het feit, dat het om meer dingen gaat dan om die vragen waar toch heel veel diskussies in Chr. Geref. kring over gaan, over ook in liturgisch opzicht bepaald ondergeschikte dingen. Misschien dat we ook van onze kant u een dienst kunnen bewijzen door u voor te houden de ernst van de zonde en voortvloeiend daaruit het feit, dat bekering in een mensenleven echt een overgang is tot een werkelijk nieuw leven. En misschien dat wij ook iets kunnen laten zien van het feit, dat je toch ook met heel veel verschillen echt kerk kunt zijn binnen één kerkverband en daar én de moeite én toch ook de rijkdom van mag beleven." (J.P. Versteeg op de Ontmoetingsdag 1980 te Zutphen (Verslag Opbouw 8-8-80).
Moge dat perspectief u in de bezinning op en besluitvorming over de verhouding tot onze kerken onder Gods zegen door de Heilige Geest begeleiden. Moge die Geest van wijsheid onder u ook aanwezig zijn in de bespreking van al uw andere agendapunten.

Vrijgemaakte Kerken
Bij die agendapunten komt ook de relatie tot de Vrijgemaakte Kerken aan de orde. Wij voelen ons daar te zeer bij betrokken om daaraan voorbij te gaan. Wij verheugen ons oprecht dat er tussen u en hen weer contacten mogelijk zijn. Alhoewel het gevaar niet afwezig is, dat de samensprekingen met ons daardoor onder druk komen te staan, omdat sommige vrijgemaakten in de pers u al aan de voorwaarde hebben willen binden om samensprekingen met ons te beëindigen. Wij hopen daarentegen dat de samensprekingen tussen u en de Vrijgemaakten zo verlopen, dat wij daar ook nog eens actief aan kunnen meedoen. Onze bereidheid tot samenspreking met hen is in 1978 op de Landelijke Vergadering van Wezep als volgt uitgesproken: "De Landelijke Vergadering betreurt het (..), dat het in de zestiger jaren in de Vrijgemaakte Kerken tot een breuk is gekomen tussen hen, die bijeen hoorden en horen, 'tussen broeders en zusters, die al hun zaligheid van Jezus Christus verwachten, zich gewassen weten door Zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest (Art. 27 N.G.B.). Het is haar diepe overtuiging, dat de in die jaren geslagen breuk voor God en mensen ongeoorloofd en onverantwoord was, en daarom ook vandaag ongeoorloofd en onverantwoord is. Zij spreekt daarom uit, dat alles gedaan moet worden, om te komen tot herstel van' de geschonden eenheid, beschaamd erkennend, dat een begaanbare weg naar elkaar toe nog maar zo weinig zichtbaar is, en in de overtuiging, dat die eenheid slechts te vinden is in het wandelen op wegen van waarheid en recht."
Van vrijgemaakte zijde is daarop nooit officieel geantwoord. Wel zijn er vooral de laatste tijd bemoedigende uitspraken in de pers verschenen.
Zo zegt prof. Trimp in een recent interview: "Mijn verlangen was en is dat we een bidstond voor de kerkelijke eenheid krijgen. Wat zou het mooi zijn als de Gereformeerde kerken (vrijgemaakt), de Nederlands Gereformeerde Kerken en de Christelijke Gereformeerde Kerken op dezelfde zondag een bidstond zouden houden. Dan zouden we al voor 85 procent zijn waar we willen wezen," (Ned. Dagblad, 1988; opgenomen in In Gesprek, H. Hoksbergen, De Vuurbaak, 1988, p. 56).
Wat zou het Inderdaad geweldig zijn indien uw synode tot een dergelijke bidzondag de in-het-geding-betrokken-zijnde kerken zou oproepen; we moeten ons vanwege onze schuld en onmacht voor onze God vernederen en samen de Heilige Geest aanroepen om voor ons sàmen weer de Geest van eenheid en samenbinding te zijn.
Voor onze aanwezigheid hier, voor uw aandacht voor wat we vanmorgen - met opzet zeer uitvoerig kritisch, openhartig én appellerend te berde brachten, danken we u met een hartelijke broedergroet van onze kerken. Moge de ongebroken eenheid van Woord en Geest al uw overwegingen en besluiten doortrekken.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief