'Dienen' en 'zich onderwerpen'
1989-10-27
Op het artikel 'Over het schortje van de nederigheid' (Opbouw 33, 340-343), dat Ds. M.R. van den Berg in antwoord op mijn artikelen 'Elkander onderdanig' schreef, wil ik kort reageren.- Jaargang 33
- nummer 22
De fout
De fout die hij maakt is opnieuw het gelijkstellen van twee begrippen die elkaar nu juist niet dekken, nl. 'dienen' en 'zich onderwerpen'. Dat ik daarmee de kern van zijn weerwoord raak, bewijst het feit, dat hij aan dit punt zijn titel ontleent.
'Onderwerpen' doet zich een lagere aan een hogere, zo stelde ik vast op grond van het nieuwtestamentisch woordgebruik, een belangrijke passage uit mijn artikelen, waaraan vdB. echter voorbijgaat. Hierbij is een gezagsverhouding in het spel.
'Dienen' echter kàn, maar behoeft niet voort te vloeien uit onderworpenheid.
Het kan ook voortkomen uit iets anders, b.v. om maar het voornaamste in dit verband te noemen uit liefde.
Als Christus zich het slavenschortje voorbindt - om nu maar met vdB. te spreken - dan gaat Hij zijn discipelen wél dienen, maar Hij onderwerpt zich niet aan hen. (Onderwerpen doet Hij zich alleen aan zijn Vader (1 Cor. 15, 28).) Hij stelt daarbij nl. uitdrukkelijk: 'Gij noemt Mij 'Meester' en 'Heer'; en dat terecht, wat dat ben Ik' (Jh. 13, 13). Zijn dienstbetoon iaat zijn 'Heer zijn', laat zijn gezag onverlet.
Het maakt Hem niét ondergeschikt.
Hij dient uit liefde (v. 1), maar niet in onderwerping (1).
Navenant staat het ook met den man t.o.v. zijn vrouw. Als ik op een dag voor mijn vrouw 'buitenom doe', dien ik haar uit liefde. Niettemin blijf ik onverkort haar 'heer gemaal'; ik onderwerp mij daarmee niet aan haar. Ik behoud tegenover haar een volstrekt andere maatschappelijke positie dan haar werkster heeft, ook aldoe ik voor een keer het karwei dat deze pleegt te doen.
Onderwerping impliceert dus wel dienst, maar dienst impliceert geen onderwerping. ' Ds. van den Berg echter vereenzelvigt deze twee begrippen met elkaar: "En precies zoals het dienstbaar zijn van Christus niets afdoet aan zijn Hoofd zijn, zo doet ook het onderdanig zijn van den mal'! geen afbreuk aan zijn hoofd zijn" (t.a.p. 342, kol. 3 na het midden; cursivering van mij, D.H.). Hij had moeten schrijven: " ...zoals het dienen van Christus niets afdoet aan zijn Hoofd zijn, zo doet ook het dienen van den man geen afbreuk aan. zijn hoofd zijn". Ik zou het hier op 'dienen' willen houden en de term 'dienstbaar zijn' vermijden. 'Dienen' immers tekent iemands activiteit zijn wijze van optreden; 'dienstbaar zijn' daarentegen veeleer zijn status, zijn maatschappelijke positie. Het luistert hier nauw. Christus dient wel, doet wel slavenwerk, gedraagt zich wel als slaaf, maar is geen slaaf, geen dienstbare van zijn discipelen.
('Knecht' is Hij wel, maar van God (Mt. 12,18; Hd. 3:13, niét van ons.) Een dienend hoofd is denkbaar; zelfs door God gewild: Eén zich onderwerpend hoofd daarentegen is een contradictio in terminis. Als een hoofd zich zou onderwerpen, zou hij daarmee de gezagsverhouding omkeren, geen hoofd meer zijn.
Dat juiste besefheeft hier in Ef. 5, waar we schijnen te lezen van 'wederkerige onderdanigheid', de exegeten nu juist voor onoplosbare problemen gesteld. Ik citeer nog maar eens voluit wat collega Versteeg schreef, naar wien ik de vorige maal verwees: "Het woord 'onderdanig' veronderstelt een relatie van een mindere tegenover een meerdere.
Die orde is evenwel niet omkeerbaar, zodat er niet van een 'onderdanig zijn aan elkaar' te spreken is".
Naar mijn bescheiden mening geraakt men alleen uit deze impasse door 'elkaar' hier te verstaan in de zin die ik aangaf.
Christus' hoogheid
Dat ds. van den Berg niet bedoelt tekort te doen aan Christus' hoogheid, geloof ik zonder meer. Dat hij het intussen wel doet, maakte ik op uit de in mijn tweede artikel (303, kol. 1 onderaan) van hem geciteerde uitspraak; dat Christus als hoofd en zijn gemeente als lichaam 'op elkaar aangewezen zijn en niet zonder elkaar kunnen functioneren'. Ik kan deze zin niet anders verstaan dan zo, dat Christus ons evenzeer nodig heeft als wij Hem. 'Hoofd' en 'Iichaam worden hier door vdB. als aan elkaar nevengeschikt geduid.
Het ondergeschikt zijn van de gemeente aan Christus als haar hoofd gaat hier teloor. En dat lijkt mij onpaulinisch en onbijbels. Onze Heiland en zijn gemeente zijn niet te vangen onder de noemer 'Christus en Co.'.
'Heer' en 'vrees'
"In heel het gedeelte van Ef. 5:23-33 kan ik dan ook nergens iets vinden dat verwijst naar het heerschappij voeren van Christus over zijn gemeente, maar Paulus verwijst wel naar Christus' dienstbaarheid" schrijft ds. van den Berg, 342 middenkolom onderaan (2).
Ik had het ook niet zozeer over het heerschappij voeren van Christus als wel over zijn Heer zijn; en over de vrees die voor hem werd opgeëist; met als uitdrukkelijke uitloper daarvan de vrees van de vrouw voor haar man. Waarom gaat vdB. aan die termen voorbij?
En wat dat dienend bewind betreft, waarop vdB. in Ef. 5 de aandacht vestigt - en dat terecht! - zijn daarmee niet in harmonie mijn verwijzingen naar 2 Sam. 23, 3 en Ps. 72?
Alleen maar: het blijft een dienend bewind, géén onderwerping!
'Heerschappij voeren'
Als Petrus de ouderlingen verbiedt heerschappij te voeren over de hun toevertrouwde schapen (woorden door vdB. aangehaald op blz. 342, kol. 3 slot), dan bedoelt hij een heersen in de slechte zin des woords (3), een onderdrukkend heersen, (Waarschijnlijk wel dáárom kiest hij hier de samenstelling met kata-; vgl. Mt. 20,25 en Me. 10,42, waar men naast katakurieuein ook katexousiazein vindt.) Maar heersen' kan ook op volkomen oirbare wijze plaats vinden: ook van onzen Heer Jezus wordt het gebezigd, Rom. 14,9.
Een gekleurde bril?
Het leeuwedeel van ds. van den Bergs artikel is gewijd aan 'de leesbril' van de onjuiste interpretatie van Gen. 3, 16, die geleid zou hebben tot degradatie van de gehuwde vrouw t.o.v. haar man, en bij uitbreiding zelfs tot degradatie van de vrouw in het algemeen t.o.v. den man in het algemeen.
'Waarom hij tegen mij déze springplank kiest, kan ik met de beste wil niet bevroeden.
Om te beginnen repte ik in het geheel niet over de verhouding mant vrouw in generieke zin. En voor zover ik me daarover ooit uitliet, b.v. in mijn bijdragen met betrekking tot 'de vrouw in het ambt', meen ik bepaald geen stelling te hebben betrokken die ds. van den Berg aanleiding zou kunnen geven mij vanuit de door hem gekozen uitgangspositie onder vuur te nemen.
Maar ook bij wat ik uit Ef. 5 las over de verhouding van de gehuwde vrouw tot haar eigen man droeg ik, dacht ik, alleen de bril van den filoloog, die nieuwtestamentische woorden op hun gebruikswaarde onderzoekt.
En als ik de betrokken termen onjuist interpreteerde, moet vdB. dat aantonen.
Dit hoofddeel van zijn betoog gaat dus volstrekt langs het mijne heen, Al veronderstel ik hier geen kwade bedoelingen bij mijn opponent daarvoor is onze verstandhouding te goed - toch betreur ik zijn aanpak. Ik vrees nl. dat door deze wijze van benadering (vanuit een verkeerde visie, die dan ook nog zo in den brede wordt uitgemeten) bij lezers de indruk wordt gewekt, als zou ik verkeerde theologoumena aanhangen; en als zouden dié mij brengen tot uitspraken over bepaalde teksten.
Terwijl ik toch aantoonbaar strikt filologisch ben bezig geweest.
Gezag en zondeval
"Er valt in dat hoofdstuk" (bedoeld is Gen. 2, D.H.) "nergens een spoor van onderschikking van de vrouw te signaleren .... Dat heeft alles te maken met het feit, dat in Gen. 2 de zondeval nog niet heeft plaats gevonden”.
Aldus ds. van den Berg, t.a.p. 341, kol. 1. Moet ik daaruit begrijpen, dat het gezag van den man over zijn vrouw een 'gevolg 'is van de zondeval?
En voorts: ds. van den Berg zal het met mij eens zijn, dat een argumentum ex silentio zo zijn zwakke kanten pleegt te hebben. Wat het onderhavige geval betreft: zou hij er niet verstandig aan hebben gedaan zijn uitspraak zo af te zwakken: "In Gen. 2 leien we niet expliciet van onderschikking van de vrouw aan haar man"? Tot die vraag kom ik op grond van de overweging, dat Paulus impliciet in Gen. 2 schijnt gelezen te hebben(vçt. 1 Cor. 11,8.9), dat 'het hoofd der vrouw de man is' (v. 3).
Hopelijk krijg ik op deze en andere, eerder gestelde, vragen antwoord, wanneer ds. van den Berg zich voldoende bezonnen heeft op mijn argumenten met betrekking tot een gezagsverhouding binnen het huwelijk.
(Zie wat hij zegt onder het laatste kopje van zijn artikel.)
Noten
1) Ook de (be)dienende heer uit Lc. 12,37 blijft niettemin heer (v. 36; zie ook v. 42) die de zeggenschap over zijn personeel behoudt; die een personeelslid kan aanstellen over al zijn bezit (v. 44), maar hem ook kan folteren (v. 46). Het vrijwillig - zie immers 17, 7-10 - dienende optreden van Christus in deze gelijkenis keert de gezagsverhouding tussen Hem en zijn discipelen niet om, maakt hem niet aan hen ondergeschikt.
2) Ik kan hier de juiste tekst van het artikel van ds. van den Berg citeren dank zij het feit dat hij zo vriendelijk was mij vóór de publicatie zijn artikel toe te sturen. Bij het afdrukken in Opbouw is dèze zin verminkt geraakt.
3) Er zijn, gelijk bekend mag worden verondersteld, meer woorden die, zoals men dat noemt, zowel in bonam als in rnalam partem gebruikt kunnen worden, bv. 'phobos' = 'angst', maar ook 'ontzag' (men kan dus 1 Jh. 4, 18 niet uitspelen tegen EI. 5, 21.33); 'peirasmos' = 'beproeving' (proberen, wat iemand hebben kan), maar ook 'verzoeking' (iemand verleiden tot kwaad).