Oefent U in de Godsvrucht! (3)

1988-05-06
  • Jaargang 32
  • nummer 18
De Reformatie
Sinds Maarten Luther in 1525 met Käthe von Bora trouwde, is het kloosterideaal voor de meeste christenen van reformatorischen huize verbleekt. Met die stap bezegelde hij een heel principieel afscheid van een leven in onthouding terwille van de oefening van de godsvrucht. De ogen van de uiterst nauwgezette monnik waren opengegaan: een mens komt niet door zijn vróómheid dichterbij God, maar door de genáde; Christus heeft zijn bloed niet voor de gevorderden in het geestelijk leven vergoten, maar voor goddelozen. Enjuist als asceet voelde Luther zich zo vreselijk goddeloos: zijn in zekere zin overspannen vroomheid ontpopte zich hoe langer hoe meer als hoogmoedige zelfrechtvaardiging tegenover God! Zo blies Luther de kloostercel als het ware van binnenuit op: wat winst leek, bleek schade te zijn: waar het gewone volk met respekt tegenop keek, hield hij voor vuilnis (vergelijk Filippenzen 3: 7, 8).
Luthers huwelijk was dan ook een signaal aan de christenheid: God dienen doe je in het gewone leven; innige gemeenschap hebben met Christus kan ook waar man en vrouw één vlees worden. Vriend en vijand moesten erkennen dat Luthers beschikbaarheid voor de Here er na zijn huwelijk niet minder op werd: het stichten van een gezin en de gerichtheid op Gods Koninkrijk gingen opvallend harmonieus bij hem samen.

Opnieuw ... ascese!
Toch betekende Luthers breuk met het kloosterleven geen afscheid van de ascese.
Stellig leek zijn levensstijl in weinig meer op die van de woestijnvaders: hij liet zich de maaltijden goed smaken - zijn portret genligt ervan. Ook dronk hij graag en veel en schaamde hij zich daarvoor niet! Maar tegelijk waakte hij ervoor, dat het leven van genade niet in het gedrang kwam; als er iemand methodisch plaats inruilde voor gebed en bijbellezing, dan Luther. Niet toevallig worden aan hém de woorden toegeschreven: "Ik neem elke dag een uur de tijd voor gebed, behalve als ik het erg druk heb: dan neem ik er twee uur voor.
.. " De ascese kwam gewijzigd terug: de toewijding aan God werd nu niet meer gerealiseerd door de eenzame strijd in de kloostercel, maar door trouw, nederig en eerlijk een beroep uit te oefenen.
Men hoefde niet meer het kruis op zich te nemen van allerlei lichamelijke beperkingen, maar had in de navolging van Christus wel gewillig het harde juk te dragen van een soms brute overheid.
Wie aan Luther een vrijbrief denkt te kunnen ontlenen voor een ongedisciplineerd, vrijgevochten leven, is zelfs bij deze blijmoedige ex-monnik aan het verkeerde adres.

'Innerweltliche Askese'
Dat geldt nog veel sterker van Calvijn, die zowel in zijn persoonlijk leven als in zijn theologie meer afstand bewaarde tot de genietingen van het leven dan Luther. Te vaak wordt er van Calvijn een karikatuur getekend, als had hij in dodelijke ernst een afkeer van alle vreugde en vermaak. Daarmee doet men geen recht aan deze (Frans )man van smaak: hij kon literaire en muzikale prestaties naar waarde schatten, had oog voor de schoonheid in de natuur en stelde op z'n tijd een zeiltocht over het Meer van Genève op prijs. Toch moet worden toegegeven dat hij geen uitgelaten levensgenieter was. Daarvoor was niet alleen zijn zwakke gezondheid verantwoordelijk - zijn vele kwalen stonden zijn levensvreugde niet zelden in de weg - maar ook zijn kijk op het evangelie. Naar zijn inzicht riep dat de gelovigen op, zich te koncentreren op het toekomstige leven en zich daartoe niet te zeer te hechten aan het aardse goed. Ik citeer uit de Institutie: God regeert, waar de mensen zowel door verloochening van zichzelf als door verachting der wereld en van het aardse leven zich toewijden aan zijn gerechtigheid, zodat ze streven naar het hemelse leven. (111, 20, 42, n.a.v. de bede 'Uw Koninkrijk kome') In een hoofdstuk dat speciaal gewijd is aan "de overdenking van het toekomende leven" gaat hij op deze 'verachting der wereld' in. Ook daaruit een citaat:

De gelovigen moeten zich gewennen aan zulk een verachting van dit leven, dat die geen haat tegen dat leven wekt en geen ondankbaarheid jegens God. ( .... ) Want voordat Hij ons de erfenis der eeuwige heerlijkheid openlijk schenkt, wil Hij door. mindere bewijzen tonen, dat Hij onze Vader is. Die bewijzen zijn de goederen, die wij dagelijks van Hem ontvangen.
( ... ) Wij beginnen in dit leven door verschillende weldaden de liefelijkheid van Gods goedertierenheid te smaken, opdat daardoor onze hoop en ons verlangen gescherpt worden om de volkomen openbaring daarvan te begeren. ( ... ) Dan zullen wij geschikt komen tot de beschouwing van de jammerlijke staat des levens, en wel opdat wij losgemaakt worden van de al te grote begeerte naar het leven. (111,9, 3)

De al te grote begeerte naar het leven: die ziet Calvijn als de grote verleiding.
Daarom bepleit hij een uiterst sobere levensstijl, waarin plaats is voor vastendagen en verootmoediging maar niet voor weelde en luxe. De mens heeft zich door een arbeidzaam en ingetogen leven te richten op Gods eer en zich zo voor te bereiden op het eeuwig Koninkrijk.
Men heeft in dit verband wel gesproken van 'innerweltliche Askese': midden in de wereld (innerwelt-lich) dient men on-werelds te leven; men moet tot een radikale openheid voor God komen in zijn maatschappelijke aktiviteiten.

De wereld een klooster? .
Calvijns benadering van het aardse leven heeft ongetwijfeld allure. Hij heeft scherp gezien hoe leeg het leven wordt, wanneer het een doel in zichzelf wordt. Daar worden wij in onze eeuw met de neus op gedrukt: de mensen vinden steeds minder bevrediging in de 'konsumptie-maatschappij', waarin genieten het een en het al geworden is. De mooie en goede dingen die God schenkt blijven alleen maar mooi en goed, wanneer wij ze benutten als materiaal om aan onze betrekking tot God te werken.

Zogezien is zijn pleidooi voor een ascetisch omgaan met het aardse goed een broodnodige korrektie op een materialistische levenshouding, waarin het geestelijk leven doodbloedt.
Tegelijk heeft Calvijns beschouwing iets aanstotelijks, doordat hij zijn relativering van het aardse leven laat uitlopen op een verachting daarvan. Mag de godsvrucht er nu werkelijk toe leiden, dat men gaat "branden van ijver naar de dood" (Inst. 111, 9, 4)? Het lijkt er op, dat Calvijn hier het evenwicht niet gevonden heeft. Enerzijds staat hij principieel open voor Gods goede schepping en roept hij de gelovigen op om dáárin God te ontmoeten; anderzijds vreest hij zozeer de afgoderij met Gods gaven, dat hij het een christenplicht acht zich ascetisch van deze wereld af te wenden en zich te richten op de toekomende. Zo is er een tendens bij Calvijn, om de wereld te gaan zien als één groot klooster, met alle gestrengheid vandien.

Puriteinen
Het zijn de puriteinen van de zeventiende eeuw geweest, bij wie deze tendens versterkt naar voren komt. Met deze benaming worden de ernstige gereformeerden aangeduid, die ijverden voor de puur-heid van een leven in, maar niet van de wereld. Het is een beweging, die sterke impulsen ontvangen heeft vanuit Groot-Brittannië; in Nederland is zij bekend komen te staan als de Nadere Reformatie.
Belangrijke vertegenwoordigers in ons land zijn predikanten als Teellick, Van l.odenstein, Wilhelmus á Brakel, Smytegelt enz. Was men in deze kring oorspronkelijk gericht op een hervorming van zowel het persoonlijke als het kerkelijke en zelfs het maatschappelijke leven, later richtte men de aandacht hoe langer hoe meer op het innerlijk en won de verachting veld van alles wat 'buitenkant' was. Maar van meet af aan voelde men zich wonderwel thuis bij de ascetische trekken in de gereformeerde leer - zo zelfs, dat men over de Reformatie heen teruggreep naar de ascetische vroomheid van de Moderne Devotie: Thomas á Kempis was een hooggeëerde en veelgelezen auteur!
Hoe de puriteinse oefening in de godsvrucht er in de praktijk uitzag en vervolgens een uitstraling had op de evangelische wereld, zult u D.V. volgende week in Opbouw kunnen lezen.

Meld je aan voor onze gratis nieuwsbrief