Pastorale Notities
1988-05-06
Gewoonte of bijgelovigheid- Jaargang 32
- nummer 18
Ook dit stukje komt voort uit mijn bezig zijn met het rapport over het geestelijk leven onder gereformeerden in Drenthe. Vooral die koppen waarmee Trouw het rapport aankondigde zitten mij een beetje dwars. En dan de forse foto bij één van de artikelen: een kerkzaal vol zingende mensen.
Zitten al die mensen daar nu alleen maar uit gewoonte te zingen uit volle borst?
Je zult jezelf op zo 'n plaatje terugvinden!
Ik wil natuurlijk geen lovende woorden schrijven over mensen die voor hun christelijk handelen geen ander motief hebben dan de gewoonte.
Gewoonte staat onder ons niet hoog genoteerd.
Vanuit het oude doopformulier hebben wij gewoonte ongeveer even hoog leren waarderen als bijgelovigheid.
Ik kan ook niet ontkennen dat er momenteel een zekere matheid ligt over het christelijk geloof. Prof. van 't Spijker heeft een dezer dagen gezegd dat de kerken wel het complete geloofsgoed in huis hebben, maar ze weten er niet mee om te gaan, zij lijden aan een verarming van de geloofsbeleving. Is dat nu helemaal waar? Maar ik zie toch ook andere dingen en wie zal de diepte en de warmte van het geloof meten dan God alleen?
Maar, aangenomen dat er van ingezonkenheid sprake is, zou er dan toch van de gewoonte niet iets beters te zeggen zijn.
Moet je nu redeneren: als het bij mij of de kinderen alleen maar gewoonte is kunnen we er beter helemaal mee op houden? Laat de gewoonte zoiets zijn als het uiterste minimum waaruit een christen leven mag, zou dat minimum dan te rechter tijd niet heel waardevol kunnen blijken te zijn?
De gewoonte is namelijk explosief, brandbaar.
Bij dr C. Rijnsdorp, in zijn boek "Laatste gedachten" (hartelijk aanbevolen), kwam ik deze fijne woorden tegen: "In de jeugd aangenomen, levenslange gewoonten, zoals bidden en danken bij het eten, bijbellezen, hebben een dragende functie in tijden dat de op God gerichte spontaneïteit ontbreekt".
Wat hoopvol klinkt dat!
Je zou ze zo als motto bij de foto in Trouw kunnen zetten. Dan wordt het een heel ander plaatje.
Dat hoopvolle vind je toch vaak juist bij mensen, die aan de ingezonkenheid het meest lijden. Ook bij Rijnsdorp.
Ik denk aan het laatste hoofdstuk van zijn boek "In het spanningsveld van de Geest" uit 1968.
Dat hoofdstuk bevat een geselend oordeel over veel Christelijkheid, maar het opent met de woorden: " Onder alle kerke-as zit vuur. Onder alle as van alle kerken".
En het eindigt: "De gemeente vraagt, zij moet vragen: Heer, vergeef ons alle as. Laat er vuur zijn. En het zal er zijn."