Bij-tijds leren geloven
1988-05-06
Vorigjaar plubiceerden drs L. van Driel en drs L. A. Kole een onderzoek onder jongeren binnen "de rechterflank van de Gereformeerde gezindte". De schrijvers hebben een leidinggevende funktie binnen het voortgezet onderwijs. Van Driel is lid van de Gereformeerde Bond binnen de Nederlands Hervormde Kerk Kole is lid van één van de Gereformeerde Gemeenten. Het onderzoek is vooral gericht op jongeren met dezelfde kerkelijke achtergrond als de schrijvers. Hoewel deze doelgroep niet samenvalt met de Nederlands Gereformeerde kerken, zijn de uitkomsten ook voor onze kerken van belang. Daarom besteden we ook in 'Opbouw' aandacht aan deze publikatie.- Jaargang 32
- nummer 18
Educatief klimaat
Van Driel en Kole deden onderzoek naar 'het educatief klimaat in een drietal kerkelijke gemeenten'. Ze bedoelen hiermee: "de omstandigheden en de sfeer, die bepalend zijn voor het mogelijke effekt van de opvoeding" (11).
Naast het 'klimaat' in het gezin is het vooral ook van belang hoe de kerk hierop aansluit; welke mogelijkheden biedt de kerk aan jongeren om bij-tijds te leren geloven. Van de drie onderzochte kerkelijke gemeenten zijn er twee Nederlands Hervormd (Gereformeerde Bond); de derde kerkelijke gemeente maakt deel uit v.an de Gereformeerde Gemeenten in Nederland en Noord-Amerika.
Opvoeden in het geloof
Na een terugblik op een eerder door de schrijvers uitgevoerd onderzoek biedt het eerste deel van het boek een interessant overzicht van een groot aantal theorieën over de ontwikkeling van het geloof in de loop van de menselijke ontwikkeling.
Dit hoofdstuk is niet altijd gemakkelijk om te lezen. Bovendien kan het een wat hachelijke onderneming zijn om te proberen geloof in wetenschappelijke termen en ontwikkelingsfasen te ontleden. Vanuit hun warme betrokkenheid bij geloofszaken gaan de schrijvers echter behoedzaam met het onderwerp om; voor de geïnteresseerde lezer biedt alleen dit hoofdstuk al een schat aan waardevolle literatuur-gegevens.
Deze literatuurgegevens monden uit in de kriteria die bij het opzetten van het nieuwe (en nu dus gepubliceerde) onderzoek werden gehanteerd.
Vraaggesprekken
Na een hoofdstuk vol gegevens uit de vakliteratuur komen in het tweede hoofdstuk gemeenteleden aan het woord. Het betreft hier zowel ouderen (degenen die catechisatie geven) als jongeren. Uit het grote aantal reakties geven we de uitkomsten vanuit de Gereformeerde Gemeenten weer. De wijze waarop catechisatie wordt gegeven komt traditioneel over: volgens een vast programma en een vaste leermethode.
Dit hoeft echter geen belemmering te zijn: in een vraaggesprek met 7 catechisanten geven allen aan graag de catechisaties te bezoeken. Sommige antwoorden zijn typerend voor het klimaat van de Gereformeerde Gemeenten: "Ik vind het dragen van een broek voor vrouwen in strijd met de Bijbel. Zo iemand kan voor mij geen kind van God zijn" (77). Het meest indringende gegeven is het feit dat de 7 zeer meelevende catechisanten allemaal als antwoord geven te geloven dat God het leven bestuurt en tegelijkertijd zichzelf niet een gelovige durven te noemen. "Nee, dan moetje bekeerd zijn" (78). Eén van de jongeren geeft aan dat er tijdens kerkdiensten en catechisaties vaak sprake is van een monoloog. Hij zegt daardoor niet te leren zichzelf staande te houden tegenover buitenstaanders (77).
Daarna volgt de samenvatting van een gesprek met ouderlingen die catechisatie geven. Van Driel en Kole voegen als opmerkelijk detail toe dat de 5 heren een kostuum en stropdas droegen en dat 2 van hen een sigaar rookten. De ouderlingen zeggen het te betreuren dat er weinig sprake is van direkt kontakt met de jongeren. "Bij huisbezoek zitten de ouders erbij. Dan heb je ook geen direkt kontakt met ze" (83).
Kritisch
In hun analyse van deze gegevens signaleren Van Driel en Kole een tekort aan overleg tussen kerkeraad en ouders over de catechisatie; slechts in organisatorisch opzicht (b.v. absenties) heeft men met elkaar kontakt. De schrijvers komen tot enkele opvallend kritische konklusies.
Ze konstateren b.v. "dat de kerkelijke geloofsleer eerder belemmerend dan bevrijdend werkt, ja, dat deze zelfs een gezonde geloofsleer kan blokkeren" (86). Binnen het relatief beschermde klimaat van de Gereformeerde Gemeenten "geven deze jongeren geen èigen verwoordingen weer, maar 'ervaringen' zonder kritische funktie, die kunnen leiden tot niet-geloven" (87f Hoewel in deze kerken de 'bevinding' een belangrijke rol in het geloofsleven speelt, "worden er nauwelijks persoonlijke
gesprekken gevoerd, noch door de catecheet (die geen persoonlijke ervaringen 'doorgeeft') noch door de catechisant" (88). "Veel van wat geleerd wordt is cognitief. Een bijdrage tot echte geloofskennis, die per definitie ook .affectief is, is er nauwelijks. Dit hangt samen met het feit dat jongeren niet veel levende voorbeelden van gelovigen in hun nabije omgeving weten te noemen.
Kontakt van persoon tot persoon is er nauwelijks" (89/90). Veel jongeren geven aan niet met de dominee, noch met de ouderling of leraar, noch met de ouders over problemen te praten (136).
Kortom: ondanks de doorgaans tevreden en meelevende indruk die de 7 jongeren gaven komen Van Driel en Kole na breder onderzoek tot de konklusie "dat het educatief klimaat veel te wensen overlaat" (90). Met andere woorden: de omstandigheden waarin men 'leert' te geloven zijn niet optimaal en behoeven verbetering.
Anders?
Gedragen jongeren in deze kring zich 'anders-dan-anderen?' Hebben ze andere standpunten? Om een antwoord op die vraag te vinden zetten de schrijvers een zeer groot onderzoek op, waarbij maar liefst 1537 jongeren werden geënquèteerd.
Veel vragen gaan over het persoonlijke geloofsleven, de vorm van de kerkdiensten, het jeugdwerk enz. We vinden hier bemoedigende antwoorden.
Toch valt niet te ontkennen dat op het punt van de moraal ook in de relatief nog besloten Gereformeerde Gemeenten veranderingen merkbaar zijn. De schrijvers konstateren dat de invloed van de kerk wel duidelijk merkbaar is, maar toch minder groot is dan misschien (nog) gedacht werd.
Dit is des te meer opvallend, wanneer we bedenken dat het onderzoek werd uitgevoerd op 'behoudende' (o.a. reforrnatorische) scholen. Bij vragen op het gebied van occulte verschijnselen, sek--
sualiteit, abortus, echtscheiding en het gebruik van alcohol en drugs blijkt dat ook binnen deze kerken een groep jongeren aanwezig is die er een standpunt op nahoudt dat binnen deze kerken wordt afgewezen. Opvallend is overigens ook dat 62% van de jongeren een oordeel heeft over geweld op de televisie.
"En dat terwijl in dit milieu de televisie doorgaans ontbreekt" (152), zo voegen de onderzoekers fijntjes toe.
Omslag in de kultuur
Er bestaan verschillen in dogmatisch opzicht en in catechisatie-methoden en verkondiging tussen de Gereformeerde Gemeenten en onze kerken; die verschillen komen ook in sommige antwoorden van de jongeren tot uiting. Toch stelden we dat het onderzoek ook voor onze kerken van belang is. We denken hierbij vooral aan de zgn. 'omslag in de kultuur'. Er is immers geen enkele reden om aan te nemen dat de uitkomsten van een soortgelijk onderzoek onder jongeren in onze kerken gunstiger uit zouden vallen. Dit zou betekenen dat ondanks de wekelijkse verkondiging, ondanks de catechisaties en het jeugdwerk, ondanks bijbellezing en gebed de massieve invloed van de kultuur doorgaat.
Niet alleen de uitkomsten van het onderzoek, ook de adviezen uit deze studie zijn voor onze kerken van belang.
De schrijvers bepleiten een fundamentele bezinning over deze vragen binnen de kerken van de Gereformeerde gezindte.
Ze roepen daarbij binnen die kerken op tot een 'educatief klimaat' "waarin ruimte is voor eigen ervaringen en ontdekkingen van jongeren. Een klimaat waarin niet elk zoeken en vragen bij voorbaat als verdacht wordt gezien, wetend dat mensen niet om vragen en krisis heenkunnen, maar al vragend en overwegend komen tot een geloven voor eigen rekening" (159). Geloofkun je leren, zo stellen de schrijvers (11), maar het gaat niet alleen om kennisoverdracht.
Het gaat om een aktief leerproces, waarbij jongeren leren te geloven met het verstand, maar evenzeer met het hart. Daarbij spelen zeker ook de persoonlijke kontakten een belangrijke rol. Met als doel: voldoende wapenrusting om aan het eind van de 20e eeuw geestelijk weerbaar te zijn.
Drs L. van Driel en drs I. A. Kole, Bij-tijds leren geloven, Kok, Kampen; 191 blz., f 29,50.