Kernmoment in het relaas van Exodus (2)
1988-05-13
Tot in schoolboekjes toe wordt tegenwoordig de 'wijsheid' geventileerd, dat Exodus in feite een slavenopstand . beschrijft. Die alleen (achteraf) religieus wordt geladen, en 'toegeschreven' (letterlijk) aan het ingrijpen van de HERE.- Jaargang 32
- nummer 19
M.i. komt wie zoiets beweert toch wel ernstig in conflict met wat het boek zelf krachtig betuigt. Een eventuele slavenopstand stierf namelijk reeds een roemloze dood voor en aleer ze goed en wel had kunnen beginnen! Ze liep stuk op de eeuwige onenigheid in het volk van God, en op onze angst, de minste te zijn voor onze broeder, 2 : 14. Wat we ook nu nog wel ootmoedig ter harte mogen nemen!
In ieder geval: voor een slavenopstand vond zèlfs de van God gegeven kans in de vorm van de man Mozes met zijn statuur en achtergrond in Israël te weinig samenhang ...
"t Exodus 2 t/m 4: Zo is het dan niet van degene die wil noch van degene die loopt, maar van de ontfermende God, Rom. 9: 16 S.V.
De verkeken kans
Opnieuw een neergaande lijn in het verhaal. En het was nog wel zo mooi begonnen. Mozes, ondanks zijn opvoeding en opleiding niet 'ingepakt' door de schatten van Egypte, Hebr.
11 : 26. Zich wel bewust van zijn eigen volk. Hij ziet op een moment dat het er op aan komt, letterlijk zijn kans schoon. Zijn daad had inderdaad het sein tot een slavenopstand kunnen zijn, ware niet het gehakketak onder de broeders stèrker! Kennelijk is Mozes' daad wel als een lopend vuurtje door de rijen van het verdrukte volk gegaan. Maar ze ontstak niet de fakkel van de vrijheid, - juist niet! Integendeel, ze werd alleen maar aangegrepen om - uit eigenbelang - de grote kans van Mozes te torpederen!
Bevreesd vlucht Mozes weg. Na de schrik heeft echter iets blijvenders jegens de broeders zich in zijn hart genesteld: een verlammend besef van teleurstelling en machteloosheid.
Geen wonder nadat verraad uit eigenbelang en eigengereidheid zijn kans had verknald. Het stempelt Mozes.
Hij trouwt als vreemdeling in bij de Midianietische stam waarvan Jethro (Rehuel) priester is. Heel wrang: zijn opkomen voor Jethro's dochters heeft hem bij die halfheidense priester wèl vertrouwen en waardering bezorgd!
Hoe ánders dan onder het eigen volk.
Mozes legt zich bij zijn mislukking neer:je kunt beter vreemdeling zijn bij de halfheidenen dan aan het hoofd staan van de rampzalige verdeeldheid der broeders! De triestheid en uitgeblustheid van Mozes wordt duidelijk in de wijze waarop hij zich settelt bij de stam van schoonpapa. Misschien wel het meest in de naam van zijn (tweede?) zoon Gersom: dat is er dan van mij geworden - vreemdeling in een vreemd land. Neen, wat Mozes betreft is het met die slavenopstand: roemloos einde na veelbelovend begin!
En dán begint de HERE
En wat Gód betreft?
Net als tussen hfdst. 1 en 2 ligt er na 2: 22 een overgang. Na het definitieve, uitgebluste einde van elke opstandsgedachte komt de HERE in beweging.
En God zoekt op ... die volkomen uitgebluste Mozes, maar dan wèl 40 jaren ouder. Voor hèm hoeft het nu helemaal niet meer. Kan God nu dan de bijna 80-jarige (7 : 7) nog enthousiast maken voor Zijn zaak?
Vergeet het maar! 0, het wonder van de braamstruik wekt Mozes' nieuwsgierigheid wel. De ontmoeting met de HERE in de persoon van zijn Engel (vgl. Ex. 23 : 20-33) boezemt Mozes zeker ontzag in, 3: 6 (vgl. 1 Kon.
19: 13). Maar het besluit van God, Israël nu te gaan redden en te brengen naar het beloofde land - dat loopt bij Mozes alleen maar te pletter op een 'wie ben ik, dat ik naar de farao zou gaan ... ? '3 : 11. Let op hoe scherp de HERE de vraag 'wie ben ik?' corrigeert met zijn antwoord: 'Ik ben immers met u!' Als we het nog niet wisten: niet Mozes, maar God zelf is de Initiatiefnemer en Leider van de onderneming waar Mozes geen zin en geen moed voor heeft.
Dat liegt er niet om
Mozes heeft een keur van bezwaren: de naam van de HERE b.v. Hij bedoelt: het volk kan toch moeilijk onder de indruk zijn van de macht en aanwezigheid van de God der vaderen gedurende hun lange kwelling in Egypte totnutoe! Wat hebben ze ervan gemerkt dat ze een God hebben?
Weer luidt het antwoord - en dat antwoord IS dè Naam - 'Ik ben die Ik ben'. Zeg maar: 'Ik ben' heeft mij tot u gezonden. En dan te bedenken dat dat 'Ik ben' dezelfde klank heeft als wanneer een moeder naar haar angstig kind roept: ' Stil maar, ik bèn er al'. 'Ik ben', Gods actieve nabijheid voor zijn volk, Góds program draagt deze onderneming.
De ongeloofelijke détails worden Mozes al beloofd, 3: 17-22.
Maar Mozes ziet het niet zitten: als ze me niet geloven... 4: 1. Zo stelt God dan zijn tekens aan zijn onwillige knecht ter beschikking. Telkens van leven en dood, in een opklimmende reeks. De staf die echt een slang wordt, - Mozes, de herder vlucht heus niet voor een wissewasje. Dat betekent: het instrument van Mozes'
povere macht wordt instrument van Gods verleende macht, om kwaad te ontketenen èn het te bezweren! Opdat ze geloven, 4 : 5. De hand in het boezemkleed aangetast door de fatale melaatsheid die vervolgens weer wijkt op Gods bevel. Tenslotte het uitgieten van Nijl-water (leven) dat bloed wordt (dood). Tegen zoveel macht van God kan Mozes niet op, maar hij geeft zich niet gewonnen: ik ben een slecht spreker. Alsofhet tóch van hem af zou hangen! Tenslotte heel eerlijk: HERE stuur toch een ander!
Paulus later typeert haarscherp: het is niet te danken aan degene die wil (Mozes) of aan degene die loopt (Israël, lopend in de woestijn) maar aan God die z icb ontfermt. Hoe bestaat het toch dat in Paulus' dagen en later zovele Joden (die uit Israël zijn!) het geheim van Israël zijn kwijtgeraakt. Het geheim dat het volk er ooit gekomen is en er nog is al/één dankzij de God die zich ontfermt?
Je zou zeggen: een slecht begin van een onderneming: de leidsman is een gevorderde, en duidelijk iemand die gaat tegen wil en dank. Zwakkere start is nauwelijks denkbaar. Ja, betuigt Exodus, tènzij het gaat om het hoogstpersoonlijke initiatief van 'Ik ben'. Zijn onderneming!