Losse herinneringen
1988-05-13
Tien jaar geleden liep door Kampen's buitenwijk een bejaarde heer, op weg naar de binnenstad. Twee niet zojeudige dames prefereerden de bus en, wachtend bij de bushalte, bekeken ze met gepaste belangstelling de bejaarde heer. "Kijk daar es", zei een van de twee, "wat een ouwe taaie". - De heer vertraagde zijn stap, stond stil, keerde om en kwam naar de dames terug.- Jaargang 32
- nummer 19
Daar lichtte hij zijn hoed en sprak: "goedemorgen dames, ik vind u niét oud en ik vind u niét taai". De twee stonden perplex, zwegen even tot de heer zijn wandeling had hervat en zeiden toen tegen elkaar: "maar zijn gehoor is nog goed".
Ja, zo was H. J. Jager: beleefd, vriendelijk, niet opvliegend, nederig en bereid tot luisteren. Jacobus zou het hem niet verbeteren. Zelf vond HIJ het een goed verhaal en hij schreef het mij tweemaal.
Maar ook voor een sterkjagersverhaal, dat hij met tintelende ogen en schijnbaar goedgelovig aanhoorde, was hij klaar. Hij ruilde het voor een nog sterker vissersverhaal; want al heette hij jager hij wás een visser en citeerde graag: "vissers en jagers zijn vrou~ wenplagers ". Zo vertelde hij van een vis, die duidelijk aan zijn aas beet en maar bleef wurmen, tot HIJ eindelijk ophaalde. Er zat niets dan en afgekloven skelet van een baars aan zijn hengel!
-0-
Over het nut van de kerkelijke hiërarchie en de "meerdere" vergaderingen had hij zijn eigen mening. Naar een synode gaan, die op springen staat? "Die, 't dout mut 't waiten" was zijn commentaar; en hij bleef thuis, als dr A. Kuyper, als dr K. Schilder. Hij had ander werk te doen, zo lang men hem niet dringend nodig had. En over "doorgaande reformatie"
(hij noemde dat nog anders) had hij andere gedachten dan de toen gangbare. Vrijgemaakt betekende voor hem: vrijgemaakt van de zonde, door een oprechte dagelijkse bekering.
Toen HIJ werd benoemd tot hoogleraar aan de School vroeg een predikant mij: bent u gelukkig met die keus? - Dat was ik. - Hij vroeg: waarom? - Omdat nu eens geen theologisch candidaat tot professor is benoemd, maar iemand die zijn wetenschappelijke graad heeft bereikt en zo een sieraad voor de kerken kan worden. - Onzin, zei de predikant.
Hij is een man die de Heere vreest, nederig is en de Schrift verstaat. Alleen zo kan hij een sieraad voor de kerken zijn.
Een visite van het echtpaar Jager, bijvoorbeeld na kerktijd, was een belevenis.
Meestal onderhielden de dames zich met elkaar en konden de heren ongestoord hun gedachten uitwisselen.
Maar al te vroeg keek HIJ op zijn horloge en zei nuchter: "Komaan Vrouw Jager, we gaan naar huis".
Zijn Moeder werd vroeger Vrouw Jager genoemd en dat was hem een eretitel.
Zelf noemde zijn moeder hem vroeger Arme Jan, wat een huiselijke uitspraak moest zijn van Harm Jan. En tot zijn dood toe vond HIJ het leuk een briefte zien beginnen met: Arme Jan, beste Vriend.
-0-
Vier mannen, waar onder HIJ, spraken over studeren. Een zei: ik heb niet kunnen studeren, omdat mijn vader dat niet kon betalen. De tweede sprak: toevallig kon mijn vader het wel betalen en daar ben ik nog dankbaar voor. De derde zei: hoewel mijn vader het niet betalen kon werd ik toch in staat gesteld te studeren.
HIJ als laatste peinsde: mijn vader leefde toen niet meer, maar toch gaf de Heere mij een kans om te studeren.
In de jaren, waarin uitgeworpen kerken ijverig haar zusterkerken trachtten uit te werpen (de zuivering van de jaren zeventig), verwees HIJ naar de slaaf, aan wie een kapitale schuld was vrijgescholden, en die vervolgens een medeslaaf om een kleine schuld naar de keel greep. Het beeld was verschrikkelijk juist, want niemand kende de pijn van uitwerping zo sterk als de uitgeworpene zelf. Toch wankelde zijn geloof niet bij zulke operaties: hij vertrouwde op zijn Grote Baas boven - maar hield diens grondpersoneel in de gaten.
In de tijd dat de uitgever van "De Reformatie"
zijn redactie wilde vervangendoor een gereedstaande pseudo-redactie, trof ik hem ten huize van ons oelder vriend CV. Onder het gesprek vroeg hij: kunje blind typen? En al spelend met de schrijfmachine van CV bleef hij het gesprek volgen. Eindelijk reikte hij een stuk papier over, resultaat van zijn blind-typen. Er stond op: "aIs ik ooit nog eens in een kerkelijk blad ga redigeren, dan nooit in een blad van een of andere uitgever - alleen bij eigen beheer.
Ziedaar het ontstaan van onze persvereniging, die dit goede blad uitgeeft.
-0-
Toen HIJ op het matje geroepen werd en aan curatoren moest vertellen wat hij van de belijdenisschriften dacht, aarzelde hij niet om de drie formulieren te noemen: menselijke pogingen om Gods Woord zo goed mogelijk samen te vatten en/of na te spreken. Toen aangedrongen werd om ook uit te spreken dat deze "pogingen" geheel geslaagd waren, weigerde hij menselijke geschriften gelijk te stellen met het Woord. Daar
kreeg hij het toen moeilijk mee. - Op de vraag: maar wat was eigenlijk de beschuldiging?
antwoordde hij met een vriendelijke glimlach: er was heel geen beschuldiging voorhanden, het was maar een poging om een beschuldiging te ontwikkelen.
Toch heeft de operatie-emeritering hem terdege aangepakt. Hij raakte van de kook, reisde van rusthuis naar kliniek en twijfelde aan de mogelijkheid van herstel. Een professor die hem behandelde zei: lichamelijk bent u gezond, maar uw ziel is ziek. - Als een droge Groninger vroeg HIJ: en wat is mijn ziel, dokter? - Dat weet ik niet, antwoordde de prof., dat is uw vak! - Via lang verblijf in een paar Veluwse dorpen, afgeschermd tegen elk bezoek, mocht hij herstellen. Hij kwam beter terug dan hij gegaan was.
In zijn preken de eenvoud zelve - maar een eenvoud die de hoorder aan het werk zette. Want HIJ worstelde met de Schrift om Gods stem terdege te verstaan, los van elk wetenschappelijk vooroordeel. Hij nam het standpunt in van de gelovige bijbellezer en leerde zijn hoorders afstand te nemen tot alle -ismen.
"Wandelen in een nieuw leven", de nieuwe gehoorzaamheid van de vrijgesprokene die nieuwe kansen krijgt, dat was hem op lijf en ziel geschreven. En de kreet van Paulus "ik ellendig mens!"
dateerde uit zijn vroegere periode van voor zijn bekering, zo leerde hij. Want juist Paulus spoorde ons aan te breken met de "oude mens", om de wapenrusting des geloofs aan te trekken en "vromelijk tegen de zonde, de duivel en zijn ganse rijk te strijden en te overwinnen".
Opdat we Gods geboden doen "uit dankbaarheid" .
En wee de mens die nog bleef pruilen over zijn onzekerheid, of hij wel door God geroepen was! Of de mens die, erger nog, bleef geloven aan zijn verworpenheid-tot -het-tegendeel-mochtblijken!
Met alle klem betoogde HIJ dat God de Heere juist zondaars roept, mensen die het niet zien zitten, die zichzelf onwaardig achten. Maar wie op zulk een grote genade geen acht slaat werpt zichzelf weg uit Gods genadekring, uit het verbond.
-0-
Zijn praatje voor de bejaardenomroep in Kampen. Het kostte hem wekelijks een goed aantal uren maar hij deed het met vreugde: iets meegeven aan mensen, die wellicht niet meer zo geïnteresseerd waren in geestelijke zaken. Vanwege dat wekelijkse praatje noemde hij zich graag een praatjes-maker.
Gedurenden tien jaren dat wij buitenslands woonden schreef hij elke maand een brief. Pastorale zorg voor een schaap in de woestijn? Gezelligheid?
Maar als je niet tijdig antwoordde begon hij met: nu ik niets hoor neem ik de draad maar weer op. En vertelde van zijn belevenissen als gepensioneerd man. Bijvoorbeeld van zijn dagelijkse wandelingen met een demente buurman: om die in beweging te houden en zo mogelijk te laten denken. Het wandelen ging nog wel; maar de conversatie van de andere zijde versmalde zich steeds meer tot een krachtig: bén je mal?!
HIJ dacht graag met zijn naaste mee; kon hem daarom beter verstaan, sneller aanmoedigen of waarschuwen. Eenmaal liet hij op een Zondagse visite voor de gastvrouw een slaaptablet achter, daar zij aan slapeloosheid leed.
Maar op Maandagmorgen vroeg telefoneerde hij al, om zeker te zijn van de goede afloop: hij was beducht voor onbevoegd uitoefenen van de geneeskunst.
Meermalen vertelde hij, dat hij vroeger "aan muziek gedaan had"; hij speelde orgel en had in een orkest de tuba geblazen.
En soms, in de kerk, hield hij op met zingen, om met een glimlacht naar het orgel te luisteren. Zo drong het tot de gemeente door, dat zelfs instrumentale kerkmuziek van God de Heere gewenst is. .
-0-
Toen hij 84 jaar was vloog hij naar Schotland. Daar nam hij de boeiende schoonheid van het land in zich op, ging mee het jachtveld in, waagde zich in een achtwielig bergwagentje (durf jij het?
dan ik ook) en was kinderlijk gelukkig . met een bergtocht in een puffend autootje.
Toch waren zijn laatste levensjaren niet zijn beste. Afhankelijk geworden van hulp leerde hij een extra bijscholing in nederigheid. Zijn denkkracht nam af, zijn lichaamskrachten schoten ergerlijk te kort, en hij bemerkte dat zijn geestelijk leven op een klein pitje stond. Zonder te klagen zij hij dat, nuchter. "Ik lees niet meer, zeker geen theologie".En dat boek dan? (Van prof. Jan Veenhof.) - Dat is geen theologie, dat lees ik voor mijn plezier. - Maar theologie is niet nodig om Gods Koninkrijk binnen te gaan, wel? - Gelukkig niet. Maar een mens zou tegen zijn levenseinde wel wat meer geloofszekerheid willen hebben, denk je niet? En daar schort het mij aan. Er zijn tal van christenen met vliegend vaandel en slaande trom de hemel binnengemarcheerd - misschien moeten jij en ik wel op onze knieën binnenkruipen.
- Een dankbare lach; Gods genade was hem genoeg. En zijn afscheid?
Altijd sjaloom, vrede