Een Pinksterverhaal voor de kinderen
1988-05-20
Een wonder- Jaargang 32
- nummer 20
Het verhaal uit de Bijbel over het Pinksterfeest kenje vast wel. Toen de Heere Jezus op Hemelvaartsdag naar de hemel ging, beloofde Hij ons niet alleen te laten.
Daarom stuurde Hij de Heilige Geest.
Maar de Heere Jezus vroeg ons ook om aan andere mensen te vertellen dat we in Hem geloven. Niet alleen de mensen bij ons in de buurt, maar ook in verre landen.
We noemen dat de zending. Als het Pinksterfeest is, denken we altijd aan de zending.
Onze kerken hebben ook zendelingen gestuurd naar verre landen om daar te vertellen over de Heere Jezus.
Toen ik een jaar of vijf was, was mijn vader ook een zendeling in een ver en warm land, in Indonesië. We woonden daar midden in het bos, het oerwoud. Het was daar natuurlijk allemaal heel anders dan in Nederland. Auto's waren er bijna niet, we hadden geen electrisch licht, er waren heel andere dieren en heel andere planten. Maar ik vond het daar wel erg fijn om te wonen.
Behalve mijn broer en mijn zus waren er geen blanke kinderen: onze andere vriendjes woonden in de kampong. Een kampong is een dorpje, een aantal huizen bij elkaar. Al die huizen hadden een rieten dak en stonden op palen.
De baas van de kampong - wij zouden misschien zeggen: de burgemeester - heette Batoe. Over hem gaat dit verhaal. Want er is - toen mijn vader daar werkte - een wonder gebeurd. Ik zou het alweer vergeten zijn, als mijn vader het niet in een boek had opgeschreven. Dat boek heet 'De Generaal'. Het is genoemd naar Batoe. Misschien heeft een vader of een oma het boek nog in de kast staan.
Iedere zondag gingen mensen uit de kampong naar de kerk. Batoe's vrouw ging ook. Maar Batoe vond die kerk maar onzin. Hij praatte er wel eens over met de zendeling, maar hém kreeg je toch echt niet naar de kerk. En bovendien, vond Batoe, moet ik zorgen dat de apen niet alle rijst opeten en dat de wilde zwijnen niet dwars door de maïsvelden gaan lopen.
Batoe geloofde niet in God. Maar hij had wel eigen, heidense goden. Je kunt wel een beetje denken aan de geschiedenis van Elia op de Karmel. Batoe denkt ook dat zijn god offers van hem vraagt. En als hij niet offert, zal de oogst mislukken. Daarom stonden om zijn kampong ook overaloffermandjes.
Daarin werden vaak geslachte dieren gelegd voor de goden, om op te eten.
Natuurlijk werden die dieren nooit opgegeten door de goden, maar Batoe geloofde dat hij die dieren moest offeren.
Anders zouden de goden hem niet helpen.
Batoe roept nu de mensen van de kampong bij elkaar. Ze moeten allemaal een dier offeren. Maar . . . twee mannen zeggen: " wij doen niet mee, Vader Batoe! Wij geloven in een andere God!" Dan wordt Batoe heel boos. Dat is de God van de blanken, daar heeft hij toch niets mee te maken?
Dan vertelt Batang - een beetje bevend van angst - het verhaal dat hij zondag in de kerk heeft gehoord. Het is de geschiedenis van Gideon. Gideon vraagt aan God om een teken, een bewijs dat hij het met een heel klein legertje kan winnen van de vijand. En toen werd 's nachts de huid van een dier nat van de dauwen het veld erom heen was helemaal droog. En de volgende nacht gebeurde precies het omgekeerde. Batang zegt tegen Batoe: "Als. U het niet geloven kunt dat God ook ons wil helpen, vraag Hem dan een' teken!" En Batoe zegt: "Dat doe ik! Ik werk op zondag niet op het rijstveld. Dan wil ik wel eens zien of de oogst nog lukt; of niet alle apen en wilde zwijnen alles stuk hebben gemaakt. Als die God dát kan, dán geloof ik in die God!"
Elke zondag zit Batoe nu in zijn huis.
Hij hoort de apen, hij hoort de wilde zwijnen. Het is wel moeilijk om niet bij het rijstveld te gaan kijken, maar beloofd is beloofd! En iedere maandag is Batoe weer verbaasder. Want de apen hebben niet aan de rijst gezeten. De wilde zwijnen zijn niet door het maïsveld gerend.
En als het tijd wordt om de oogst binnen te halen, kunnen de mannen de zakken met korrels bijna niet meer dragen. Er kan niets meer bij in de schuren. Mannen uit dorpen in de omgeving komen kijken en ze zijn heel verbaasd. Zo'n grote oogst, dat hebben ze nooit eerder gezien.
De volgende zondag zit Batoe voor het eerste in de kerk. De hoofdman gaat helemaal op de achterste rij zitten. Hij luistert naar het zingen van de Psalmen, hij luistert naar de preek.
Een jaar later wordt Batoe gedoopt.
Dat gebeurt in Indonesië niet zoals bij ons, met een doopvont in de kerk. Nee, Batoe wordt gedoopt in de rivier. Hij wordt ondergedompeld in het water, en als hij weer bovenkomt, zegt de zendeling: .Batce, ik doop uin de Naam des Vaders en des Zoons en des Heiligen Geestes!" En daarna worden Batoe's vrouwen kinderen gedoopt. Ook het jongste kindje, dat pas een paar dagen oud is. Het heeft de naam gekregen van een koning uit Israël: David.
Zo werden Batoe en zijn familie ook familie van ons. Kinderen van één Vader.
Omdat het Pinksteren was. Daarom vieren we ieder jaar het Pinksterfeest.