Wetten ten leven
1988-05-27
Wie zich op de plaats waar hij gesteld is inzet voor de doorwerking van Gods wil in het maatschappelijk leven, kan wel eens bevangen worden door de gedachte: "W at zit ik de mensen eigenlijk nog lastig te vallen met mijn principes? Als nu iedereen duidelijk een andere kant uit wil, wie ben ik om dat tegen te houden?" Ik heb deze overweging wel eens gehoord van iemand die in het bestuur van een christelijke school zat. Maar ook bestuurders en vrijwilligers die bij de pro life-beweging betrokken zijn kennen die gedachte.- Jaargang 32
- nummer 21
Toch is er ook die andere ervaring: het kàn je 001\ gebeuren dat je mensen van wie je het niet verwacht had ineens instemmend ziet knikken. Ja, ze hadden er vroeger ook zo over gedacht, maar meenden dat dat nu eenmaal niet meer kon in deze tijd!
Wel, op deze verantwoordelijkheid die we in de maatschappij hebben wil ik in dit artikel" ingaan. Ik doe dat op basis van een overweging die ik onlangs hield voor de Residentie-pauzedienst in Den Haag. Dat zijn bijeenkomsten, waarin voorbede voor de overheid gedaan wordt en waarin een christen-politicus en een predikant spreken. Het thema was dit keer euthanasie en ik ging uit van Deuteronomium 4: 6-8, waar Mozes van de inzettingen en verordeningen van God zegt: 6. Onderhoudt ze dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: Waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie.
7. Immers welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de HERE, onze God, telkens als wij tot Hem roepen?
8. En welk groot volk is er, dat inzettingen en verordeningen heeft zo rechtvaardig als heel deze wet, die ik u heden voorleg?
We zien daaraan dat wij bepaald de eersten niet zijn die met de geboden van God vreemd in de wereld staan. En die steeds de verzoeking op zich af zien komen om gewoon te gaan vinden, wat bijna iedereen gewoon vindt.
Deze woorden zijn immers gesproken tegen het volk Israël, dat na de woestijntijd het beloofde land in ging trekken.
Een land dat beheerst werd, gestempeld werd, door afgoden als Baäl en Astarte. Kortom, een land dat vergeven was van de vruchtbaarheidsreligie.
Daar kwam Israël tussen te wonen, daar moest het volk van God het waarmaken: leven als een ánder volk, een geheiligd volk, aan de dienst van God gewijd.
Uw wijsheid en inzicht
Het gedeelte dat ik boven citeer uit Deuteronomium 4 hoort bij de laatste instructies die de Here zijn volk nog heeft laten geven, vlak voor die intocht.
Mozes zegt bij die gelegenheid onder meer: "Onderhoud deze geboden dan naarstig, want dat zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken, die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: waarlijk, dit grote volk is een wijze natie".
Anders gezegd: de heidense volkeren zullenje complimenteren alsje deze geboden opvolgt. Ze zullen zeggen: ja, zo te leven, dat is wijs en verstandig.
Vindt u dat niet hoog gegrepen van Mozes?
Vindt u hem hier ook niet 'n beetje wereldvreemd? Gaat dat nu zo: dat de mensen van de wereld instemmend knikken, wanneer ze horen wat de Bijbel van ons vraagt?
Op het eerste gezicht zouden we zeggen: dit is iets dat we nu niet bepaald herkennen in de werkelijkheid. Om het toe te spitsen op euthanasie: wanneer er dezer dagen verpleegkundigen voor de rechtbank komen omdat ze het leven van een aantal ongeneeslijk zieke patiënten beëindigd hebben, dan wordt in de publiciteit bij voorbaat de zwarte piet al verschoven naar die onmogelijke man aan het hoofd van hun afdeling, die nooit aan euthanasie mee wil werken.
Zo'n man wordt door velen niet bij zijn hoofd geacht, in plaats dat men zegt: waarlijk, deze man is een wijze man.
Overigens: zou dat in Kanaän nou echt zoveel anders geweest zijn? Zou daar nou echt iedereen enthousiast geweest zijn voor de wetten van Israël? Of zou Mozes het misschien toch iets anders bedoeld hebben? Voorlopig laat ik dat nog even als vraag staan, want ik meen dat de rest van de tekst ons daarin meer licht kan geven.
Binnen- en buitenkant
Sloeg vers 6 erop, wat de volken van Gods wet vinden, vs. 7 en 8 gaan over de rijkdom van die wet voor zijn eigen volk. Enjuist dat zou ik graag willen onderstrepen.
Het is een feit, dat we in veel opzichten alleen komen te staan als mensen die naar Gods geboden willen leven. Maar dat moet ons er niet toe verleiden om onszelf zielig te gaan voelen, integendeel. U ziet dat Mozes zijn volk vlak voor de intocht nog eens voorhoudt hoe rijk ze met Gods geboden zijn. En dat geldt voor ons ook. Hoort u maar: - vs 7: Welk groot volk is er, waaraan de goden zó nabij zijn als de HERE onze God, telkens als wij tot Hem roepen?
- vs. 8: En welk volk heeft er inzettingen en verordeningen, zo rechtvaardig als heel deze wet, die ik u heden voorleg?
ik zou zeggen: dat is de binnenkant en de buitenkant van het leven met God.
De binnenkant is Gods nabijheid, de buitenkant is dat zijn geboden zo heilzaam zijn. Wilt u zien hoe rijk het is om met God te leven, dan moet u de God van de geboden èn de geboden van God kennen.
Ik leg nu vooral de nadruk op die binnenkant van het leven met God. Dus op de God van de geboden. "W elk volk is er, waaraan de goden zo nabij zijn als de HERE onze God, telkens als wij tot Hem roepen?", zegt Mozes.
Oppervlakkig gezien zou je zeggen: is dat nou zo? Kijk eens naar de wereld in Mozes' dagen: juist de volken van Kanaän hadden hun goden immers vlakbij? Ze hadden ze als het ware zó bij de hand!
In de vorm van godenbeelden, die je met de handen kunt tasten. Ze zijn altijd bij de hand, in de oorlog en bij ziekte,ja bij alle noden.
God is nabij
En vandaag kunje ook zeggen: wat hebben de mensen die God niet kennen hun goden vlàk bij de hand! Als je gelooft dat de grootste zekerheid van ons, mensen, in ons hoofd zit, in ons verstand, in onze mondige keuze, wat heb je dan alles dicht bij de hand! Ieder wordt geleerd om bij de grote levensvragen, tot en met het sterfbed, bij zichzelf te rade te gaan. En bij de deskundigen die om hem heen staan.
Bijvoorbeeld de medische deskundigen die om je bed heen staan. "Onze hulp is ... " vlak bij de hand! Want de goden van deze tijd zijn het eigen verstand en dat van de deskundigen, die samen beslissen, die samen àlles beslissen.
.. tot en met de beslissing over leven of dood.
Zo staan de zaken ervoor. Tenminste . .. buiten het geloof om. Maar van Mozes leren we om dieper te kijken, veel dieper. Want er is geen volk, waaraan de goden zo nabij zijn als de Here onze God, telkens als wij tot Hem roepen.
De goden van de volken, of het nu beelden van goud en zilver zijn of denkbeelden van zelfbeschikking en deskundigheid, ze zijn bedrog. En je komt er bedrogen mee uit. Het is een schijnnabijheid en ze latenje (letterlijk) dodelijk alleen als het erop aankomt.
Maar de binnenkant van het leven met God is: Hij is nabij, elke dag van ons leven. In rijkdom en armoede, in gezondheid en ziekte, ja tot en met het sterfbed. Dat is een ervaringswerkelijkheid van velen vóór ons. David bijvoorbeeld zingt het ons voor in Psalm 34: "De HERE is nabij de gebrokenen van hart en Hij verlost de verslagenen van geest. Talrijk zijn de rampen van de rechtvaardige, maar uit die alle redt hem de HERE". David zingt het ons voor. Maar de bedoeling is dat wij hem dat nazingen, elke dag van ons leven. Het is Gods eer en verlangen dat wij Hem aanroepen. Om te ervaren dat God ons nabij is, telkens als wij tot Hem roepen. Als Mozes en David dat konden zeggen, hoeveel te meer dan wij, die de Here Jezus Christus kennen.
Hij is persoonlijk in dit leven van nood en verzoeking binnengekomen, om mee te lijden, onder de naam Immanuël, God is met ons!
Wie het daarmee waagt, die is rijk. Rijk met een hulp, een nabijheid, die veel verder reikt dan de zogenaamde "Hulpverlening", die ingevoerd moet worden met de nieuwe wet op de geneeskunst.
Rechtvaardige verordeningen
Tot zover over de binnenkant van het leven met God. Mozes noemde ook de buitenkant als een argument om je rijk te weten met God. Namelijk: "Welk groot volk is er, dat inzettingen en verordeningen heeft zo rechtvaardig als heel deze wet, die ik u heden voorleg?"
Gods geboden zijn rechtvaardig. Dat is niet op te vatten in de kille zin, waarin dat woord bij ons gebruikt wordt. Als van een schoolmeester, van wieje zegt: hij is streng, maar rechtvaardig; Dan blijft het een koude zaak. Maar als de Bijbel zegt dat Gods geboden rechtvaardig zijn, dan wordt daarmee bedoeld: je leven ligt erin. Je redding en verlossing. Gods rechtvaardige verordeningen zijn zijn regels die als een muur van bescherming om het leven heen staan. "Zie, het leven houd ik u voor en de dood.
Kiest dan het leven, opdat gij leeft", zo kan Mozes even verder dan ook zeggen.
En nu gaat het hierom: als je de God van de geboden kent, die ons nabij is, telkens als wij tot Hem roepen, dan weetje ook dat de geboden van die God nooit bedoeld zijn om ons dwars te zitten.
Maar juist om de mens in de ruimte te zetten, hem tot zijn recht te laten komen.
In de meeste gevallen kun je dat ook met het blote oog zien en herkennen.
Maar ik weet best dat we het er ook heel moeilijk mee kunnen hebben. Zeker wanneer we denken aan de grenssituaties van leven en dood.
Maar ook dan kàn er geen heil in liggen om over te schakelen op de goden van zelfbeschikking en deskundigheid.
Want die laten je dodelijk alleen. Juist dan komt het erop aan, om eerst de binnenkant te kennen: God is er toch bij, en Hij laat niet alleen wie tot Hem roepen.
Als we alleen komen te staan met de geboden van God, dan moeten we ons niet zielig voordoen. Maar ons rijk prijzen met de God van de geboden en met de geboden van God.
De ogen der volken
En nu tenslotte over "de ogen der volken".
Wat ongelovigen er van vinden als je over deze geboden van God spreekt. "Dit zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen der volken", zo voorspelde Mozes. Nee, dat betekent niet dat Jan en alleman het ermee eens zal zijn. Dat was in Kanaän niet zo en dat zal voor ons ook wel niet gelden.
Om Mozes' bedoeling op het spoor te komen, zet ik er een bekende tekst uit het boek Spreuken naast. "Dat liefde en trouw u niet verlaten. Bind ze om uw hals, schrijf ze op de tafelen van uw hart, dan zult gij genegenheid en goedkeuring verwerven in de ogen van God en mensen" (Spreuken 3 : 3 en 4). Een tekst, waar je diezelfde vraag bij kunt stellen: werkt dat nou echt altijd?
Krijg je nu gegarandeerd genegenheid en goedkeuring terug als je zelfliefde en trouw bewijst? Er zijn ook omgekeerde ervaringen. Zeker, maar van welke mensen zoek je genegenheid en goedkeuring?
De Bijbel bedoelt zo'n spreuk niet als een natuurwet, die altijd opgaat.
Er zijn inderdaad mensen, van wie je eerder genegenheid verwerft door een dure parfum of een after-shave. Als ik tenminste de STER-reclame geloven mag. Maar die genegenheid heb je dan ook net niet nodig.
Zo vat ik ook het woord van Mozes op.
Het is een koud kunstje om wijs en verstandig geacht te worden in de ogen der volken door Gods geboden opzij te zetten.
Maar Mozes heeft het oog op die mensen uit de volken die komen schuilen bij de God van Israël. Zoals Ruth dat deed, uit het heidense Moab. Zulke mensen zijn er ook vandaag. Uit alle lagen van de bevolking roept God ook nu nog mensen die zoeken naar het licht van God. Zij zijn ermee gediend, dat ze aan ons kunnen zien hoe rijkje bent met de geboden van God! Daarom heeft het zin om die woorden van de Bijbel ook vandaag door te geven. "Opdat ze uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken".