Duizend jaar kerk in Rusland
1988-05-27
"Het Rusland van Kiëv bleef, net als de gouden dagen van onze kindsheid, onverflauwd in de herinnering van het Russische volk bestaan. In de zuivere fontein van haar literaire werken kan ieder die dat wil zijn religieuze dorst lessen. In haar eerwaarde schrijvers kan hij zijn gids vinden voor de moeilijke vragen van de moderne wereld".- Jaargang 32
- nummer 21
G. P. Fedotov. The Russian Religious Mind, p. 412 (1).
Het eerste klooster
In het vorige artikel hielden we op bij Grootvorst Jaroslaw. Tijdens Jaroslaws regering wordt een eigen Russische wetgeving vastgelegd. Ook wordt in Kiëv een kathedraal gebouwd in een 'eigen' Russische stijl. Bibliotheken worden gesticht, wat samenhangt met een heel programma om boeken te vervaardigen en te bestuderen. Het eerste Russische klooster wordt dan ook gebouwd.
Het bekendste klooster uit die tijd, en misschien een prototype van volgende kloosters, wordt echter niet met overheidssteun gesticht. Aan het begin van het zgn. 'Holenklooster' van Kiëv staan vrome kluizenaars. Daar komen we een type vroomheid tegen dat zijn sporen in de Russische geschiedenis zou nalaten.
Daar komen we de eerste Russische heilige tegen, in een oude Kroniek en ook later wel genoemd: "de eerste grote kaarsen, ontstoken in naam van de Russische aarde voor de beeltenis van de Verlosser van de wereld". (2)
"Een geleerd man, Hilarion genaamd, begafzichnaar een dichtbeboste heuvel aan de Dnjepr, groef daar een klein, twee vadem diep hol en bad in het verborgene tot God. In die afzondering wordt hij gevolgd door een zekere Antonius, van wie in de kronieken staat dat hij 'reisde van klooster naar klooster, maar ze bevielen hem niet, omdat God het niet wilde; en toen begon hij door ravijnen en over de bergen te trekken en te zoeken waarheen God hem wilde leiden.
En hij kwam bij de heuvel waar Hilarion zijn klein hol had uitgegraven en deze plek stond hem aan en hij vestigde er zich ... En toen begon hij daar te leven, biddend tot God, droog brood etend en dat om de andere dag, en weinig water drinkend en een hol gravend.
En hij gaf zichzelf geen rust bij dag noch bij nacht, levend in grote armoede, wakend en biddend." (2) Hij wordt door weer anderen gevolgd die hem abt van hun gemeenschap maken, maar na een poos wil hij dat niet meer; hij gaat op een andere plaats een hol graven waar hij - volgens de verhalen, zonder er ooit uit te komen - veertig jaar lang alleen leeft!
Theodosius
Na hem komt de monnik Fedossyi, of, in onze naamgeving, Theodosius. Deze Theodosius, 'een aardse engel en een hemels mens', is tevoren door zijn familie zeer gewelddadig bejegend; men wilde hem krachtdadig van een ascetische levenswijze afhouden, tevergeefs naar zou blijken. Hij gaat toch en wordt later abt. Zijn voorganger wijst hem aan, met de woorden: "Wie onder jullie is groter • dan Theodosius? Hij is gehoorzaam, zacht, deemoedig: hij zal jullie abt zijn" (2) Hij geeft de kloostergemeenschap een vaste 'Regel' waarmee hij de Russische monastieke traditie aansluiting geeft bij de oude 'Vaders' van het Oosten, Syrië en Klein-Azië.
Hij geeft geen Regel die alleen ascetisch is; "de ascese was voor hem geen doel in zich maar een middel tot het doel: met behulp daarvan wilde hij tot heiligheid komen, maar de ascese is nooit de heiligheid zelf'. Verderop in het verhaal over Theodosius staat: "Hij hield oneindig veel van nederigheid. Deze nam bij hem vormen aan die al het gewone te boven gingen. De zelfvernedering die Jezus tot zijn dood aan het kruis had beoefend was zijn voorbeeld; in deze goddelijke zelfvernedering zag hij een van de grootste geheimen. Hij leerde zijn broeders iedere dag om zich op niets te laten voorstaan, maar een nederig monnik te zijn en zich geringer dan allen te maken.' ...De ootmoed speelt in het Russisch christendom een centrale rol." (2) Deze beoefening van de ootmoed doortrekt een groot deel van de geschiedenis van de Russische vroomheid. In het werk van een schrijver als Dostoyevsky, die in de vorige eeuw leefde, komt de echo, en méér dan dat, even veelvuldig voor.
Het vóórkomen van zulke kluizenaars en monniken, maar ook het optreden van vorsten als Jaroslaw en anderen hebben deze 'Gouden Periode' in later tijden van de Russische geschiedenis gemaakt tot een tijd waaraan men met heimwee terugdenkt. Niet alleen was het een tijdvak van culturele bloei, het was ook "de tijd van de eerste liefde van het Russische-volk voor Christus". (3)
De staretz
Al in deze periode vinden we de staretz, een heel kenmerkende figuur in de Russische Orthodoxie (meervoud: startsy).
Niet zelden was dat zo'n kluizenaar, ie': mand die ver van de bewoonde wereld zich alleen aan 'het engelgelijke leven' overgaf, iemand die tenslotte ook weer onder de mensen kwam wonen. Soms na jarenlang zich in de wouden te hebben teruggetrokken wist de 'heilige man' vele gelovigen alsook 'zoekers' te trekken. Niet zelden gaf hij dan blijk van enorme intuïtie om niet te zeggen 'pastorale helderziendheid'. "Hij hoefde geen priester te zijn, zeker geen geleerde of een groot theoloog; ook zou hij geen abt van een klooster of gemeenschap hoeven zijn. Zijn superioriteit zou er een zijn van deugd, met name die deugd van tederheid die het volk zo lief was, een meevoelen met alle dingen dat leidde tot een bijzonder inzicht in mensen en een scherpe waarneming, een diepe ervaring hoe heel verschillende zielen zich verhielden tot hun omgeving en werk, die in ieder individueel geval de beste oplossing voor een probleem voorstelde, die een eenvoud van geest, omgangsvormen en spreken kinderen, die de mensen van de laagste komaf nog op hun gemak kon stellen, en tegelijkertijd een natuurlijk overwicht en gezag bezat, dat vertrouwen inboezemde en gehoorzaamheid afdwong," (2) Mensen van allerhande achtergrond stelden hun vertrouwen in hem en kwamen in zijn aanwezigheid vaak God zèlf tegen, die hen soms krachtdadig tot bekering bracht.
Sergius van Radonesj
De beroemdste "staretz" en heilige van die periode is Sergius van Radonesj, wiens leven werd opgetekend. Een merkwaardig, maar ook meesterlijk en ontroerend werk.
In de eerste plaats is daar dat merkwaardige verhaal dat Sergius ... in de schoot van zijn moeder een luide schreeuw zou hebben gegeven; iedereen die bij de vrome moeder in de kerkdienst zat was over dat gebeuren ten zeerste verbaasd en ontsteld. Men beschouwde het gebeuren als een voorteken dat het een zeer bijzonder kind zou worden. Voorlopig leek dat echter geheel niet het geval. Hij leerde moeilijk en was 'slow'. Tot hij eenoudemanontmoette, die hem uit die 'geestelijke verdoving' doet ontwaken. In heel korte tijd ontwaakt in hem een goed student, die het intense verlangen heeft om monnik te worden, of kluizenaar. Met een broer, die na verloop van tijd terugkeert, gaat hij de eindeloze wouden in, waar hij jaren zal blijven. "Gedurende de lange jaren van zijn totale vereenzaining waarin hij geen menselijk gelaat zag, moest zijn sterke en heilige ziel zeer lijden."
Een vriend
Als Sergius, ver van de wereld, een 'huisgenoot' krijgt is dat een dier. "Er kwamen wilde dieren naar zijn verblijfplaats, hele horden huilende wolven en ook grote beren. Voor Sergius ontstond daardoor een onplezierige toestand, omdat ook hij 'enige vrees voor hen koesterde' ...De beesten kwamen op hem af, omringden en besnuffelden hem en verwijderden zich daarna weer 'zonder hem kwaad te hebben gedaan'.
In die tijd ontstond er bijna een vertrouwensrelatie tussen Sergius en een beer, die regelmatig kwam en voor wie de heilige een deel van zijn karig voedsel op een boomstronk neerlegde. De beer nam het en ging weg, maar als er niets lag, bleefhij een hele tijd wachten tot hij iets kreeg. Als Sergius maar weinig of nog maar een restje voor zichzelf had, at hij het zelf niet om het beest niet teleur te stellen of hij deelde het in twee gelijke delen, gaf het ene aan de beer en hield het andere zelf." (4) 'Niet één keer en niet twéé keer kwam deze beer naar de heilige toe, maar verscheidene keren per dag en hij hield dat vele jaren vol', zegt de schrijver van Sergius' leven, Epifanius.
Niet bedroefd
Later kwamen twaalf mannen bij hem wonen, waarmee hij een kloostergemeenschap startte waar men in grote eenvoud leefde. (Later werd, op een paar kilometer afstand, het grootste en rijkste klooster van Rusland gebouwd, het Heilige Drievuldigheidsklooster van Zagorsk!) Sergius die spreekwoordelijk goedgevig was en die ieder mens troostte, was nooit boos: "Hij was nooit bedroefd en hij was nooit boos", volgens de 'Vita'. Sergius had namelijk "van de goddelijke zoetheid van het zwijgen geproefd en deze nooit prijsgegeven"; daarom was hij zachtmoedig gebleven. Men gaf hem later de bijnaam 'de algemene trooster', omdat hij, volgens tijdgenoten, voor iedereen een goed woord had. "God schenkt zoveel genade aan deze plek dat niemand hier bedroefd weggaat", zei hij er zelf van. (2)
Volgens de verhalen, had Sergius geregeld 'lichtvisioenen ' en ontving hij hemelse bezoekers. "Op het ogenblik dat Sergius de heilige sacramenten ontving, werd plotseling de hele kerk en de omgeving van een wonderbaarlijke, welriekende geur vervuld." Toen hij op de leeftijd van 78 jaar stierf, wist hij, volgens dezelfde bron, de dag van zijn dood al een half jaar tevoren. Hij stierf al biddend; "het gelaat van de ontslapene glansde als sneeuwen zijn lichaam verspreidde een heerlijke geur." (2)
Rampspoed in Rusland
Mede door de invloed van de Kruistochten - het schandalige gedrag van Kruislegers uit het Westen, die hun Oosterse geloofsgenoten beroven en onderdrukken - verslapt de band tussen Rusland en het Westen. De gevolgen werden spoedig zichtbaar. "Vanaf de 12e eeuw werd het volk der Russen eenzaam.
Het geestelijk peil der grootvorsten ging achteruit. Gebrekkige administratie en onuitgewerkte regeringsvormen bevorderden de anarchie ...
In de dertiende eeuw werd dit volk door de Mongoolse Tartaren overvallen.
Niemand in Rusland had ooit van hen gehoord, en niemand wist vanwaar zij kwamen, noch waarheen zij gingen.
Voor het eerst verschene-n zij in 1223, als een zwerm sprinkhanen over de velden: Aziatische horden, die op meesterlijke wijze door Dszengis-Khan georganiseerd waren. De Russische legertjes konden niet tegen hen op. Zij verschenen - en verdwenen weer in de onmetelijke vlakten van het Oosten. In 1233 echter kwamen zij terug: 400.000 ruiters, onoverwinnelijk! Overal brachten zij grote verwoesting. Kerken, kloosters en -ikonen van Kiëv werden een prooi van hun vemietigingsdrift."
(3) Wie de geschiedenis bestudeert merkt al gauw hoe ellèndig de Russische bevolking het had! Erger nog (misschien) was - opnieuw - het gedrag van de mede-christenen in het Westen. "Voor de verhouding tussen Oost en West is van oneindig groot nadeel geweest, dat de Westelijke naburen van Rusland van de noodtoestand, waarin dit volk verkeerde, schadelijk misbruik maakten; de Zweden, de Duitse ridders en de Litauwers trokken op verovering uit ...
Men kreeg een nameloze angst voor het Westen, dat de Orthodoxie wilde vernietigen!"
(4) Een belangrijke persoon uit die tijd is de beroemdste Russische ikonenschilder Andrei Rjoeblow. In een Sowjet-film over zijn leven, een beroemd geworden film, lijkt die tijd een massale slachtpartij - het is geen genot veel van de woeste taferelen te bekijken.
Newsky
Een andere belangrijke persoon toen ter tijd is Alexander Neswsky. Als leider van een leger, dat de legers uit het Westen had verslagen, moest hij zijn opwachting maken bij de Khan der Tartaren, aan wie hij zich onderwierp. Hij liet zich door de Tartaren tot 'grootvorst van Kiëv uitroepen, omdat hij besefte dat spontaan verzet, hoe moedig ook, voorlopig geen enkele kans van slagen had en ook dat het volk eerst een veel grotere mate van discipline moest bezitten, wilden de Russen zich ooit vrij vechten. Hij is door latere generaties een voorbeeld gevonden van 'Russisch geduld' en 'Russische ootmoed' (2) Hij was zeer geliefd bij het Russische volk en werd minder dan anderhalve eeuw na zijn dood, in 1380, heilig verklaard.
(1) geciteerd uit T. Ware. The Orthodox Church. Harmondsworth, 1963. p. 90, 91.
(2) het verhaal over Theodosius en Sergius van Radonesj staat heel aardig beschreven in Walter Nigg. De Heiligen zijn onderons. Helmond.
1978.
(3) J. C. A. Fetter. De Russen en hun Kerk.
Arnhem, 1948. p. 50.
(4) Fetter. a.w. p. 53 e.v.